Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:11178

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
AWB 16/3350 t/m 16/3369, AWB 16/3520, AWB 16/3521 en 16/3554
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De 16 verzoekers zijn allen eigenaar van een woonboot. De woonboten zijn gelegen in het zogeheten Overlaatgebied in Maastricht. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen de aan hen opgelegde last onder bestuursdwang waarbij verzoekers gelast worden binnen zes weken de zich volgens verweerder illegaal (wegens strijd met het bestemmingsplan) op de oever bevindende bouwwerken te verwijderen en verwijderd te houden. Het betreft in bijna alle gevallen een erfafscheiding en verder betreft het onder andere garages, bergingen, parkeervakken, zwembaden en (olie-/diesel)tanks. Naar aanleiding van hetgeen door verzoekers is aangevoerd heeft de voorzieningenrechter aanleiding gezien de lasten ten aanzien van de erfafscheidingen en de verwarmingsbrandstoftanks te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. De lasten betreffende andere bouwwerken worden niet geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16 / 3350 t/m 16 / 3369 en AWB 16 / 3520, 16 / 3521 en 16 / 3554

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , verzoeker

[naam 2] , verzoeker

[naam 3] , verzoeker

[naam 4] verzoeker

[naam 5] , verzoekster

[naam 6] , verzoeker

[naam 7] , verzoeker

[naam 6] , verzoeker

[naam 8] , verzoekster

[naam 9] , verzoeker

[naam 7] , verzoeker

[naam 10] , verzoeker

[naam 11] verzoeker

[naam 12] , verzoekster

(gemachtigde: mr. H.H.B. Lamers),

[naam 13] , verzoeker

[naam 14] , verzoekster

[naam 15] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S.J.H.G.M. Schils)

[naam 16] , verzoeker

(gemachtigde: [gemachtigde] )

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.H. Vlecken).

Procesverloop

Bij besluiten van 5 oktober 2016 (de bestreden besluiten) heeft verweerder aan verzoekers

ieder afzonderlijk één of meerdere lasten onder bestuursdwang opgelegd.

Tegen de bestreden besluiten hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Tevens zijn bij de

voorzieningenrechter van deze rechtbank de onderhavige verzoeken tot het treffen van een

voorlopige voorziening ingediend.

De zaken zijn ter zitting op 12 december 2016 gevoegd behandeld. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder waren tevens aanwezig

mr. G. Bijnen en mr. C. Erdkamp.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan het in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb geformuleerde formele vereiste is voldaan, nu door verzoekers bezwaar is gemaakt tegen de bestreden besluiten ter zake waarvan een voorlopige voorziening is gevraagd en deze rechtbank bevoegd is om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen. Tevens is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende aanleiding is om aan de te nemen dat verzoekers een spoedeisend belang hebben aangezien niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel de beslissingen op bezwaar kunnen afwachten.

3. De voorzieningenrechter overweegt dat voor het antwoord op de vraag of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen van belang is of de bestreden besluiten naar verwachting in de beslissing op bezwaar in stand kunnen blijven. Verder geldt dat het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter heeft en niet bindend is in de eventuele bodemzaak.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gemachtigden van verzoekers zich bij elkaars gronden hebben aangesloten en overweegt daarover als volgt.

5. Op 28 juni 2016 is er door medewerkers van het team handhaven Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van de gemeente Maastricht een controle uitgevoerd op verschillende percelen gelegen aan de Bosscherweg en de Stuwweg te Maastricht.

6. Op 18 juli 2016 heeft verweerder verzoekers te kennen gegeven voornemens te zijn een last onder bestuursdwang op te leggen betreffende de op de percelen opgerichte bouwwerken en/of gebouwen in strijd met de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Grensmaas" en/of "Grensmaas herziening ex. artikel 30 WRO" (het bestemmingsplan), welke bouwwerken en/of gebouwen zijn opgericht zonder de hiervoor vereiste omgevingsvergunning. Hierbij zijn verzoekers gelast de betreffende bouwwerken en/of gebouwen te verwijderen en verwijderd te houden. Het betreft in bijna alle gevallen een erfafscheiding en verder betreft het onder andere garages, bergingen, parkeervakken, zwembaden en (olie-/diesel)tanks.

7. Over dit voornemen heeft een aantal van verzoekers een zienswijze ingediend.

8. Tijdens de hercontrole is geconstateerd dat de volgens verweerder in strijd met het bestemmingsplan en zonder vergunning opgerichte bouwwerken en/of gebouwen niet zijn verwijderd, terwijl de in het voornemen opgenomen termijn is verstreken.

9. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder conform zijn voornemen aan verzoekers een last onder bestuursdwang opgelegd. Verweerder heeft daarbij verzoekers gelast binnen een termijn van 6 weken na de verzenddatum van de bestreden besluiten de betreffende bouwwerken te verwijderen en verwijderd te houden.

10. Voor zover verzoekers in de verzoekschriften hebben aangevoerd dat – kort gezegd – het toepasselijke bestemmingsplan nimmer in werking is getreden, stelt de voorzieningenrechter vast dat, gelet op het verhandelde ter zitting, de inwerkingtreding niet langer in geschil is.

11. Voor zover in de bestreden besluiten ten aanzien van een aantal verzoekers is vermeld dat het perceel de bestemming "oever" heeft, overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder gevolgd kan worden in zijn standpunt dat weliswaar de onjuiste benaming van de geldende bestemming maar wel de juiste bestemmingsplanbepaling is vermeld. Voor zover dit al zou moeten worden aangemerkt als een gebrek, kan het in ieder geval in de beslissing op bezwaar worden hersteld.

12. Voor zover verzoekers hebben betoogd dat artikel 6 van het bestemmingsplan onverbindend is, omdat deze bepaling een onaanvaardbare doorkruising is van artikel 9 van het bestemmingsplan en daarmee in strijd is met een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 10 van de thans vervallen Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en artikel 3.1 van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro), is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat er geen grond is om een zodanig ernstig gebrek aan te nemen dat dit reden zou zijn om bij wijze van exceptieve toetsing artikel 6 van het bestemmingsplan onverbindend te achten. De door verzoekers opgeworpen vraag met betrekking tot de doorkruising heeft betrekking op de vraag in welke mate bepaalde (naburige) bestemmingen – water waarop woonboten toegestaan zijn en de oever die een agrarische bestemming heeft – elkaar wederzijds verdragen. De onderhavige voorlopige voorziening procedure leent zich niet voor beantwoording van die vraag. Voorts is van belang dat eventuele onverbindendheid van genoemde bepaling niet zonder meer met zich meebrengt dat de bouwwerken legaal zijn. Dat bij het nieuw vast te stellen bestemmingsplan op bepaalde punten – zoals bijvoorbeeld de parkeermogelijkheden op de oever – op enige wijze rekening zal moeten worden gehouden met de woonbestemming, kan evenmin vooruitlopend hierop tot de door verzoekers beoogde conclusie leiden. Nu geenszins zeker is op welke wijze dat zal gebeuren, levert dit geen concreet zicht op legalisatie van de aanwezige bouwwerken op.

13. In verband met het beroep op een consensus-aanpak, zoals deze volgens verzoekers ook is toegepast voor de locatie Karosseer en Jaagpad/Zuid Willemsvaart , ziet de voorzieningenrechter aanleiding te overwegen dat het enerzijds voorstelbaar is dat thans de bezwaarprocedure wordt benut om in onderling overleg tot een consensus te komen over bepaalde uitgangspunten maar dat anderzijds ook een groot deel van de discussie zich met name in het kader van het nieuw vast te stellen bestemmingsplan dient af te spelen. Er is evenwel geen rechtsregel die verweerder verplicht tot zodanige consensusbenadering en het zich om die reden onthouden van handhavingsmaatregelen.

14. Met betrekking tot de erf- of perceelafscheidingen overweegt de voorzieningenrechter dat de in het kader van bestuurlijke handhaving gegeven last, gezien de daaraan verbonden verstrekkende gevolgen, zodanig duidelijk en concreet geformuleerd dient te zijn dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten omtrent hetgeen precies gedaan of nagelaten moet worden om toepassing van de aangekondigde dwangmaatregelen te voorkomen. Duidelijk is dat met het geheel verwijderen van de erfafscheidingen in ieder geval aan de last kan worden voldaan. Verzoekers hebben echter reeds in de zienswijze voorgesteld de huidige hoogte terug te brengen tot 1 meter hoogte, zodat de erfafscheidingen volgens verzoekers binnen het bereik van artikel 2, lid 12, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zouden vallen. Alsdan zouden de erfafscheidingen volgens hen vergunningvrij worden en zou er concreet zicht op legalisatie bestaan, hetgeen verweerder niet zonder deugdelijke motivering ter zijde heeft mogen schuiven, aldus verzoekers. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers terecht hebben betoogd dat de bestreden besluiten geen helderheid verschaffen over de vraag of een erfafscheiding die niet hoger is dan 1 meter vergunningvrij zou zijn. In een geval als het onderhavige, waarin verweerder er kennelijk expliciet voor heeft gekozen de last onder bestuursdwang aldus te formuleren dat de erfafscheidingen geheel verwijderd dienen te worden, terwijl reeds in de zienswijze is aangevoerd dat met een minder verstrekkende last kan worden volstaan, ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit het oogpunt van een zorgvuldige belangenafweging op de weg van verweerder om zich ervan te vergewissen dat de last onder bestuursdwang niet te verstrekkend is. Dat verweerder hiervoor dient te treden in de vraag of voor een erfafscheiding tot een hoogte van maximaal één meter op de betreffende percelen op grond van artikel 2, lid 12, van Bijlage II van het Bor een omgevingsvergunning niet vereist is, leidt niet tot een ander oordeel. Nu verweerder ook ter zitting deze vraag onbeantwoord heeft gelaten ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de bestreden besluiten te schorsen voor wat betreft de last ten aanzien van de erfafscheidingen. Verweerder dient hierover in het besluit op bezwaar duidelijkheid voor verzoekers te verschaffen.

15. Wat betreft de op de oever aanwezige (olie-/diesel)tanks is door verzoekers gesteld dat die noodzakelijk zijn voor de verwarming van de woonboten. Verweerder heeft erop gewezen dat tanks voor verwarmingsdoeleinden ook op de woonboot zelf kunnen worden gerealiseerd en dat dit overigens een kwestie is die voor risico van de overtreders komt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in strijd zou zijn met een redelijke belangenafweging om de aangezegde bestuursdwang in de winterperiode toe te passen ten aanzien van een verzoeker die redelijkerwijs geen mogelijkheid heeft om op korte termijn anders dan door middel van een tank op de oever voor verwarming te zorgen. De stelling van verzoekers dat er geen alternatief aanwezig is voor de verwarming door middel van de (olie-/diesel)tank zal daarom in de bezwaarprocedure nader moeten worden onderzocht. Het ligt daarbij wel op de weg van de betrokken verzoekers om die stelling zoveel doenlijk te onderbouwen. De voorzieningenrechter schorst daarom ook de last ten aanzien van de (olie-/diesel)tanks.

16. De voorzieningenrechter stelt vast dat met betrekking tot de overige gebouwen en/of bouwwerken niet wordt betwist dat sprake is van overtredingen. Verweerder was dus bevoegd

om handhavend op te treden. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld

of er sprake is bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder ten aanzien van die bouwwerken in redelijkheid van handhavend optreden had moeten afzien.

17. Anders dan verzoekers, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder geen grond heeft hoeven zien de overtredingen met betrekking tot de garage/bergingen als van geringe aard en ernst aan te merken en dat handhavend optreden in de vorm van het opleggen van een last onder bestuursdwang niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. De voorzieningenrechter acht van belang dat de garages/bergingen, zoals verweerder terecht heeft gesteld, afbreuk doen aan de uitgangspunten van het bestemmingsplan. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat volgens het bestemmingsplan op de percelen geen bouwwerken zijn toegestaan (terwijl niet wordt betwist dat de bouwwerken ook niet onder het overgangsrecht vallen), dat het gebied deel uitmaakt van het zogeheten stroomvoerend rivierbed en dat mede vanwege deze laatste omstandigheid verweerder geen medewerking wenst te verlenen aan vergunningverlening zodat geen concreet zicht op legalisering aanwezig is. Het tijdsverloop biedt evenmin grond voor het oordeel dat verweerder niet meer tot handhaving over mocht gaan. Dat bepaalde bouwwerken zijn genoemd in de vergunning die op grond van de Waterwet is verleend brengt niet zonder meer met zich dat daarvoor geen omgevingsvergunning vereist zou zijn. Voor zover verzoekers hebben betoogd dat voor de garages/bergingen een noodzaak bestaat, nu de woonboten geen ruimte voor opslag bieden, overweegt de voorzieningenrechter dat het bouwen dan wel in stand houden van een bouwwerk zonder een daartoe benodigde omgevingsvergunning geschiedt op eigen risico zodat de door verweerder opgelegde last niet alleen met zich meebrengt dat verzoekers het gebouwde moeten afbreken, maar ook een alternatief moeten vinden voor de opslag. Voor zover met betrekking tot de garages en de parkeervakken is aangevoerd dat deze noodzakelijk zijn vanwege de verkeersveiligheid, nu langs de weg parkeren een onveilige situatie met zich zou brengen, overweegt de voorzieningenrechter dat – wat van de enkele stelling ook zij – geen grond is gelegen voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen dat verweerder daarvan had behoren af te zien. Ook voor wat betreft het parkeren ligt het op de weg van verzoekers om hiervoor een alternatief te zoeken. Met betrekking tot de zwembaden en de overige bouwwerken zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder van handhavend optreden had dienen af te zien.

18. Verzoekers beroepen zich tevens op het gelijkheidsbeginsel voor wat betreft het verkrijgen van gelijke behandeling als bij de opgerichte bouwwerken bij de woonboten aan de oevers gelegen bij de Zuid-Willemsvaart. Verweerder heeft volgens verzoekers weliswaar terecht aangegeven dat de Zuid-Willemsvaart gelegen is binnen de Beheersverordening Boschpoort en dat voor de locatie Stuwweg het bestemmingsplan "Grensmaas en Grensmaas Herziening ex artikel 30 WRO" van toepassing is en dat er sprake is van een ongelijk toetsingskader, doch ten aanzien van de situaties kan volgens verzoekers gezegd worden dat deze overeenkomen. Er is sprake van bebouwing aan wal ten behoeve van woonbootbewoners. Bovendien zijn de bouwwerken volgens verzoekers – naar verluidt – bij de locatie Zuid-Willemsvaart eveneens in strijd met de ter plaatse geldende Beheersverordening. Alsdan is het volgens verzoekers rechtsongelijk om voor de ene locatie wel handhavend op te treden ten aanzien van bebouwingen aan wal en van handhavend optreden bij de andere locatie om onduidelijke redenen af te zien. De voorzieningenrechter volgt in dit verband verweerder in zijn standpunt dat verzoekers niet concreet hebben aangegeven op welke vergelijkbare situatie wordt gedoeld. Een algemene verwijzing naar de locatie Zuid-Willemsvaart is voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende. Bovendien hebben verzoekers niet gemotiveerd betwist dat verweerder ook ten aanzien van deze locatie in bepaalde gevallen waarin daar aanleiding toe was handhavend is opgetreden. Tenslotte heeft verweerder er onweersproken op gewezen dar voor een aantal van de illegale bouwwerken op die locatie juist wel sprake was van concreet zicht op legalisatie.

19. Verzoekers zijn voorts van mening dat de begunstigingstermijn van zes weken tot drie maanden verlengd dient te worden, omdat het voor verzoekers zelf niet mogelijk is om de garage met stalen frame en houten wanden, die bekleed zijn met groene rockpanel, af te breken en af te voeren. Hiervoor hebben zij professionele bijstand nodig en in dat kader is de gestelde termijn te kort. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een termijn van

zes weken redelijk is. Uitgangspunt is immers dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Niet aannemelijk is dat een termijn van zes weken voor opdrachtverlening en uitvoering van het werk te kort is. De voorzieningenrechter acht nog van belang dat verweerder de begunstigingstermijn heeft opgeschort totdat de voorzieningenrechter een beslissing op het verzoek heeft genomen. Nu verweerder ter zitting desgevraagd heeft aangegeven niet over te gaan tot effectuering van de bestuursdwang tot ongeveer medio februari ziet de voorzieningenrechter te minder aanleiding de begunstigingstermijn te verlengen, zoals door verzoekers verzocht.

20. Gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 14 en 15 worden de verzoeken gedeeltelijk toegewezen, in die zin dat de lasten ten aanzien van de erfafscheidingen en de verwarmingsbrandstoftanks worden verlengd tot zes weken na de desbetreffende beslissing op bezwaar. Voor een verdergaande schorsing als ter zitting bepleit ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding nu niet is uitgesloten dat de voormelde gebreken in de beslissing op bezwaar zullen worden hersteld.

21. De voorzieningenrechter bepaalt dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

22. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. De voorzieningenrechter beschouwt de door mr. Lamers ingediende verzoeken als samenhangende zaken. De kosten hiervan stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de verleende rechtsbijstand vast op

€ 1488,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1,5 omdat het meer dan

4 samenhangende zaken betreft). Ook de door mr. Schils ingediende verzoeken beschouwd de voorzieningenrechter als samenhangende zaken. De kosten hiervan stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). De proceskosten wegens door [gemachtigde] verleende rechtsbijstand worden vastgesteld op

€ 992,- (voor het indienen van het verzoekschrift en het verschijnen ter zitting); het bedrag van de reiskosten van verzoeker voor het bijwonen van de zitting wordt vastgesteld op

€ 3,92, zijnde de reiskosten per openbaar vervoer, tweede klas.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst de bestreden besluiten voor zover de last betrekking heeft op de erfafscheidingen en de verwarmingsbrandstoftanks tot zes weken na bekendmaking van de desbetreffende beslissing op bezwaar;

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening voor het overige af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht aan verzoekers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 1488,- aan de verzoekers vertegenwoordigd door mr. Lamers, een bedrag van € 992,- aan de verzoekers vertegenwoordigd door mr. Schils en een bedrag van € 995,92 aan de verzoeker vertegenwoordigd door [gemachtigde] .

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th. M. Schelfhout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Debets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 22 december 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.