Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:11216

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1233u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:696, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het beleid waarin is bepaald dat (geluids)overlast bij een vergunningsaanvraag op voorhand van de belangenafweging wordt uitgesloten, gaat de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten. Het beleid is op dit punt, wegens strijd met artikel 3:4 van de Awb, onverbindend. Beroep gegrond en besluit vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: ROE 16/1233

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2016 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], te [woonplaats 1], eisers

(gemachtigde: mr. O.V. Wilkens),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Vorstermans).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [woonplaats 2].

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2015 heeft verweerder aan derde-partij [belanghebbende] (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het splitsen van de woning aan [adres 1] ten behoeve van kamerverhuur van drie kamers.

Bij besluit van 7 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2016.

[eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn, mede namens eiseres [eiseres] verschenen, gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is vergunninghouder verschenen.

Overwegingen

1. Vergunninghouder is eigenaar van de woning aan [eiseres] en woont in [woonplaats 2]. Eisers wonen in de naastgelegen woning aan [adres 2]. Op 16 augustus 2015 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteit bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)), teneinde de woning intern in vier studentenkamers te kunnen opsplitsen.

2. Verweerder heeft bij het primaire besluit, dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, de aanvraag getoetst aan artikel 2.10 van de Wabo en is tot de conclusie gekomen dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012 en de gemeentelijke Bouwverordening en, nu enkel sprake is van een inpandige verbouwing, strijdigheid met de redelijke eisen van welstand niet aan de orde is. Wel heeft verweerder overwogen dat er sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan [M.] (het bestemmingsplan). Op het perceel rust namelijk de bestemming “Wonen” en binnen die bestemming is kamerverhuur waarbij de kamerverhuurder niet ter plaatse het hoofdverblijf heeft, nadrukkelijk niet toegestaan (artikel 15.5.9. onder a). Om dit strijdige gebruik mogelijk te maken, heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor, onder meer, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a sub 2°, van de Wabo en artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), hierna: “de kruimelgevallenregeling”. Aan de vergunning is tevens het door verweerder op 7 juli 2015 vastgesteld, op 15 juli 2015 gepubliceerd en op 16 juli 2015 in werking getreden gemeentelijk “Nieuw beleid woningsplitsing en omzetting naar kamers” (hierna: het beleid) ten grondslag gelegd. Volgens verweerder voldoet de aanvraag van vergunninghouder aan het beleid en zijn er geen bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken, zodat de vergunning terecht is verleend. Eventuele overlast vanuit de woning aan [adres 1] kan volgens verweerder geen reden zijn om de vergunning te weigeren, nu in het beleid ter zake bewust geen voorwaarden zijn opgenomen. Wel vindt verweerder in dat verband de norm als opgenomen in artikel 3.18 van het Bouwbesluit van belang, ten aanzien waarvan verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen dat ervan uit mag worden gegaan dat beide woningen voldoen aan “het rechtens verkregen niveau”.

3. Eisers voeren in beroep aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de risico’s van geluidsoverlast bij gebruik van de woning aan [adres 1] voor kamerbewoning. Zij geven aan dat zij door dit gebruik in het verleden al geluidsoverlast hebben ondervonden en zij vrezen ook nu hiervoor, aangezien de vloeren van de woning aan [adres 1] en eisers’ woning met elkaar zijn verbonden en de woningscheidende wanden dun zijn en niet voorzien van (geluids)isolatie. De woning aan [adres 1] zal - na omzetting – bovendien bestaan uit drie wooneenheden wat betekent dat eisers te maken zullen kunnen krijgen met drie verschillende leefritmen van hun buren. Zij achten verweerders verwijzing naar het Bouwbesluit als weerlegging van hun bezwaren onjuist. Het bestreden besluit is volgens eisers in strijd met artikel 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Niet in geschil is dat de door vergunninghouder beoogde woningomzetting strijd met het vigerende bestemmingsplan oplevert. Niet in geschil is voorts dat verweerder met toepassing van de kruimelgevallenregeling van het bestemmingsplan mag afwijken. De vraag of verweerder met toepassing van het beleid van het bestemmingsplan heeft kunnen afwijken houdt partijen echter verdeeld, waarbij het met name gaat om de vraag of verweerder daarbij de door eisers gestelde geluidsoverlast op juiste wijze in zijn besluitvorming heeft betrokken. De beroepsgrond dat verweerder überhaupt geen planologische kwesties in het beleid heeft mogen regelen, nu het andersluidende bestemmingsplan recent door een ander bestuursorgaan, te weten de gemeenteraad, is vastgesteld, hebben eisers ter zitting ingetrokken. De rechtbank zal zich hier daarom niet meer over uitlaten.

6. Verweerder heeft in het kader van onder meer woningomzetting het beleid1 vastgesteld, dat als volgt luidt:

Burgemeester en Wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het

verbod tot woningomzetting indien:

a. De om te zetten woning een minimale gebruiksoppervlakte van 110 m2 heeft. Daarbij meegerekend de gebruiksoppervlakte van aan de woning verbonden en via

de woning bereikbare garages en bergingen.

De wooneenheden (voor kamerverhuur) ieder afzonderlijk een

gebruiksoppervlakte hebben van minimaal 5 m2.

Voor kamerverhuur wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen;

Voor de nieuw te realiseren kamerverhuur wordt voldaan aan het gemeentelijk

woonbeleid.

De nieuw te realiseren kamerverhuur beschikt over een, al dan niet inpandige,

voorziening om fietsen te stallen op het eigen terrein, waarbij:

a. Per wooneenheid (voor kamerverhuur) een gebruiksoppervlakte van 1,5 m2 aan stallingsruimte aanwezig is;

b. Een inpandige stalling voor fietsen niet hoger gelegen is dan de begane grondvloer;

c. Een inpandige stalling voor fietsen is gelegen in een afzonderlijke ruimte.

De nieuw te realiseren kamerverhuur beschikt over een inpandige berging van

minimaal 0,5 m2 gebruiksoppervlakte per wooneenheid (voor kamerverhuur) voor

het opslaan van huishoudelijk afval, waarbij;

a. De inpandige berging gelegen is in een afzonderlijke ruimte;

b. De inpandige berging onderdeel mag uitmaken van de inpandige stalling van fietsen;

c. De berging ook op eigen terrein in de buitenlucht aanwezig mag zijn mits dit een niet naar de openbare weg gekeerde zijde van het terrein is.

7. In het beleid is voorts onder het kopje “plek van leefbaarheid binnen het woningsplitsings- en omzettingsbeleid” opgenomen:

Met de toets richten we ons op bouw- en woontechnische kwaliteit van de woning waarvoor de aanvraag tot splitsing of omzetting wordt gedaan. In beperkte mate wordt daarin ook het leefbaarheidsaspect meegenomen. Uit de beleidsevaluatie gaven bewoners en professionals aan dat er meerdere vormen van overlast, mogelijk als gevolg van woningsplitsing of –omzetting, wordt ervaren. Denk aan de verloedering van het aanzicht van de straat door slecht onderhoud van de woning, slordig geparkeerde fietsen en vuilniszakken die op verkeerde momenten aan de straat worden gezet. Daar speelt de bouw- en woontechnische toets op in.

Overige negatieve effecten voor de leefbaarheid als gevolg van splitsing en omzetting (zoals geluidsoverlast door huisfeesten, verkeer van en naar cafés en het ontbreken van een aanspreekpunt in de gesplitste/omgezette woning) worden niet getoetst bij de aanvraag . Het bestrijden of voorkomen van overlast moet namelijk in eerste instantie gericht zijn op de veroorzaker van de overlastgever en niet de woningeigenaar. Daarom zijn inmiddels diverse maatregelen op het vlak van preventie actief en/of in ontwikkeling.” (onderstreping door rechtbank).

8. Uit de besluitvorming alsmede het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank op dat verweerder het beleid zodanig uitlegt en hanteert, dat het iedere aanvraag tot woningomzetting toetst aan de criteria a-f en dat hij een vergunning verleent wanneer de aanvraag aan die criteria voldoet. Slechts wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden wijkt hij daarvan af. Ernstige geluidsoverlast kan in dat verband wel als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt, maar wordt in de toetsing van de aanvraag verder niet meegenomen, zoals ook in het beleid is verwoord. Reden daarvoor is dat (geluids)overlast vanuit een om te zetten/splitsen woning volgens verweerder steeds afhankelijk is van (het gedrag van) de actuele bewoners van de kamers en dus niet objectiveerbaar is.

9. De rechtbank kan het beleid van verweerder niet anders interpreteren dan dat uitgangspunt is dat een aspect als overlast bij de afweging om al dan niet van het bestemmingsplan af te wijken in het geheel niet moet worden meegenomen. Om die reden heeft verweerder de (mogelijke) geluidsoverlast die als gevolg van het gebruik als kamerverhuurpand van de woning [adres 1] voor (direct) omwonenden kan ontstaan niet bij zijn belangenafweging betrokken. De rechtbank kan verweerder daarin niet volgen. De rechtbank stelt voorop dat het al dan niet toepassen van de kruimelgevallenregeling een discretionaire bevoegdheid is van verweerder. Dit betekent dat verweerder beleidsruimte heeft wanneer hij wel en niet van die bevoegdheid gebruik wenst te maken. Daarbij dient verweerder echter op grond van het bepaalde in artikel 3:4 van de Awb alle ruimtelijk relevante belangen die rechtstreeks bij de aanvraag zijn betrokken te inventariseren en te wegen. Geluidsoverlast is in dat verband een ruimtelijk relevant en wel degelijk te objectiveren belang dat hierbij een rol kan spelen. Daartoe overweegt de rechtbank dat vanuit kamergewijs verhuurde woningen in het algemeen meer druk op de woonomgeving van anderen uitgaat in de vorm van overlast dan vanuit woningen met gezinsbewoning, door een toename van het aantal leefritmes in een woning (zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 november 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ2803, ro. 2.6). Dit maakt een kameromzetting niet per definitie onaanvaardbaar, maar dit maakt wel dat moet worden bezien of de te verwachten (geluids)overlast vanuit de betreffende woning gelet op de overige belangen evenredig is, waarbij aan de omgevingsvergunning desnoods ook meetbare voorschriften kunnen worden verbonden. Nu het beleid inhoudt dat (geluids)overlast bij een vergunningsaanvraag als de onderhavige op voorhand van deze belangenafweging wordt uitgesloten, gaat dit naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten. Het beleid is op dit punt - het gaat dan om de zinsnede “Overige negatieve effecten (…) worden niet getoetst bij de aanvraag.” - onverbindend. Het betoog van eisers slaagt.

10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte toepassing gegeven aan het beleid, door na het toetsen aan de voorwaarden onder “woningomzetting” geen nadere (individuele) belangenafweging te maken en daarin de door eisers gestelde geluidsoverlast te betrekken. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder zal met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen opnieuw op het bezwaar van eisers moeten beslissen.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van

€ 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.C.A. Wilschut, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 december 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 op internet gepubliceerd onder http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/historie/Maastricht/373437/373437_1.html