Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:11591

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
C/03/225164 / HA RK 16-182
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking – tijdsverloop te groot – verzoek niet ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer : C/03/225164 / HA RK 16-182

Datum uitspraak :30 augustus 2016

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker;

dat strekt tot wraking van mr. W.E. Elzinga, rechter in deze rechtbank, (hierna: de rechter).

1 De procedure

Op 8 juni 2016 is in de zaak met nummer 5101131 CV EXOPL 16-5009 tussen

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] als eisende partij en [verzoeker] , h.o.d.n. [handelsnaam] als gedaagde partij, een tussenvonnis gewezen waarin een plaatsopneming alsook een comparitie van partijen is bevolen.

Op 23 augustus 2016 is het door de gedaagde partij [verzoeker] op 9 augustus gedateerde en op

22 augustus 2016 opgestuurde, verzoek tot wraking tegen de behandelend rechter door de rechtbank ontvangen.

De rechter heeft de wrakingskamer op 23 augustus 2016 schriftelijk bericht dat zij niet in het verzoek tot wraking wenst te berusten. Zij heeft een schriftelijke reactie bijgevoegd waarin zij tevens heeft meegedeeld ter zitting te willen verschijnen.

De mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking heeft plaatsgevonden op

30 augustus 2016. Verzoeker en de rechter zijn verschenen.

De datum van de uitspraak is bepaald op heden.

2 Standpunt van verzoeker

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de rechter partijdig is omdat zij, terwijl er geen bewijs is, toch een bezichtiging organiseert.

3 De beoordeling

In artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

In artikel 37, eerste lid, Rv is bepaald dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Het tweede lid van artikel 37 Rv bepaalt dat het verzoek tot wraking schriftelijk en gemotiveerd moet worden gedaan. Ingevolge het derde lid van dit artikel is de verzoeker tot wraking verplicht alle feiten en omstandigheden die hem tot zijn verzoek brengen, tegelijk voor te dragen.

Alvorens de rechtbank kan toekomen aan de beoordeling van de vraag of de vrees voor vooringenomenheid van de rechter onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd geacht kan worden, dient in verband met de ontvankelijkheid te worden bezien of het verzoek tijdig is ingediend.

Ter zitting heeft verzoeker meegedeeld dat hij het vonnis van 8 juni 2016 enkele dagen nadien heeft ontvangen en dat hij tijd nodig heeft gehad om te overwegen of hij zou wraken. Het verzoek tot wraking is op 23 augustus 2016 ter griffie ontvangen. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij het verzoek daags daarvoor per aangetekende post heeft doen verzenden, hetgeen de wrakingskamer tot het oordeel brengt dat het tijdsverloop zodanig groot is dat het verzoek tot wraking te laat is ingediend. Dat betekent dat het verzoek niet ontvankelijk is.

Ten overvloede merkt de wrakingskamer op dat het verzoek tot wraking had dienen te worden afgewezen nu het aangevoerde inhoudelijke argument een procesbeslissing betreft en geen grond is die tot wraking kan leiden en bovendien ook overigens geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit afgeleid zou kunnen worden dat de rechter vooringenomen of niet onpartijdig zou zijn.

4 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal, en

mr. J.S. Holthuis, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.W.D. Janssen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2016.