Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:11580

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
10-01-2017
Zaaknummer
4699033 AZ VERZ 15-235
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 7:673d BW; billijke vergoeding; transitievergoeding; kleine werkgever; slechte financiële situatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 4699033 AZ VERZ 15-235

Beschikking van 25 februari 2016

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonend [adres 1] ,

[woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde dhr. R.A. Van de Voorde,

tegen

[verweerder] voorheen handelend onder de naam

[handelsnaam] ,

wonend [adres 2] ,

[woonplaats] ,

verwerende partij,

gemachtigde mr. M.H.M. Murrer.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en [verweerder] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen (ingekomen op 22 december 2015)

  • -

    het verweerschrift met bijlagen

  • -

    de mondelinge behandeling op 23 februari 2016.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedag] 1972, is met ingang van 1 juli 2008 op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden van [verweerder] in de functie van verkoopster voor de duur van 20 uur per week. Het loon bedroeg laatstelijk

€ 1.023,27 bruto per maand exclusief vakantiebijslag.

2.2.

Bij brief van 23 oktober 2015 heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] opgezegd per 20 oktober 2015 omdat de ondernemingsactiviteiten zijn gestaakt en de onderneming zal worden beëindigd.

2.3.

[verweerder] heeft aan [verzoekster] een loonspecificatie met betrekking tot de maand oktober 2015 verstrekt waarop tevens een specificatie van de eindafrekening is vermeld. De loonspecificatie vermeldt een inhouding van € 1.457,73 “voorschot”. [verweerder] heeft dit voorschot niet aan [verzoekster] betaald.

2.4.

De gemachtigde van [verzoekster] heeft [verweerder] bij brieven van 1 december en 7 december 2015 gesommeerd tot betaling van het achterstallig loon, de gefixeerde schadevergoeding wegens de onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. [verweerder] heeft aan deze sommaties geen gevolg gegeven.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt [verweerder] te veroordelen tot:

  • -

    betaling van een vergoeding van € 2.219,49 bruto gefixeerde schadevergoeding

  • -

    betaling van € 2.923,66 brutoloon (inclusief de gewerkte overuren, vakantie-uren en vakantiebijslag,

  • -

    betaling van een transitievergoeding van € 2.762,83 bruto,

  • -

    betaling van een billijke vergoeding van € 6.630,78 bruto,

  • -

    betaling van de wettelijke rente over voornoemde bedragen,

  • -

    betaling van de maximale wettelijke verhoging over het brutoloon van € 2.923,66

  • -

    verstrekking aan [verzoekster] van een bruto-nettospecificatie binnen twee weken na heden op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  • -

    betaling van de proceskosten.

3.2.

[verweerder] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader ingegaan worden.

4 De beoordeling

4.1.

Ten aanzien van de gevorderde gefixeerde schadevergoeding alsmede de billijke vergoeding stelt [verweerder] zich op het standpunt dat (op grond van art. 7:686a lid 4 sub a onder 1 en 2 BW) de bevoegdheid om een verzoekschrift in te dienen op 22 december 2015 reeds was vervallen. De kantonrechter verwerpt dit verweer omdat [verweerder] daarbij er ten onrechte vanuit gaat dat de arbeidsovereenkomst reeds op 20 oktober 2015 is geëindigd. De arbeidsovereenkomst is evenwel eerst opgezegd bij brief van 23 oktober 2015 en die opzegging heeft geen terugwerkende kracht. Ter zitting is door [verweerder] in dat verband nog gesteld dat de brief reeds op 20 oktober 2015 aan [verzoekster] is overhandigd door zijn echtgenote, maar die stelling is door [verweerder] betwist en de ook ter zitting aanwezige echtgenote van [verweerder] heeft verklaard niet meer zeker te weten wanneer de brief overhandigd is. De kantonrechter gaat daarom, gelet op de datering van de brief ervan uit dat de opzegging eerst op 23 oktober 2015 heeft plaatsgevonden en dat derhalve op die dag de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De vervaltermijn van twee maanden was op het moment van indiening van het verzoekschrift dus nog niet verstreken.

4.2.

Ingevolge artikel 7:671 lid 1 BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst in beginsel niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer. In de onderdelen a. tot en met f. van art. 7:671 lid 1 BW is bepaald wanneer de werkgever zonder schriftelijke instemming van de werknemer kan opzeggen. Vaststaat dat [verzoekster] niet heeft ingestemd met de opzegging. Voorts staat vast dat geen van de in de onderdelen a. tot en met f. omschreven situaties zich hier hebben voorgedaan. [verweerder] heeft de arbeidsovereenkomst derhalve opgezegd in strijd met art. 7:671 BW. De door [verzoekster] op grond van art. 7:681 lid 1 BW gevorderde billijke vergoeding is dan ook toewijsbaar met dien verstande dat de kantonrechter een lager bedrag dan het door [verzoekster] gevorderde bedrag zal toewijzen. De kantonrechter overweegt in dit verband dat het [verweerder] weliswaar ernstig valt aan te rekenen dat hij de arbeidsovereenkomst op zo’n abrupte wijze heeft beëindigd, maar daar staat tegenover dat hij [verzoekster] reeds in een eerder stadium op de hoogte had gesteld van de zeer slechte financiële situatie van (de onderneming van) [verweerder] en dat zij wist dat een einde van de arbeidsovereenkomst om die reden op korte termijn in het verschiet lag. Alles in overweging nemend wordt een vergoeding van € 1.100,00 bruto billijk geacht, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.

4.3.

Vaststaat dat [verweerder] bij de opzegging een opzegtermijn van twee maanden had moeten hanteren. Bij een regelmatige opzegging zou de arbeidsovereenkomst derhalve niet zijn geëindigd op 23 oktober 2015 maar op 31 december 2015. Hieruit volgt dat [verweerder] de gefixeerde schadevergoeding die gelijk is aan het loon over de periode van 24 oktober tot en met 31 december 2015 aan [verzoekster] verschuldigd is. Daarnaast staat vast dat [verweerder] aan [verzoekster] nog achterstallig loon verschuldigd is tot en met 23 oktober 2015. Nadat partijen aanvankelijk hebben gediscussieerd over de vraag welke door [verzoekster] verzochte bedragen dienen te worden geschaard onder de noemer “gefixeerde schadevergoeding” en welke bedragen als achterstallig loon dienen te worden bestempeld, zijn zij ter zitting het erover eens geworden dat [verzoekster] ter zake van de gefixeerde vergoeding recht heeft op een bedrag van € 2.795,13 bruto en ten aanzien van het achterstallig loon een bedrag van

€ 2.337,09 bruto. [verweerder] zal worden veroordeeld tot betaling van die bedragen.

4.4.

De wettelijke verhoging over het aan achterstallig loon toe te wijzen bedrag van

€ 2.337,09 zal worden toegewezen, met dien verstande dat de verhoging zal worden gematigd tot 15%. De kantonrechter heeft in de slechte financiële situatie van [verweerder] die heeft geleid tot de achterstallige loonbetaling grond gezien om tot dit percentage te matigen.

Voor zover [verzoekster] heeft verzocht de wettelijke verhoging ook toe te wijzen ten aanzien van een gedeelte van het loon dat zij had dienen te ontvangen na 23 oktober 2015 indien [verweerder] regelmatig had opgezegd, moet dit worden afgewezen. De wettelijke verhoging kan slechts worden toegewezen over het loon waar [verweerder] tot en met 23 oktober 2015 recht op heeft gehad en niet ook over de gefixeerde schadevergoeding.

4.5.

De door [verweerder] opgezegde arbeidsovereenkomst heeft ten minste 24 maanden geduurd, zodat op grond van art. 7:673 lid 1 BW [verzoekster] recht heeft op een transitievergoeding. [verweerder] betwist niet dat hij aan [verzoekster] een transactievergoeding verschuldigd is. Wel is hij van mening dat art. 673d lid 1 BW van toepassing is, zodat bij de berekening van de transitievergoeding de maanden die [verzoekster] vóór 1 mei 2013 bij hem in dienst was buiten beschouwing gelaten dienen te worden. Partijen hebben in dit kader uitsluitend gediscussieerd over de vraag of is voldaan aan het bepaalde in artikel 24 lid 2 aanhef en onder a van de Ontslagregeling. Ingevolge die bepaling dient voor een succesvol beroep op art. 673d lid 1 BW het netto resultaat van de onderneming van de werkgever over de drie boekjaren voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt, kleiner te zijn geweest dan nul.

Strikt genomen voldoet [verweerder] niet aan dit vereiste. Uit de door hem overgelegde jaarstukken blijkt dat het resultaat van zijn onderneming in 2013 en 2014 weliswaar negatief was, maar het resultaat in 2012 was € 10.554,00 positief. De kantonrechter is van oordeel dat desondanks is voldaan aan (de bedoeling) van het bepaalde in art. 24 van de Ontslagregeling in verbinding met art. 7:673d lid 1 BW. [verweerder] heeft namelijk in het boekjaar 2012, in verband met de (toen al) slechte financiële situatie van zijn onderneming, zich slechts € 21.311,00 aan privé-opnamen toegekend terwijl hij zich op grond van art. 12a lid 1 sub c van de Wet op de loonbelasting 1964 een loon van € 44.000,00 bruto had kunnen toe-eigenen. Uitgaand van laatstgenoemd loonbedrag zou het resultaat in 2012 wel negatief geweest zijn. In deze situatie waarbij [verweerder] op deze voor hemzelf nadelige wijze, ook in het belang van zijn werknemers, heeft getracht het voortbestaan van de onderneming te waarborgen, zou het onredelijk zijn om hem een succesvol beroep op het bepaalde in artikel 7:673d lid 1 BW (en art. 24 van de Ontslagregeling) te ontzeggen. De ratio van deze bepalingen is immers om de financiële gevolgen van het sinds 1 juli 2015 ontstane recht op een transactievergoeding enigszins te verzachten voor de kleine werkgever die wegens aanhoudende financiële problemen genoodzaakt is geweest de arbeidsovereenkomst op te zeggen en die onvoldoende tijd heeft gehad te reserveren voor een (eventuele) verschuldigdheid van een transitievergoeding. [verweerder] is zonder twijfel een dergelijke werkgever.

Gezien vorenstaande overwegingen zullen de maanden voor 1 mei 2013 bij de berekening van de hoogte van de aan [verzoekster] toe te kennen transitievergoeding buiten beschouwing worden gelaten.

Hieruit volgt dat de transitievergoeding € 736,75 bruto bedraagt.

4.6.

[verweerder] zal worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de billijke vergoeding, het te betalen achterstallige loon, de gefixeerde schadevergoeding en de transactievergoeding, telkens vanaf de datum van verzuim tot de dag van voldoening.

4.7.

Het verzoek tot veroordeling van [verweerder] om aan [verzoekster] een deugdelijke bruto-netto specificatie te verstrekken, zal worden afgewezen. [verweerder] heeft gesteld deze specificatie inmiddels aan [verzoekster] te hebben verstrekt.

[verzoekster] heeft daar verder niet meer op gereageerd, zodat het ervoor gehouden moet worden dat [verweerder] aan dit onderdeel van het verzoek reeds voldaan heeft.

4.8.

[verweerder] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verzoekster] tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 466,00

  • -

    salaris gemachtigde € 400,00

Totaal: € 866,00

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster] van een billijke vergoeding van € 1.100,00 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2016 tot de dag van voldoening,

5.2.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster] van € 2.795,13 bruto gefixeerde schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2016 tot de dag van voldoening,

5.3.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster] van € 2.337,09 bruto aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot de dag van voldoening,

5.4.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke verhoging, gematigd tot 15%, over het bedrag van € 2.337,09,

5.5.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster] van de transactievergoeding van € 736,75 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2016 tot de dag van voldoening,

5.6.

veroordeelt [verweerder] tot betaling van de kosten van dit geding aan de zijde van [verzoekster] tot op heden begroot op € 866,00,

5.7.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW