Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:11582

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
C/03/220405 / FA RK 16-1536
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

IPR. Bestaan echtgenoot onbekend. Gezag na echtscheiding.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 815
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251a
Burgerlijk Wetboek Boek 10
Burgerlijk Wetboek Boek 10 56
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/72.20
JPF 2017/47 met annotatie van mr. dr. I. Sumner
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/220405 / FA RK 16-1536

Beschikking van 23 december 2016 betreffende de echtscheiding in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. I. Wudka, gevestigd te Maastricht,

tegen:

[verweerder],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,

hierna te noemen de man.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 12 mei 2016;

- het exploot van 11 mei 2016, waarbij het verzoekschrift is betekend aan het parket van de Officier van Justitie te Maastricht en de aanzegging is gedaan dat de man uiterlijk binnen drie maanden na heden (11 mei 2016) hetzij een verweerschrift kan indienen ter griffie van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, hetzij uiterlijk op voormeld tijdstip aldaar uitstel te dier zake kan verzoeken;

- de van de hierna te noemen minderjarigen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op 13 oktober 2016 ingekomen brieven;

- de behandeling ter zitting van 25 november 2016, waarbij mr. P.J.M. Bongaarts ter vervanging van mr. Wudka voornoemd is verschenen. De vrouw en de man zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen;

- de brief, met bijlage, van de vrouw van 30 november 2016.

Binnen de daarvoor gestelde termijn is door de man geen verweerschrift ingediend dan wel uitstel voor het indienen van een verweerschrift verzocht.

2 De beoordeling

Uit het Rapport Eerste Gehoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van

5 augustus 2008 kan worden afgeleid dat partijen met elkaar zijn gehuwd op [2000 1] te [huwelijksplaats], Irak. De vrouw heeft de Iraakse nationaliteit en de man met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid ook.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige 1], geboren op [2000 2] te [geboorteplaats], Irak,

- [minderjarige 2], geboren op [2001] te [geboorteplaats], Irak,

- [minderjarige 3], geboren op [2003] te [geboorteplaats], Irak.

Daarnaast is binnen het huwelijk van de vrouw en de man het minderjarig kind [minderjarige 4] op [2013] te [geboorteplaats] geboren. De vrouw heeft gesteld dat zij in Nederland een nieuwe partner, [partner vrouw], heeft gevonden en dat binnen deze relatie [minderjarige 4] is geboren. Hierdoor kan de man, ook gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, niet de biologische vader van [minderjarige 4] zijn.

Echtscheiding

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, hetgeen de man niet heeft betwist.

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van de vrouw zich in Nederland bevond en deze daar sinds ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing. Van een gezamenlijke keuze voor het recht waarvan partijen de gemeenschappelijke nationaliteit hebben of van een onweersproken gelaten keuze van de vrouw voor dat recht, een en ander als bedoeld in artikel 10:56, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek is niet gebleken.

Op grond van artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient, voor zover hier van belang, een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

De vrouw heeft geen ouderschapsplan overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat zij omstreeks [2008] naar Nederland is gekomen, waarvoor zij verwijst naar het door haar overgelegde Rapport Eerste Gehoor van de IND. Uit dat rapport, waarin als geslachtsnaam van de vrouw de naam ‘[geslachtsnaam]’ wordt gebezigd, maar ook uit het rapport Nader Gehoor blijkt dat zij zich sinds haar aankomst in Nederland consequent op het standpunt heeft gesteld dat de man in 2007 onder onopgehelderd gebleven omstandigheden is verdwenen. Volgens de vrouw werd de man, van soenitische komaf, vanwege de sektarische conflicten in Irak ‘van alle kanten bedreigd’ en is hij op enig moment niet meer teruggekeerd van zijn werk als kapper in het winkelcentrum. Uit de rapporten blijkt verder dat de vrouw van meet af aan heeft gesteld dat er nog door familie naar de man is gezocht, maar dat sinds zijn verdwijning in 2007 niets meer van de man is vernomen. De vrouw stelt dat het zeer waarschijnlijk is dat de man is ontvoerd, dat gebeurde in die dagen zeer frequent in Irak. De vraag is of hij überhaupt nog in leven is. Voor zover de vrouw bekend is de man nimmer in Nederland geweest. De rechtbank overweegt dat de vrouw met deze toelichting, waarvoor steun is te vinden in de door haar overgelegde rapporten, voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zodat de rechtbank de vrouw zal ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de Nederlandse wet gegrond, worden toegewezen.

Gezag

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat zij het eenhoofdig gezag krijgt over de minderjarigen.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarigen.

Artikel 15, lid 1, van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996) bepaalt verder dat de (bevoegde) Nederlandse rechter in zaken waarin het gaat om de beëindiging van ouderlijke gezagsrechten, zijn eigen recht toepast, uitzonderlijke hier niet gestelde feiten of omstandigheden daargelaten.

Ter terechtzitting heeft de rechter de vrouw gewezen op de ogenschijnlijke ongerijmdheid dat, aan de ene kant, het huwelijk van partijen nog niet is ontbonden maar dat, van de andere kant, uit het door haar overgelegde uittreksel uit het gezagsregister – op basis van een beschikking van de rechtbank Breda van 3 december 2012 (gegeven onder zaaknummer 251997 FA RK 12-3436) – blijkt dat zij reeds alleen met het gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is belast. Vervolgens heeft de vrouw de beschikking van de rechtbank Breda alsnog bij brief van 30 november 2016 overgelegd. In deze beschikking overweegt de rechtbank Breda, voor zover ter zake doende, dat voldoende aannemelijk is geworden dat over de verblijfplaats en het lot van de man niets bekend is en zij verbindt daaraan de conclusie dat de man op dit moment in de onmogelijkheid verkeert het gezag over de minderjarigen uit te oefenen. De rechtbank Breda stelt dan vervolgens vast dat onder die omstandigheden het gezag van de man van rechtswege is geschorst en dat alsdan uit de wet voortvloeit dat de vrouw het gezag over de minderjarigen alleen uitoefent. De rechtbank heeft vervolgens met het oog op eventuele toekomstige problemen van (praktische) aard, een verklaring voor recht afgegeven. Dat de vrouw het gezag alleen uitoefent en dat het gezag van de man is geschorst, betekent niet dat de vrouw alleen met het gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is belast. Gelet op het voorgaande strookt de vermelding in het gezagsregsiter van die strekking dan ook niet met de daaraan ten grondslag liggende beschikking van de rechtbank Breda van 3 december 2012.

De rechtbank overweegt dat het door de wetgever gewilde uitgangspunt dat ouders na echtscheiding het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen in deze zaak dient te worden verlaten. Nu de actuele verblijfplaats van de man onbekend is en zelfs grote twijfels bestaan over zijn ‘in leven zijn’ oefent de vrouw reeds lange tijd feitelijk alleen het gezag uit over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en ook over [minderjarige 4]. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding in het belang van de minderjarigen te beslissen dat het gezag over de minderjarigen voortaan toekomt aan de vrouw. Het verzoek van de vrouw zal derhalve op deze wijze worden toegewezen.

Hoofdverblijfplaats

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.

Aangezien de vrouw als gezaghebbende ouder bepaalt waar het verblijf van de minderjarigen is én de minderjarigen reeds feitelijk hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben, heeft de vrouw geen belang bij dit verzoek en zal dit worden afgewezen.

3 De beslissing

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [huwelijksplaats], Irak op [2000 1];

bepaalt dat het gezag over de minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1], geboren op [2000 2] te [huwelijksplaats], Irak,

- [minderjarige 2], geboren op [2001] te [huwelijksplaats], Irak,

- [minderjarige 3], geboren op [2003] te [huwelijksplaats], Irak,

- [minderjarige 4], geboren op [2013] te Tilburg,

toekomt aan de vrouw;

verklaart de beslissing met betrekking tot het gezag uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.P.H. Welie, griffier, op 23 december 2016.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..