Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:11523

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
C/03/222369 / FA RK 16-2229
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wijziging voornaam. Abc is A.B.C. maar niet A.A.B.C.; iedereen kent Abc onder die naam en dat maakt deze zaak tamelijk bijzonder, want Abc wenst doorhaling van de naam waarmee Abc zich sinds haar geboorte identificeert en waarmee zij zich in het dagelijks leven presenteert. Het zwaarwichtig belang schuilt dan ook niet zozeer in het ongemak en de hinder die Abc van de naam Abc ervaart maar veeleer in het ongemak en het onbehagen die het gebruik van de voorletters A.A.B.C. bij Abc oproept. De rechtbank acht aannemelijk dat die vierlettercombinatie niet past bij de door Abc beleefde identiteit die immers wordt bepaald door de optelsom van de eerste letters van de voornamen die haar ouders bij de geboorte voor haar in gedachten hadden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2017/5004
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 8 december 2016

Zaaknummer: C/03/222369 / FA RK 16-2229

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoekster] ,

verder te noemen: de moeder,

en
[verzoeker] ,
verder te noemen: de vader,
verzoekers,
wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
advocaat mr. N.M. de Houwer-van Wijk, kantoorhoudend te Geleen,

gemeente Sittard-Geleen.

1 Het verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 24 juni 2016 ingekomen verzoekschrift.

Op 13 september 2016 is nog een brief van [minderjarige] binnengekomen.


De zaak is behandeld ter zitting van 22 november 2016, waarbij zijn verschenen:
- de moeder en [minderjarige] , bijgestaan door mr. De Houwer-van Wijk.

Mr. De Houwer-van Wijk heeft namens de vader ter zitting een verklaring overgelegd.

2 De feiten
Uit het huwelijk van verzoekers is op [2001] te [geboorteplaats] (België) [minderjarige] (roepnaam: [roepnaam] ) geboren.
De geboorteakte van genoemde minderjarige komt voor in het register van de burgerlijke stand van de stad [geboorteplaats] onder aktenummer [X] .
Verzoekers en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank de wijziging zal gelasten van de voornamen van [minderjarige] , in die zin dat de eerste voornaam ‘ [roepnaam] ’ wordt doorgehaald, zodat zij de naam ‘ [eerste voornaam] ’ als eerste voornaam zal dragen.

Verzoekers stellen dat zij een voldoende zwaarwichtig belang hebben bij de door hen verzochte wijziging van de voornamen van hun minderjarige dochter. In dat verband hebben zij toegelicht dat [roepnaam] en [eerste voornaam] in feite dezelfde namen zijn. [roepnaam] is de roepnaam van hun dochter, dat blijkt ook uit het geboortekaartje, en het was de bedoeling dat de eerste letters van de haar gegeven namen samen haar roepnaam [roepnaam] zouden vormen. Naar verzoekers stellen heeft de ambtenaar de namen van [minderjarige] destijds bij de aangifte van de geboorte onjuist in het bevolkingsregister vermeld door de naam [roepnaam] aan de namen [voornamen] te doen voorafgaan en daarmee heeft hij onbewust een streep gehaald door het effect dat verzoekers voor ogen stond. Verzoekers stellen er prijs op dat hun aanvankelijke bedoeling alsnog wordt gerealiseerd, waarbij voor hen van groot belang is het emotionele aspect dat [minderjarige] zelf hierbij heeft. Verzoekers voeren verder ter onderbouwing van hun zwaarwichtig belang aan dat het gebruik van de voorletters [voorletters] verwarrend is, dat de naam [roepnaam] internationaal niet bekend is en ook moeilijk is uit te spreken in het Engels, Frans of Spaans. [minderjarige] wil graag in het buitenland gaan studeren en ziet dat als belemmering.

4 De beoordeling

Artikel 1:4, lid 4, van het BW geeft de rechter de (discretionaire) bevoegdheid op verzoek van de betrokken persoon de wijziging te gelasten van zijn voornamen. Voor een dergelijke wijziging dient een voldoende zwaarwichtig belang te bestaan. Verder dient het verzoek getoetst te worden aan artikel 1:4, lid 2, van het BW en dient beoordeeld te worden of de gewenste voornamen niet ongepast zijn of overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen, tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn.

De vraag wanneer sprake is van een voldoende zwaarwichtig belang, wordt in het BW of de wetsgeschiedenis niet beantwoord. Verzoekers stellen dat zwaarwichtig belang wél degelijk te hebben en wijzen in dat kader op de bijzondere mate van ongemak en hinder die zij en [minderjarige] bij en door het gebruik van die naam ondervinden.

[roepnaam] is [schrijfwijze voornaam] maar niet [voorletters] . Iedereen kent [minderjarige] onder die naam en die prijkt ook prominent op haar geboortekaartje. Dat maakt deze zaak tamelijk bijzonder, want verzoekers en [minderjarige] wensen doorhaling van de naam waarmee [minderjarige] zich sinds haar geboorte identificeert en waarmee zij zich in het dagelijks leven presenteert. Het zwaarwichtig belang schuilt dan ook niet zozeer in het ongemak en de hinder die verzoekers en [minderjarige] van de naam [roepnaam] ervaren maar veeleer in het ongemak en het onbehagen die het gebruik van de voorletters [voorletters] bij hen en bij [minderjarige] oproept. Naar het oordeel van de rechtbank hebben verzoekers genoegzaam aannemelijk gemaakt dat die vierlettercombinatie niet strookt met hetgeen verzoekers bij de aangifte van de geboorte van [minderjarige] voor ogen stond en daarmee ook niet past bij de door [minderjarige] beleefde identiteit. Die identiteit immers wordt bepaald door de optelsom van de eerste letters van de voornamen die haar ouders bij de geboorte voor haar in gedachten hadden en die hadden moeten luiden: [voornamen] . Bovendien heeft [minderjarige] ter mondelinge behandeling uitgelegd, oprecht overkomend, dat zij vreest dat het gebruik van haar voornamen in het buitenland, waar zij wil gaan studeren, problematisch zal zijn.

Of dat naar meer objectieve maatstaven beoordeeld het geval is, weet de rechtbank niet – sommigen zullen zeggen van niet – maar daar gaat het niet om. Vaststaat dat de enkele vrees daarvoor [minderjarige] erg ongemakkelijk doet voelen. Hoe vreemd het wellicht ook mag klinken maar onder deze bijzondere omstandigheden levert een en ander naar het oordeel van de rechtbank een voldoende zwaarwichtig belang op voor verzoekers en [minderjarige] bij de verzochte doorhaling van de eerste voornaam [roepnaam] . Voor de rechtbank lijdt het voorts geen twijfel dat dat zwaarwichtige belang, zwaarder moet wegen dan het belang van de staat en het rechtsverkeer bij een zo hoog mogelijke mate van consistentie.

Niet gebleken is van beletselen in de zin van artikel 1:4, lid 2, van het BW tegen de gewenste voornaam ’ [eerste voornaam] ’. Het verzoek ligt daarmee voor toewijzing gereed.

Ingevolge artikel 1:4, lid 4, van het BW geschiedt de wijziging van de voornamen doordat van de beschikking een latere vermelding aan de akte van geboorte van de betrokken persoon wordt toegevoegd overeenkomstig artikel 1:20a, lid 1, van het BW. Daarbij geldt dat in geval van wijziging van de voornamen van een buiten Nederland geboren persoon de rechtbank die de beschikking geeft, voor zoveel nodig ambtshalve een last tot inschrijving van de akte van geboorte geeft.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door verzoekers overgelegde Belgische geboorteakte vatbaar voor inschrijving in het register van geboorten van de gemeente 's-Gravenhage, zodat de rechtbank op de voet van artikel 1:4, lid 4, van het BW de inschrijving van die akte zal gelasten.

5 De beslissing

De rechtbank:

gelast de wijziging van de voornamen van ‘ [minderjarige] ’, geboren op [2001] te [geboorteplaats] (België), in die zin dat de voornaam ‘ [roepnaam] ’ wordt doorgehaald;

gelast de inschrijving van de Belgische geboorteakte in het register van geboorten van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage;

bepaalt dat de griffier op de voet van het bepaalde in artikel 1:20e, eerste lid, van het BW niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking een afschrift daarvan zal zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.M.L.C. Vos- Limpens, griffier op

8 december 2016.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.