Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:1157

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
03/700499-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 2 jaar gevangenisstraf voor poging doodslag op motoragent. Met voertuig motor van de weg proberen te drukken. Voorwaardelijk opzet. Gevaarlijk weggedrag en verkeershinder.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 176
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2016/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700499-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 februari 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. P.W. Szymkowiak, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 januari 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er –na wijziging ter terechtzitting–, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe

te brengen;

Feit 2: 114 gram heroïne heeft uitgevoerd dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;

Feit 3: gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer heeft gehinderd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer 1] te doden. Daarmee acht de officier van justitie feit 1 primair bewezen. Met betrekking tot de poging doodslag dan wel toebrengen zwaar lichamelijk letsel ten aanzien van [slachtoffer 2] acht de officier van justitie te weinig bewijs in het dossier voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen.

Ook feit 2 en feit 3 acht de officier van justitie bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 is de raadsman van mening dat verdachte zowel voor het primair als het subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken aangezien er geen bewijs in het dossier voorhanden is voor (voorwaardelijk) opzet. De gedragingen van verdachte leveren immers geen aanmerkelijke kans op dat de verbalisanten daardoor het leven zouden laten dan wel zwaar gewond zouden raken. Evenmin is er bewijs in het dossier voorhanden dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans, aldus de verdediging.

Ten aanzien van een bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Uit een door verbalisant [verbalisant 1] opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, het verhoor van deze verbalisant door de rechter-commissaris, de aangifte van [slachtoffer 1] en het verhoor van [slachtoffer 1] als getuige ter terechtzitting van 26 januari 2016, komt het volgende naar voren.

Op 26 september 2015 hebben motorrijders van de Belgische douane op instigatie van verbalisant [verbalisant 1] een zwarte Seat Leon, met Belgisch kenteken [kenteken] , een volgteken gegeven en geleid naar een controleplaats op Belgische bodem, net over de grens met Nederland. De auto is vanuit Nederland over de autosnelweg A2 naar België gereden. Later is gebleken dat verdachte de bestuurder was van die auto. Eenmaal aangekomen op de controleplaats heeft de verdachte de aanwijzingen van de Belgische verbalisanten genegeerd en is tegen de rijrichting in de snelweg E25/A2 opgereden en al spookrijdend teruggereden naar Nederland. Vier Belgische motorrijders en verbalisant [verbalisant 1] zijn verdachte gevolgd. Verdachte heeft daarbij over de vluchtstrook gereden, maar ook op de beide rijstroken van de snelweg. Meerdere personenauto’s hebben sterk moeten uitwijken en afremmen om een frontale aanrijding met verdachte te voorkomen. Ook een frontale aanrijding met een vrachtwagen heeft verdachte ternauwernood kunnen voorkomen. Vervolgens heeft verdachte de oprit van de snelweg ter hoogte van Eijsden in tegengestelde richting genomen en zodoende de snelweg verlaten. Verdachte heeft vervolgens met snelheden van boven de 100 kilometer per uur door de bebouwde kom van Mariadorp, gemeente Eijsden-Margraten, gereden. Wederom hebben verschillende andere verkeersdeelnemers sterk moeten afremmen en moeten uitwijken om aanrijdingen te ontkomen. Daarna heeft verdachte zijn weg vervolgd via de Rijksweg door de bebouwde kom van Rijckholt en de bebouwde kom van Gronsveld om uiteindelijk in Maastricht aan te komen. Verdachte haalde daarbij snelheden van boven de 100 kilometer per uur. Het was redelijk druk op deze wegen met auto’s, voetgangers en fietsers. De achtervolging van verdachte in Maastricht is doorgegaan via de Rijksweg, de Dorpstraat en de Einsteinstraat. Verbalisant [verbalisant 1] is op die straat met zijn dienstvoertuig de Belgische motorrijders gepasseerd en is vervolgens als eerste achter de verdachte gaan rijden. Op de Akersteenweg te Maastricht heeft [verbalisant 1] geprobeerd met zijn voertuig geprobeerd om verdachte voorbij te steken. Verdachte heeft op dat moment naar links gestuurd waardoor beide voertuigen met elkaar in aanraking kwamen. Verdachte voorkwam hiermee dat het dienstvoertuig hem passeerde. Daarna heeft verbalisant [verbalisant 1] een tweede poging ondernomen om verdachte te passeren. Wederom heeft de verdachte daarbij naar links gestuurd waardoor hij in aanraking kwam met het dienstvoertuig. Deze keer resulteerde dat echter in een slip van verdachte, waarbij zijn auto van de weg is geraakt en in de bosschage tot stilstand kwam.2

Verbalisant [verbalisant 1] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen en bij zijn verhoor door de rechter-commissaris ook nog het volgende verklaard. Tijdens de achtervolging heeft hij gezien dat de Belgische motorrijders een aantal malen hebben geprobeerd om verdachte te passeren. Hij heeft gezien dat verdachte wild naar links of naar rechts stuurde en de motorrijders van de weg heeft proberen te drukken. De meest nabije motor reed op ongeveer 10 tot 15 meter van de auto van verdachte. Als de motorrijder probeerde om links naast de auto van verdachte te rijden, reed de auto al naar links. Op het moment dat er aanstalten werden gemaakt om er links langs te gaan en het voorwiel van de motorrijder gelijk was aan het achterwiel van de verdachte, week verdachte uit in de richting van de motor. De motorrijders moesten dan flinke uitwijkmanoeuvres maken.3

Op 26 september 2015 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan. Ter terechtzitting van 26 januari 2016 heeft hij als getuige een verklaring afgelegd. Hij heeft toen het volgende verklaard. Aangever is werkzaam als motorrijder bij de Belgische douane. Op 26 september 2015 heeft hij deelgenomen aan een gerichte drugsactie op de autoweg E25 aan de Nederlands-Belgische grens te Moelingen (België), waarbij verdachte er vandoor is gegaan bij een controle. Hij heeft de verdachte gevolgd toen deze al spookrijdend over de autoweg terug naar Nederland is gereden. Op de secundaire wegen heeft [slachtoffer 1] een aantal keren geprobeerd om verdachte te passeren. Hij reed als eerste achter de auto van verdachte, op vrij korte afstand. Verdachte heeft daarbij tot tweemaal toe sterk uitgeweken om [slachtoffer 1] te beletten hem in te halen. Enkel door hard te remmen en sterk opzij te sturen heeft [slachtoffer 1] een aanrijding met de auto van verdachte kunnen voorkomen. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij voor zijn leven gevreesd heeft en dat, als hij niet geremd en uitgeweken had, het zeker een aantal malen tot een aanrijding zou zijn gekomen.4

De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij op 26 september 2015 stoptekens van verbalisanten heeft genegeerd en gevlucht is, waardoor een achtervolging plaatsvond. Verdachte heeft bekend dat hierdoor gevaar op de weg werd veroorzaakt, maar heeft bestreden dat hij geprobeerd heeft de motorrijders van de weg te rijden. Hij heeft verklaard dat hij alleen heeft belet dat ze hem zouden passeren. Hij wilde de motorrijders blokken.5

Feit 1

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij door de bovenstaande gedragingen zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag op dan wel geprobeerd heeft zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan de motorrijders [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat feit 1 ten aanzien van motorrijder [slachtoffer 2] niet bewezen kan worden omdat [slachtoffer 2] in zijn verklaringen heeft aangegeven dat zijn collega’s, en niet hij, in gevaar zijn gebracht door de uitwijk manoeuvres van verdachte. Verdachte zal dan ook partieel worden vrijgesproken van feit 1 gepleegd ten aanzien van [slachtoffer 2] .

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de stelling dat de verdachte doelbewust uit was op de dood van [slachtoffer 1] . Toch kunnen sommige handelingen dusdanig gevaarzettend zijn dat reeds in de aard van die handelingen het opzet op een bepaald gevolg schuilt. Het gevolg wordt dan zogezegd op de koop toe genomen. Dat heet met een juridische term voorwaardelijk opzet: het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat door een bepaald handelen een bepaald gevolg intreedt.

De rechtbank ziet zich aldus voor de vraag gesteld of verdachte met zijn concrete handelingen voorwaardelijk opzet had op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] . Om deze vraag te beantwoorden moet de rechtbank enerzijds vaststellen of er een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer 1] zou sterven of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen door de concrete handelingen van de verdachte en anderzijds vaststellen of verdachte deze kans op de koop toe heeft genomen.

Aanmerkelijke kans

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat motorrijder [slachtoffer 1] verdachte verschillende keren heeft willen passeren en dat verdachte tot tweemaal toe dit heeft weten te verhinderen door sterk naar links uit te wijken. [slachtoffer 1] heeft daardoor fors moeten remmen en uitwijkmanoeuvres moeten maken. Dit alles vond plaats bij hoge snelheden op secundaire wegen. [slachtoffer 1] heeft daarbij gevreesd voor zijn leven.

Naar het oordeel van de rechtbank bestond er door deze stuurbewegingen van de verdachte een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans dat de rijrichting/koers van de motor, bestuurd door [slachtoffer 1] , dusdanig zou worden beïnvloed dat hij van de weg zou raken, kantelen, spinnen of ergens tegenaan zou botsen en dat [slachtoffer 1] door de valpartij die dit zou opleveren om het leven zou komen.

De rechtbank merkt daarbij op het een feit van algemene bekendheid is dat een motorrijder een kwetsbare verkeersdeelnemer is en dat er, in het bijzonder, op secundaire wegen en op de wegen binnen de bebouwde kom vele obstakels zijn - te denken valt aan wegmeubilair, bomen en geparkeerde voertuigen - waarmee een motorrijder bij het vallen of het verliezen van de controle over zijn motor, in botsing kan komen.

De kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel is dan weer mede afhankelijk van hoeveel energie en welke krachten het lichaam van een motorrijder te verduren krijgt bij het vallen en/of het botsen. De mate van energie en de aard van de krachten is dan weer mede afhankelijk van de snelheid van de motorrijder en het voertuig, waarmee de motorrijder in aanrijding komt.

Hier staat vast dat bij zeer hoge snelheden, vaak boven de 100 kilometer per uur, de motorrijder in aanrijding had kunnen komen met de door verdachte bestuurde auto, had kunnen vallen en in botsing had kunnen komen met op en langs de weg staande obstakels.

Gegeven de kwetsbaarheid van de motorrijder bestaat er bij die snelheden dan een aanmerkelijke kans op de dood van de motorrijder, in dit geval op de dood van [slachtoffer 1] . Dat die genoemde uitwijkmanoeuvres niet hebben geleid tot een aanrijding is enkel te danken aan het krachtig remmen en uitwijken door [slachtoffer 1] , waardoor zijn dienstmotor ternauwernood niet werd geraakt.

Bewustheid van de aanmerkelijke kans

De verdachte heeft verklaard dat hij heeft willen beletten dat de motorrijders hem zouden inhalen en dat hij daartoe uitwijkmanoeuvres heeft gemaakt. Hij heeft verklaard dat hij de motorrijders wilde blokken. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte – evenals ieder weldenkend mens – zich bewust was van de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] daardoor.

Aanvaarding van de aanmerkelijke kans

De rechtbank is van oordeel dat het tot tweemaal toe naar links sturen niet anders kan worden geduid dan als een bewuste actie van de verdachte om aan de politie te ontkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank dienen de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de kans daarop, ook ten aanzien van zichzelf, bewust heeft aanvaard. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte blijkens zijn hiervoor omschreven gedragingen, bij herhaling, zeer gevaarlijk en onaanvaardbaar verkeersgedrag heeft vertoond omdat hij kennelijk koste wat kost uit handen van de politie wilde blijven, waarbij hij het risico op dodelijk letsel voor andere weggebruikers, maar ook voor zichzelf, bewust op de koop toe heeft genomen. Tekenend daarbij is dat hij uiteindelijk tot tweemaal toe tegen de dienstwagen van verbalisant [verbalisant 1] is gereden en de laatste keer in een slip is geraakt en tot stilstand is gekomen. Verdachte schrok er dus kennelijk niet voor terug om daadwerkelijk een aanrijding te veroorzaken. Daarmee passeert de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij alleen de motorrijders heeft willen ‘blokken’.

De rechtbank acht derhalve voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] –en daarmee poging tot doodslag op hem– bewezen.

Feit 2

Uit een proces-verbaal van bevindingen opgesteld door [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] blijkt dat de auto waarin verdachte reed is doorzocht. Bij die doorzoeking werd in het ventilatiesysteem van het dashboard, aan de achterzijde van dat dashboard, een doorzichtig zakje aangetroffen met daarin drie kleine bolletjes bruin poeder met een totaal bruto gewicht van 4,3 gram en een doorzichtig zakje met daarin negentien kleine bolletjes bruin poeder met een totaal bruto gewicht van 110,2 gram.6

Deze zakjes met bolletjes zijn in beslag genomen7 en monsters daaruit zijn ter onderzoek aangeboden aan het NFI.8 Uit het onderzoek van het NFI is gebleken dat het poeder in de zakjes heroïne bevat.9

Evenals de officier van justitie acht de rechtbank, gelet op de het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] waarin beschreven wordt dat verdachte van Nederland naar België is gereden en waarbij de door verdachte bestuurde auto steeds door verbalisant [verbalisant 1] in het zicht werd gehouden10, het aantreffen van de drugs in die auto en de bevindingen uit het onderzoek door het NFI dat het om heroïne gaat, feit 2 bewezen. De rechtbank overweegt daarbij dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de auto van iemand heeft geleend waarvan hij weet dat deze handelt in harddrugs. Hij heeft verzuimd om te controleren of er drugs in de auto aanwezig waren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte wist dat er een aanmerkelijke kans was dat in de auto drugs zouden zijn verstopt en hij heeft deze kans ook aanvaard. Hij heeft daarmee voorwaardelijk opzet gehad op de uitvoer van deze verdovende middelen.

Feit 3

Gelet op het proces-verbaal van bevindingen waarin de verkeersgedragingen van verdachte op 26 september 2015 zijn beschreven en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, acht de rechtbank, evenals de officier van justitie, bewezen dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer op de weg heeft gehinderd. Feit 3 acht de rechtbank dan ook bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

op 26 september 2015 in de gemeenten Eijsden-Margraten en Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, met (zeer) hoge snelheid, heeft gereden en gestuurd in de richting van de zich op (zeer) korte afstand van hem, verdachte, op een motorfiets rijdende [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 26 september 2015 in de gemeente Eijsden-Margraten opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 114 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

op 26 september 2015 in de gemeenten Eijsden-Margraten en Maastricht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden (in de richting Maastricht) over de als zodanig aangeduide autosnelweg de A2 over de rijbaan bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer (komende uit de richting België), op het moment dat hem tegemoetkomende voertuigen reeds dicht waren genaderd

en

vervolgens binnen de bebouwde kom met een voor die situatie veel te hoge snelheid over de weg heeft gereden op het moment dat zich meerdere verkeersdeelnemers op de weg bevonden, waardoor meerdere verkeersdeelnemers sterk moesten afremmen en/of uitwijken om een aanrijding te voorkomen, door welke gedragingen van verdachte telkens gevaar op de weg werd veroorzaakt en het verkeer op de weg werd gehinderd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 1 primair:

poging tot doodslag.

T.a.v. feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

T.a.v. feit 3:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte ten aanzien van feit 1 en 2 op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder aftrek van voorarrest. Voor feit 1 heeft zij tevens gevorderd aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaren op te leggen onder aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte reeds in beslag is genomen. Voor feit 3 vordert de officier van justitie dat verdachte wordt schuldig verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de straf verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest. Daarnaast verzoekt de raadsman om de gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid te matigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte is met zijn auto op de vlucht geslagen toen hij een stopteken kreeg van de politie. Dit heeft geleid tot een achtervolging, waarbij meerdere dienstvoertuigen van zowel de Belgische douane als de Nederlandse politie betrokken waren. Verdachte heeft bij die achtervolging op geen enkele wijze rekening gehouden met de verkeersregels en met andere weggebruikers. Integendeel, verdachte heeft zelfs al spookrijdend over de autosnelweg gereden waarbij tegenliggers hebben moeten uitwijken. Vervolgens is hij met hoge snelheden over de secundaire weg via Mariadorp, Rijckholt en Gronsveld naar Maastricht gereden. Ook hier moesten andere weggebruikers sterk afremmen en uitwijken. Als door een wonder hebben zich hierbij geen frontale botsingen en dodelijke ongevallen voorgedaan.

Na deze levensgevaarlijke gedragingen heeft verdachte tot tweemaal toe, op momenten dat de Belgische douanier [slachtoffer 1] hem met zijn motor wilde inhalen en kort schuin achter hem reed, zijn auto plotseling scherp naar links gestuurd. Alleen door krachtig te remmen en uit te wijken kon [slachtoffer 1] toen een aanrijding voorkomen. Het leven van [slachtoffer 1] is hierdoor ernstig in gevaar gebracht. [slachtoffer 1] is als motorrijder immers een zeer kwetsbare verkeersdeelnemer.

De rechtbank rekent het verdachte hierbij zwaar aan dat hij dit feit heeft gepleegd tegen een verbalisant tijdens de uitoefening van zijn dienst. Uit het handelen van de verdachte blijkt dat hij zijn eigen belang om zich aan een aanhouding te onttrekken heeft laten prevaleren boven het recht op leven van de verbalisant. Ook om de veiligheid van andere weggebruikers heeft hij zich in het geheel niet bekommerd. Gelet op deze feiten, is naar het oordeel van de rechtbank een forse gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid op zijn plaats.

Voor de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf zoekt de rechtbank aansluiting bij vergelijkbare zaken, waarbij een automobilist een verbalisant op een dienstmotor van de weg heeft proberen te rijden. Een gevangenisstraf van twee jaren wordt in zo’n geval vaker opgelegd. Ook in deze zaak is, gelet op de feiten, een gevangenisstraf van deze duur passend en geboden. De rechtbank is het op dit punt dus volledig eens met de officier van justitie.

Daarnaast heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het uitvoeren van een geringe hoeveelheid heroïne en gevaarlijk en hinderlijk weggedrag. Het verkeersgedrag heeft de rechtbank al meegewogen in de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf, terwijl het drugsdelict niet een dermate gewicht in de schaal legt dat de rechtbank daardoor tot een hogere straf komt.

Het bepaalde in artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994 biedt de mogelijkheid tot het ontzeggen van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. Verdachte had pas sinds 9 juli 2015 een rijbewijs. Hij heeft als beginnend bestuurder als een notoire wegpiraat gereden en daarbij zeer grote risico’s genomen. De rechtbank is dan ook van oordeel, anders dan de officier van justitie, dat een ontzegging voor de duur van drie jaren passend en geboden is.

Lagere straffen of voorwaardelijke straffen zijn wat betreft de rechtbank niet aan de orde, omdat uit de bevindingen van de verbalisanten blijkt dat verdachte, nota bene als beginnend bestuurder, levensgevaarlijk heeft gereden en omdat zijn rijstijl getuigt van een gebrek aan normbesef. Daarbij weegt de rechtbank tevens mee dat uit het strafblad van verdachte naar voren komt dat hij reeds eerder veelvuldig met politie en justitie in aanraking is gekomen met betrekking tot harddrugsfeiten. Ook is hij al eens veroordeeld voor wederspannigheid, waarbij dit lichamelijk letsel voor het slachtoffer ten gevolge had.

Daarnaast blijkt uit het reclasseringsrapport d.d. 28 december 2015 dat verdachte ondanks zijn jeugdige leeftijd, goede voornemens en jarenlange hulpverlening zijn leven niet weet te beteren. Verdachte heeft zijn schoolopleiding niet afgemaakt, heeft geen zinvolle dagbesteding, hangt wat rond en heeft voldoende tijd en gelegenheid om zich met criminele zaken bezig te houden. Hij leeft van de drugshandel, kan totaal niet met geld omgaan, geeft alles uit en hoeft thuis niets te betalen. Zijn ouders hebben totaal geen zicht noch grip op hem. Verdachte bevindt zich in een overwegend crimineel netwerk. Zijn vrienden blowen en hebben ook geen werk. Gelet op het delictverleden van verdachte, het recidiveren in de proeftijd en gedurende het toezicht heeft de reclassering weinig hoop voor de toekomst. Het komt de rechtbank voor dat verdachte onveranderlijk lijkt. Bij een dergelijke stand van zaken heeft het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen meerwaarde.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank aan verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 opleggen een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. Als bijkomende straf zal de rechtbank ten aanzien van feit 1 aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.

Ten aanzien van feit 3 zal de rechtbank de verdachte, gelet op de straf voor de feiten 1 en 2, geen aanvullende straf opleggen, maar verdachte schuldig verklaren zonder straf of maatregel.

7 Het beslag

De inbeslaggenomen auto kan worden teruggegeven aan de rechthebbende.

8 De vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 03/700418-13

Bij onherroepelijk vonnis (parketnummer 03/700418-13) van de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg van 4 februari 2014 is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, onder oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden.

De officier van justitie heeft, gelet op dit vonnis, gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan de onderhavige strafbare feiten. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij haar vordering.

De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt met betrekking tot de vordering van de officier van justitie.

Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte door onderhavige feiten te plegen binnen de proeftijd van vermelde voorwaardelijk opgelegde straf de algemene voorwaarden heeft overtreden. De rechtbank zal daarom gelasten dat de voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 57, 62 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 5, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 tot een gevangenisstraf van twee jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    verklaart verdachte voor feit 3 schuldig zonder oplegging van straf of maatregel;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor een periode van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte voor het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- gelast de teruggave van de in beslag genomen auto aan de rechthebbende, zijnde

[rechthebbende] , wonende te [adres] ;

Vordering na voorwaardelijk veroordeling 03/700418-13

- gelast dat de voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F.J. Aalderink, voorzitter,

mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. J.P.E. Mullers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 februari 2016.

Buiten staat

Mr. W.F.J. Aalderink is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 26 september 2015 in de gemeente(n) Eijsden-Margraten en/of Maastricht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, met (zeer) hoge snelheid, heeft gereden en/of gestuurd in de richting van de zich op (zeer) korte afstand van hem, verdachte, op (een) motorfiets(en) rijdende [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 september 2015 in de gemeente(n) Eijsden-Margraten en/of Maastricht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, met (zeer) hoge snelheid, heeft gereden en/of gestuurd in de richting van de zich op (zeer) korte afstand van hem, verdachte, op (een) motorfiets(en) rijdende [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 26 september 2015 in de gemeente Eijsden-Margraten, in elk geval in Nederland, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 114 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op of omstreeks 26 september 2015, in de gemeente(n) Eijsden-Margraten en/of Maastricht, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto ), heeft gereden (in de richting Maastricht) over de als zodanig aangeduide autosnelweg, de A2, over de rijbaan bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer (komende uit de richting België), op het moment dat (een) hem tegemoetkomend(e) voertuig(en) reeds dicht was/waren genaderd

en/of

(vervolgens) binnen de bebouwde kom met zeer hoge snelheid, in elk geval met een voor die situatie veel te hoge snelheid over de weg heeft gereden, op het moment dat zich meedere verkeersdeelneners op de weg bevonden, waardoor meerdere vekeersdeelnemers sterk moesten afremmen en/of uitwijken om een aanrijding te voorkomen, door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op de weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Limburg, proces-verbaalnummer 2015179897, gesloten d.d. 9 november 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 68.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 september 2015, dossierpagina’s 8, 9 en 10. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , d.d. 26 september 2015, dossierpagina’s 13 t/m 15. Het proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van [verbalisant 1] , d.d. 17 december 2015, niet opgenomen in de doornummering.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 september 2015, dossierpagina 9. Het proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van [verbalisant 1] , d.d. 17 december 2015, blad 5, niet opgenomen in de doornummering.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , d.d. 26 september 2015, dossierpagina’s 13 t/m 15. De verklaring van [slachtoffer 1] , afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2016.

5 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2016.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 september 2015, dossierpagina’s 43 en 44. Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, d.d. 26 september 2015, dossierpagina 52.

7 De kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 26 september 2015, dossierpagina’s 50 en 51.

8 Aanvraag extern forensisch onderzoek, d.d. 26 september 2015, dossierpagina’s 54 t/m 57.

9 Rapport Identificatie van drugs en precursoren van het NFI, d.d. 26 oktober 2015, dossierpagina’s 58 t/m 59.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 september 2015, dossierpagina’s 8, 9 en 10.