Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:11411

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
4966289 CV EXPL 16-3399
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:1827
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tweemaal de verklaring van een UWV-deskundige van art. 7:629a BW. Het ontbreken daarvan wordt de werknemer bij haar loonvordering niet fataal. Van haar kon niet gevergd worden zich van zo’n second opinion te voorzien vanwege het door nalatigheid van de werkgever ontbreken van een first opinion, het oordeel van de arbo-arts.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629a
Arbeidsomstandighedenwet 1998
Arbeidsomstandighedenwet 1998 14
Arbeidsomstandighedenwet 1998 14a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/575
JAR 2017/63
AR-Updates.nl 2017-0115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 4966289 CV EXPL 16-3399

Vonnis van de kantonrechter van 28 december 2016

in de zaak van

[eiseres]

wonend te [woonplaats]

met gekozen woonplaats ten kantore van haar gemachtigde

mr. R.P.H.W. Haas

Ruys de Beerenbroucklaan 16

6411 GB Heerlen

eisende partij, verder ook te noemen de werknemer

tegen

de besloten vennootschap

IMMO SERVICE VERWEIJST B.V.

kantoor houdend Amstenradeweg 18

6431 EL Hoensbroek, gemeente Heerlen

gemachtigde mr. J.J.M. Goltstein

gedaagde partij, verder ook te noemen de werkgever.

1 De procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 13

- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 3

- het mondeling tussenvonnis waarbij een comparitie van partijen is bevolen

- de brief van de werknemer met productie (door de kantonrechter genummerd) 4

- het proces-verbaal van de comparitie op 26 oktober 2016

- de akte van de werknemer met producties (door de kantonrechter genummerd) 5 en 6

- de akte van de werkgever met producties (door de kantonrechter genummerd) 14 en 15

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1

De werknemer vordert de veroordeling van de werkgever tot betaling van

(1) het loon over de periode van 13 november 2015 tot 28 februari 2016 van € 2.100 netto

(2) het equivalent van 50,2 opgebouwde doch niet genoten vakantie-uren van € 434,23 netto

(3) de vakantiebijslag over de periode van 1 juni 2015 tot 28 februari 2016 van € 270 netto, al deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, en

(4) het restantbedrag betreffende de pensioenovereenkomst van € 1.041,15 netto, te ver-meerderen met de wettelijke rente, met

(5) veroordeling van gedaagde in de proceskosten waaronder de nakosten, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Aan de vorderingen legt de werknemer ten grondslag dat zij sinds 4 februari 2013 krachtens een arbeidsovereenkomst die door het verstrijken van de bepaalde tijd is geëindigd op 28 februari 2016 in dienst is geweest van de werkgever. De werkgever heeft het loon over de periode genoemd onder (1) en de overige vergoedingen genoemd onder (2), (3) en (4) die hij verschuldigd is onbetaald gelaten, stellende dat de werknemer zich (te laat) ziek heeft gemeld terwijl zij niet werkelijk door ziekte verhinderd was om werkzaamheden te verrichten. De werknemer stelt primair dat de oorzaak waardoor zij niet heeft gewerkt in redelijkheid voor rekening van de werkgever komt, als bedoeld in art. 7:628 lid 1 BW, zodat zij haar recht op loon heeft behouden. Subsidiair stelt de werknemer dat zij wel degelijk ziek was, zodat zij krachtens art. 7:629 lid 1 BW haar recht op loon heeft behouden.

2.2

Het verweer van de werkgever is hiervoor reeds gedeeltelijk weergegeven. Hij stelt verder dat van de werknemer ten minste kon worden gevergd een deskundigenbericht althans enig bewijs van haar arbeidsongeschiktheid over te leggen, zeker nu gebleken is dat zij in de betrokken periode wel bij haar andere werkgever heeft gewerkt. De werknemer was niet ziek en heeft ondanks sommatie verzuimd op het werk te verschijnen, zodat de werkgever volgens art. 7:627 BW geen loon verschuldigd is.

3 De beoordeling

3.1

De werknemer stelt dat zij in de betrokken periode situatief arbeidsongeschikt was, door spanningen die het gevolg waren van de wijze waarop de directeur/eigenaar van de werkgever haar benaderde. Dat de werknemer ondertussen bij haar andere werkgever werkte, doet er dan - ook indien juist - niet aan af dat zij ongeschikt kan zijn geweest om de bedongen of andere passende arbeid voor deze werkgever te verrichten en dus haar aanspraak op loon jegens hem heeft behouden.

3.2

Bij een vordering tot betaling van loon over een periode van ziekte behoort volgens art. 7:629a lid 1 BW een verklaring van een deskundige benoemd door het UWV - ook wel second opinion genoemd - te worden overgelegd waaruit van de verhindering om te werken blijkt, tenzij dit in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd. Weliswaar kan zo’n second opinion ook worden gevraagd bij het ontbreken van een first opinion (het oordeel van de bedrijfsarts althans van enige arts) maar onder de omstandigheden van dit geval kon van de werknemer in redelijkheid niet gevergd worden zich van een verklaring van een UWV-deskundige te voorzien. De omstandigheden zijn aldus dat de werkgever - in strijd met zijn verplichting krachtens artikel 14a lid 2 van de Arbeidsomstandighedenwet om zich met betrekking tot zijn taken van artikel 14, waaronder de begeleiding van arbeidsongeschikte werknemers, te laten bijstaan door een arbodienst - geen overeenkomst met een arbodienst heeft, noch de beschikking heeft over andere deskundigen die een door hem betwiste ziekte van een werknemer kunnen controleren. Overigens heeft de werknemer, zij het eerst bij haar akte van 23 november 2016, in de vorm van een brief van haar huisarts wel enig bewijs overgelegd van de juistheid van haar stelling dat zij (in elk geval bij het consult op 4 december 2015) arbeidsongeschikt was, door problemen op het werk.

3.3

Aan de hiervoor genoemde verplichting krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, die ook in het algemeen tot de verplichtingen van een goed werkgever behoort, kan deze werkgever zich niet onttrekken met een beroep op het ontbreken van financiële draagkracht. Het gevolg van de niet-voldoening aan die verplichting is geweest dat de werkgever zijn betwisting van het waarheidsgehalte van de ziekte van de werknemer niet heeft kunnen staven. Dit betekent dat de oorzaak waardoor de werknemer niet heeft gewerkt - namelijk het beroep van de werknemer op ongeschiktheid daartoe ten gevolge van ziekte, waarvan de juistheid niet kon worden vastgesteld - in redelijkheid voor rekening van de werkgever komt. De werknemer heeft dus haar aanspraak op loon behouden.

3.4

Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de naar grondslag wel maar naar berekening - ook wat betreft de verschuldigdheid van wettelijke verhoging en wettelijke rente - niet betwiste vordering (1) wordt toegewezen. De overige vorderingen heeft de werkgever niet gemotiveerd betwist, niet naar grondslag noch naar berekening, zodat ook die worden toegewezen. Nu de werknemer de datum van (niet opeisbaarheid maar) verzuim, die krachtens art. 6:119 BW bepalend is voor de verschuldigdheid van wettelijke rente, niet heeft gespecificeerd, kan de kantonrechter dat ook niet doen en volstaat hij met toewijzing als hierna geformuleerd.

3.5

De werkgever wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten van de werknemer. Deze worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 94,08 voor het exploot, € 223 voor het griffierecht en € 400 voor het salaris van de gemachtigde, derhalve in totaal op € 717,08.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt de werkgever om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de werknemer te betalen:

(1) het loon over de periode van 13 november 2015 tot 28 februari 2016 van € 2.100 netto, te vermeerderen met de volledige wettelijke verhoging en met de wettelijke rente vanaf (telkens) de dag van verzuim tot die van voldoening,

(2) de opgebouwde maar niet genoten 50,2 vakantie-uren van € 434,23 netto, te vermeerderen met de volledige wettelijke verhoging en met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot die van voldoening,

(3) de vakantiebijslag over de periode van 1 juni 2015 tot 28 februari 2016 van € 270 netto, te vermeerderen met de volledige wettelijke verhoging en met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot die van voldoening,

(4) het restantbedrag betreffende de pensioenovereenkomst van € 1.041,15 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot die van voldoening,

(5) de proceskosten van de werknemer, tot heden begroot op € 717,08, bij gebreke van voldoening binnen 14 dagen na de dag van deze uitspraak te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de 15e dag daarna en, tenzij de werkgever binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe aan de voorgaande veroordelingen heeft voldaan, te vermeerderen met de nakosten van € 100 aan salaris gemachtigde en, indien vervolgens betekening van dit vonnis plaatsvindt, met de kosten van dat exploot;

4.2

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken.