Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:11261

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
AWB 16/2507 en andere
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eisers ontvingen op grond van het (oude) Bezoldigingsreglement bij voldoende functioneren een persoonlijke toelage (de uitlooptoelage) in de vorm van een percentage van het maximumsalaris van die schaal. Eisers zijn in beroep gegaan tegen het met ingang van 1 januari 2016 intrekken van het (oude) Bezoldigingsreglement en het met ingang van gelijke datum wijzigen van de arbeidsvoorwaardenregeling en in overeenstemming brengen met de teksten van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling (CAR). Meer specifiek zijn eisers opgekomen tegen het omzetten van genoemde uitlooptoelage in een toelage overgangsrecht (TOR). De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en in dit geval de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers op de peildatum nog geen recht hadden op de uitlooptoelage omdat zij nog niet het maximumsalaris van de voor hen geldende functieschaal hadden bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummers: ROE 16/2507 + ROE 16/2541 + ROE 16/2544 + ROE 16/2547 + ROE 16/2559 + ROE 16/2566 + ROE 16/2569 + ROE 16/2572 + ROE 16/2576 + ROE 16/2600 + ROE 16/2606 + ROE 16/2658 + ROE 16/2689 + ROE 16/2690 + ROE 16/2691 + ROE 16/2692 + ROE 16/2693 + ROE 16/2766 + ROE 16/2793 + ROE 16/2808 + ROE 16/2810 + ROE 16/2811

Uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2016 in de zaken tussen

1. [naam 1], te [woonplaats 16]

2. [naam 2], te [woonplaats 2] ,

3. [naam 3], te [woonplaats 23] ,

4. [naam 4], te [woonplaats 24] ,

5. [naam 5], te [woonplaats 5] ,

6. [naam 6], [woonplaats 6]

7. [naam 7], te [woonplaats 7] ,

8. [naam 8], te [woonplaats 8] ,

9. [naam 9], te [woonplaats 9]

10. [naam 10], te [woonplaats 20] ,

11. [naam 11], te [woonplaats 21] ,

12. [naam 12], te [woonplaats 9]

13. [naam 13], te [woonplaats 25] ,

14. [naam 14], te [woonplaats 26] ,

15. [naam 15], te [woonplaats 11] ,

16. [naam 16], te [woonplaats 27]

17. [naam 17], te [woonplaats 11] ,

18. [naam 18], te [woonplaats 12]

19. [naam 18], te [woonplaats 13] ,

20. [naam 19], te [woonplaats 28] ,

21. [naam 20], te [woonplaats 14] ,

22. [naam 21], te [woonplaats 15]

eisers,

gemachtigde van eisers 1 tot en met 9 en 13 tot en met 17: mr. M.C.W.C. van Zon,

gemachtigde van eiseres 18: mr. J.A.J. de Jong-Koops,

gemachtigde van eisers 20 tot en met 22: mr. S. Cloosterman,

gemachtigde van eisers 10, 11 en 19: mr. drs. C.J.M. Scheen,

gemachtigde van eiser 12: mr. E.J.G. Jonkers-Hebben,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder,

gemachtigden: [naam 22] en [naam 23] .

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 21 december 2015 (de primaire besluiten) heeft verweerder eisers er van in kennis gesteld dat het tot dan geldende Bezoldigingsreglement gemeente Sittard-Geleen (het bezoldigingsreglement) met ingang van 1 januari 2016 wordt ingetrokken en per gelijke datum in de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Sittard-Geleen (de arbeidsvoorwaardenregeling) een nieuw hoofdstuk 3 over “Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen” wordt opgenomen. Eisers zijn in de primaire besluiten tevens geïnformeerd over de gevolgen die de gewijzigde regelgeving voor hen heeft.

Bij afzonderlijke besluiten van 19 juli 2016 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers voor zover die kunnen worden begrepen te zijn gericht tegen de intrekking van het bezoldigingsreglement en de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 in de arbeidsvoorwaardenregeling niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard. De primaire besluiten zijn door verweerder ongewijzigd in stand gelaten. Ten aanzien van eisers sub 5 en 20 heeft verweerder tevens de bezwaren gericht tegen de salarisspecificatie over de maand januari 2016 ongegrond verklaard en deze salarisspecificatie met inachtneming van de ambtshalve aangebrachte correctie in stand gelaten.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft in iedere zaak afzonderlijk een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2016. De zaken zijn daar gevoegd behandeld met een groot aantal soortgelijke zaken. Namens eisers is verschenen gemachtigde mr. M.C.W.C. van Zon, mr. S. Cloosterman, mr. drs. C.J.M. Scheen,

mr. E.J.G. Jonkers-Hebben, voornoemd. Tevens is verschenen mr. J. Wijers, kantoorgenoot van mr. J.A.J. Koops. Eisers sub 7, 11, 18, 20 en 21 zijn verschenen in persoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevoegde zaken gesplitst (per gemachtigde en/of samenwerkingsverband en de categorie eisers, die niet in aanmerking zijn gekomen voor een TOR) teneinde in de onderhavige zaken afzonderlijk uitspraak te doen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. In artikel 14 van het bezoldigingsreglement, zoals dit artikel gold tot 1 januari 2016, was een procentuele uitlooptoelage na het bereiken van het maximum in de uitloopschaal geregeld. Nadat de ambtenaar het maximum van zijn functieschaal had bereikt, zou bij voldoende functioneren een groeischaal, beginnend met een percentage van 2% bij twee jaar na het bereiken van de maximum van zijn of haar functieschaal tot een maximum van 11%, van toepassing zijn. Eisers hadden op 31 december 2015 nog geen recht op de persoonlijke toelage (de uitlooptoelage) omdat zij nog niet het maximumsalaris en/of twee jaar het maximum van de voor hen geldende functieschaal hadden bereikt.

3. Op 15 december 2015 heeft verweerder besloten om met ingang van 1 januari 2016 het bezoldigingsreglement in te trekken en met ingang van gelijke datum de arbeidsvoorwaardenregeling te wijzigen en in overeenstemming te brengen met de teksten van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR). Dit besluit is gepubliceerd in het gemeenteblad van 15 februari 2016 (gemeenteblad 2016, nr. 16837).

4. Bij de primaire besluiten zijn eisers ingelicht over de intrekking van het bezoldigingsreglement en de rechtspositionele gevolgen. Voor eisers sub 2, 5, 6 en 8 tot en met 18, 20, 21 en 22 is in de primaire besluiten vastgesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor toekenning van een Toelage overgangsrecht (TOR). Voor eisers sub 1, 3, 4, 7 en 19 is vastgesteld dat er (een) (andere) garantietoelage(n) per 1 januari 2016 gaat en/of gaan gelden (hieronder niet te verstaan de uitlooptoelage). Als de toelage bedoeld was als garantie, wordt dat met ingang van 1 januari 2016 ook als zodanig benoemd. Voor eiser sub 1 ziet dit op een coördinator toelage en voor eisers sub 3, 4, 7 en 19 op een BHV- en/of EHBO-vergoeding, niet zijnde een zogenoemde uitlooptoelage.

5. De rechtbank dient allereerst ambtshalve de vraag te beantwoorden of de brief van verweerder van 21 december 2015 een besluit is, waartegen ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in bezwaar kan worden gekomen. Daarbij is het volgende van belang.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Uit artikel 8:1 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb, volgt dat slechts bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in de bestreden besluiten ten onrechte op het standpunt gesteld dat voor onderhavige eisers de brief van

21 december 2015, voor zover betrekking hebbend op de uitlooptoelage en voor zover aangevochten, een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is, waartegen bezwaar openstaat. Toen de genoemde wijzigingen in werking traden (en wel op datum publicatie,

15 februari 2016), hadden onderhavige eisers immers nog geen recht op de uitlooptoelage omdat zij nog niet - langer dan twee jaar - het maximumsalaris van de voor hen geldende functieschaal hadden en/of hadden bereikt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de brief van 21 december 2015 niet leidt tot een wijziging van de rechtspositie van onderhavige eisers en daarmee niet gericht is op rechtsgevolg. Van een publiekrechtelijke rechtshandeling is dan ook geen sprake. Dat deze persoonlijke toelage (de uitlooptoelage) aan onderhavige eisers in het vooruitzicht is gesteld, maakt dit niet anders. De rechtbank is van concrete garanties en/of toezeggingen aan onderhavige eisers niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank is het anders ten aanzien van collega’s van eisers aan wie op 31 december 2015 en/of uiterlijk op 15 februari 2016 een persoonlijke toelage (de uitlooptoelage) is en/of zou zijn toegekend, variërend van 2 tot 11% van het maximumsalaris voor de voor hem of haar geldende functieschaal. Voor hen heeft deze gewijzigde regelgeving wél rechtspositionele gevolgen.

7. Nu verweerder heeft nagelaten het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk te verklaren is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Aan een bespreking van de overige gronden van beroep komt de rechtbank niet toe. De rechtbank ziet evenmin aanleiding verweerder te veroordelen tot een schadevergoeding, omdat de rechtbank door de niet-ontvankelijkverklaring niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling. Voor zover eisers hebben verzocht om schadevergoeding wijst de rechtbank dit verzoek dan ook af.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten in beroep. Nu er in de onderhavige gevallen sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), met de overige zaken van eisers gemachtigden (van Achmea, ARAG, CNV, DAS en FNV), verwijst de rechtbank voor de proceskosten naar deze afzonderlijke uitspraken van deze rechtbank. De door eisers 20 en 21, middels het formulier proceskosten gevraagde reiskosten, die zij hebben moeten maken om de zitting bij te wonen, komen op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c van het Bpb, voor vergoeding in aanmerking. Reiskosten worden vergoed op basis van de kosten voor het openbaar vervoer tweede klas, zodat voor eiseres sub 20 een bedrag van

€ 10,20 en voor eiser sub 21 een bedrag van € 15,84 voor vergoeding in aanmerking komt. Ten aanzien van de door eiseres sub 20 gevraagde verletkosten overweegt de rechtbank dat deze kosten op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bpb, eveneens voor vergoeding in aanmerking komen. Naar het oordeel van de rechtbank is het door eiseres sub 20 gevraagde tijdsbeslag van 9 uur niet redelijk, gelet op de duur van de zitting en de reisafstand. De rechtbank acht een duur van 4 uur redelijk. Aan verletkosten wordt daarom in tegenstelling tot hetgeen in het formulier proceskosten van eiseres sub 20 is opgenomen, een bedrag van € 84,12 toegekend (specificatie zoals bijgevoegd € 189,27 / 9 uur = € 21,03 per uur x 4 uur). De rechtbank is niet gebleken van proceskosten op grond van het Bpb voor de door een derde verleende rechtsbijstand in bezwaar.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    verklaart de bezwaren niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 3.696,- (22 x € 168,-) aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers en verwijst hiervoor naar de andere uitspraken in de samenhangende zaken;

  • -

    veroordeelt verweerder in de reiskosten van eiser sub 21 tot een bedrag van

€ 15,84;

- veroordeelt verweerder in de reis- en verletkosten van eiseres sub 20 tot een bedrag van € 94,32.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Bruijnzeels (voorzitter), en mr. A.W.P. Letschert en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 december 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.