Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:11084

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2341u
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag op grond van artikel 80, eerste lid en artikel 81, eerste lid, aanhef en onder I van het ARAR. De rechtbank is van oordeel dat de aan eiser verweten gedragingen plichtsverzuim opleveren. Dat plichtsverzuim kan als zeer ernstig worden gekwalificeerd, gezien de aard van de gedragingen en de aard van de functie van belastingambtenaar waarbij integriteit, in het bijzonder wat betreft het nakomen van fiscale verplichtingen, van zeer groot belang is. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van zodanig ernstig plichtsverzuim dat daarvoor de straf van onvoorwaardelijk ontslag aanvaardbaar moet worden geacht. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB/ROE 15/2341

Uitspraak van de meervoudige kamer van 21 december 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R. Odink),

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. A.A.W.M. van Gerwen).

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van 8 november 2014 de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.

Bij besluit van 18 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen [naam 1], [naam 2], [naam 3] en

[naam 4].

Overwegingen

1. Eiser is sinds 4 september 1978 werkzaam bij verweerder, laatstelijk in de functie van belastingdeurwaarder bij de afdeling deurwaarderij van het segment midden- en kleinbedrijf.

In oktober 2013 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en mevrouw [naam 1], plaatsvervangend directeur (hierna: plaatsvervangend directeur) ten aanzien van eisers fiscale situatie. In dit kader is door laatstgenoemde tevens gesproken met behandelend ambtenaar, de heer [naam 4]. Uit de toelichting van de heer [naam 4] is bij de plaatsvervangend directeur het vermoeden ontstaan dat eiser en zijn echtgenote onjuiste aangifte(n) hebben ingediend waardoor vermoedelijk te weinig belasting is betaald. Hierdoor is ook het vermoeden ontstaan dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim.

Na verlening van ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht is verweerder gestart met een nader onderzoek vanwege het vermoeden van zeer ernstig plichtsverzuim. Op

21 februari 2014 is voor het eerst gerapporteerd over het onderzoek naar de aangiftejaren 2009 en 2010. Op 17 maart 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser, de plaatsvervangend directeur, en [naam leidinggevende], de leidinggevende. Bij besluit van dezelfde datum zijn aan eiser een tweetal orde maatregelen opgelegd, te weten een schorsing en een ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen met onmiddellijke ingang. Op

23 april 2014 heeft vervolgens een tweede gesprek plaatsgevonden tussen eiser en onder meer de plaatsvervangend directeur. Bij besluit van 13 juni 2014 zijn voornoemde ordemaatregelen met drie maanden verlengd tot 17 september 2014. Deze zijn vervolgens bij besluit van 16 september 2014 nogmaals verlengd tot 17 december 2014. Eisers bezwaren tegen de ordemaatregelen opgelegd bij besluit van 17 maart 2014 zijn bij besluit van

23 juli 2014 ongegrond verklaard. Door eiser zijn tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

Op 10 juli 2014 heeft verweerder de tenlastelegging verzonden waarin aan eiser ernstig plichtsverzuim wordt verweten. Eiser is in de gelegenheid gesteld zich hierover te verantwoorden. Dit heeft eiser bij brief van 19 augustus 2014 gedaan.

Bij brief van 22 oktober 2014 heeft verweerder het voornemen aan eiser kenbaar gemaakt om eiser wegens zeer ernstig plichtsverzuim de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Hiertegen heeft eiser zijn zienswijze ingediend.

Bij besluit van 23 oktober 2014 is het besluit van 16 september 2014 ingetrokken en is eiser met ingang van de tweede dag na dagtekening van het besluit geschorst en is meegedeeld dat er gedeeltelijke inhouding van de bezoldiging plaatsvindt. Tevens is bij brief van

23 oktober 2014 aan eiser meegedeeld dat het voornemen bestaat om zijn bezoldiging na zes weken geheel in te houden.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser met ingang van 8 november 2014 de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd op grond van artikel 80, eerste lid, en artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser;

1. misbruik gemaakt heeft van zijn positie als werknemer bij de Belastingdienst, waarbij eiser de plaatsvervangend directeur heeft gevraagd haar positie in te zetten om de behandelend inspecteur te bewegen een voor eiser gunstiger fiscaal standpunt (matigen van de voorgenomen correcties) in te nemen ten aanzien van de aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IH) van hem zelf en van zijn echtgenote;

2. zijn fiscale verplichtingen niet stipt is nagekomen doordat hij de aangiften over het jaar 2009 niet (tijdig) heeft ingediend, waardoor de inspecteur ambtshalve aanslagen IH met een verzuimboete heeft opgelegd;

3. onjuiste aangiften IH heeft ingediend over de jaren 2009 (behandeld als bezwaar) en 2010 (primaire aanslagregeling);

4. onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend over de jaren 2009 en 2010 ten aanzien van de onderneming van zijn echtgenote, waarvoor hij de aangiften verzorgde;

5. nevenwerkzaamheden heeft verricht die hij zijn werkgever had moeten melden omdat die de belangen van de dienst kunnen raken.

Verweerder is niet gebleken dat het plichtsverzuim eiser niet kan worden toegerekend. Gelet op de ernst van het verzuim acht verweerder de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onredelijk. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder is op grond van de beschikbare en deugdelijk vastgestelde feiten en omstandigheden van mening dat eiser zich aan de verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt. Terecht is volgens verweerder de conclusie getrokken dat de eiser te verwijten gedragingen ernstig tot zeer ernstig plichtsverzuim opleveren. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aan eiser opgelegde straf van ontslag evenredig is te achten aan het door hem gepleegde plichtsverzuim.

4. Eiser voert in beroep aan dat de verklaring van de plaatsvervangend directeur onjuist is. In dit kader wenst eiser getuige, [naam getuige], op te roepen. De aangifte IH van 2009 is niet tijdig ingediend omdat eiser ten tijde van het indienen opgenomen was in het ziekenhuis vanwege een hartinfarct en zijn echtgenote vanwege een burn-out bezig was met een re-integratietraject. De vragen van het accountantskantoor konden daarom niet beantwoord worden en de aangifte werd door [naam accountantskantoor] iets later ingediend. De aangiften IH over 2009 en 2011 waren niet onjuist maar niet volledig vanwege de complexiteit en vanwege privéomstandigheden. De aangifte omzetbelasting is ingediend door de echtgenote van eiser en niet door eiser zelf. Hierin was een correctie van ongeveer € 300,- vanwege het feit dat de Belastingdienst de nota’s van het accountantskantoor niet accepteerde. Eiser verzorgde nooit de aangifte van zijn echtgenote. De heer [naam 5] van [naam accountantskantoor] kan dit verklaren. Eiser heeft nooit nevenwerkzaamheden verricht, hij heeft hiervoor altijd een accountant gehad. Eiser heeft met zijn aanvullend beroepschrift concrete gronden aangevoerd tegen de hem onder 1 tot en met 5 verweten gedragingen.

5. Bij de beoordeling van de beroepsgronden is het navolgende wettelijk kader van belang.

6. Op grond van artikel 80, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen omvat.

Op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR kan de disciplinaire straf zijn: ontslag.

7. Volgens vaste jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 februari 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP5986), moet in ambtenarenzaken de bestuursrechter die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, vaststellen of de betrokken ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten kunnen ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. Voorts dient het plichtsverzuim aan de ambtenaar te zijn toe te rekenen en dient de genomen maatregel in verhouding te staan tot het plichtsverzuim.

8. Ter beantwoording van de vraag of op grond van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat eiser de hem verweten gedragingen heeft begaan zal de rechtbank hieronder stil staan bij de 5 – kort weergegeven - categorieën gedragingen die verweerder heeft onderscheiden:

1. misbruik van positie om door middel van de plaatsvervangend directeur de behandelend inspecteur te bewegen een voor eiser gunstiger fiscaal standpunt in te nemen ten aanzien van de aangiften IH van hem en zijn echtgenote.

2. niet (tijdig) indienen van aangiften over het jaar 2009;

3. indienen onjuiste aangiften IH over de jaren 2009 en 2010;

4. indienen onjuiste aangiften omzetbelasting over de jaren 2009 en 2010 ten aanzien van de onderneming van zijn echtgenote waarvoor eiser de aangiften verzorgde;

5. het verrichten van nevenwerkzaamheden zonder deze te melden.

9. De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van punt 1

9.1

De rechtbank begrijpt dat eiser wellicht met goede intenties een gesprek heeft willen voeren met de plaatsvervangend directeur om uit een impasse met de behandelend inspecteur te komen en/of een oplossing te vinden om procedures te voorkomen ten aanzien van zijn aangiften. De rechtbank is echter, met verweerder, van oordeel dat eiser middels het gesprek getracht heeft de inspecteur te bewegen tot een voor eiser en zijn echtgenote gunstiger fiscaal standpunt. Eisers standpunt, dat in het verleden met de inspecteur afspraken zijn gemaakt waardoor de aanslag omlaag werd gebracht en deze gemaakte afspraken jarenlang zijn geaccepteerd en er op basis hiervan sprake is van opgewekt vertrouwen bij eiser, deelt de rechtbank niet. Dat dit in het verleden zo is gegaan en/of is gebeurd en/of is afgesproken is naar het oordeel van de rechtbank wel door eiser gesteld maar niet aangetoond. Dat daarnaast door eiser in dit kader afstemming met de heer [naam getuige] heeft plaatsgevonden blijkt niet uit diens verklaring die door eiser is overgelegd en is door eiser ook anderszins niet aangetoond. Dat de heer [naam getuige] hierover niet heeft kunnen getuigen omdat het bij verweerder niet gebruikelijk is tegen de werkgever te getuigen, doet, naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af. Eisers beroepsgrond dat de verklaring van de plaatsvervangend directeur onjuist is, slaagt, gelet op het voorgaande niet. Eiser heeft zich met het gesprek en het hiermee willen bewegen van de inspecteur tot een gunstiger fiscaal standpunt, schuldig gemaakt aan de aan hem (onder 1) verweten gedraging. Deze gedraging is door verweerder terecht aangemerkt als plichtsverzuim.

Ten aanzien van punt 2

9.2

Ten aanzien van het niet en/of niet tijdig indienen van de aangifte over 2009 merkt de rechtbank allereerst op dat het tot eisers eigen verantwoordelijkheid behoort dat hij zijn aangiften juist en tijdig indient. Dat eiser zich bij deze aangiften laat adviseren door een advies- en of accountantskantoor, in dit geval [naam accountantskantoor], ontslaat eiser zelf niet van deze verantwoordelijkheid. Eisers beroepsgrond dat hij en zijn echtgenote kampten met ernstige gezondheidsklachten en het te laat indienen van de aangifte om die reden niet aan eiser is toe te rekenen, deelt de rechtbank niet. De rechtbank is niet gebleken dat, gelet op het feit dat de aangiften (tijdig) bij de accountant lagen, eiser en/of zijn echtgenote (medisch) in het geheel niet in staat waren de vragen van [naam accountantskantoor] te beantwoorden en/of [naam accountantskantoor] tot spoed aan te zetten en/of om uitstel voor het indienen van de aangiften te vragen. Of [naam accountantskantoor] in deze onzorgvuldig gehandeld heeft staat niet ter beoordeling van de rechtbank en is geen onderdeel van dit geding. De rechtbank is, gelet op de beschikbare gedingstukken, van oordeel dat eiser zich aan de hem (onder 2) verweten gedraging - het niet tijdig indienen van de aangifte over het jaar 2009 - schuldig heeft gemaakt en dat deze gedraging plichtsverzuim oplevert.

Ten aanzien van punt 3 en 4

9.3

Vaststaat dat in de bedoelde aangiften IH en omzetbelasting van 2009 en 2010 verschillende onjuistheden zijn aangetroffen. Het gaat daarbij om een verhoging van het belastbaar inkomen uit werk en woning. Dit hogere belastbaar inkomen heeft tot gevolg dat de verschuldigde enkelvoudige belasting hoger is dan eerder vastgesteld. Eisers beroepsgrond dat de aangifte IH over 2009 en 2010 niet onjuist waren maar niet volledig vanwege de complexiteit en vanwege privéomstandigheden, treft, gelet op het feit dat júist vanwege de complexiteit van de aangiften deze waren uitbesteed aan [naam accountantskantoor], geen doel. Ten aanzien van eisers beroepsgrond dat de foutieve aangiften het gevolg zijn van het onzorgvuldig handelen van [naam accountantskantoor], merkt de rechtbank nogmaals op dat eiser zelf verantwoordelijk is en mag worden gesteld voor de juistheid van door hem en zijn echtgenote ingediende aangiften. Deze volledige verantwoordelijkheid blijft bestaan indien eiser zich bij het indien van deze aangiften laat adviseren door een advies- en/of accountantskantoor. In dat geval blijft eiser verantwoordelijk en kan hij zich niet achter zijn adviseur en/of achter het door hem ingeschakelde accountantskantoor verschuilen, indien er onjuistheden worden geconstateerd. Dat bij eiser de opzet tot het doen van een foutieve aangifte zou hebben ontbroken maakt dit niet anders.

Dit geldt eveneens voor de onjuiste aangifte van de omzetbelasting ten behoeve van de onderneming van eisers echtgenote. De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat eiser hierbij wél betrokken was en eiser dit zeker had moeten melden. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat eiser zich aan de (onder 3 en 4) genoemde gedragingen – onjuiste aangiften IH en omzetbelasting over het jaar 2009 en 2010 - heeft schuldig gemaakt en deze gedragingen plichtsverzuim opleveren.

Ten aanzien van punt 5

9.4

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser gehouden was om nevenwerkzaamheden “voor zover in verband staand met de functievervulling” bij verweerder te melden. Verweerder stelt zich ter zitting op het standpunt dat dit heel strikt moet worden bezien om elke schijn van belangenverstrengeling te voorkomen. Eisers standpunt dat hij zich slechts bezig hield met de administratie en niet met de aangiftes zelf, wat van dit standpunt ook zij gelet op het overwogene onder 9.3, maakt niet dat eiser het verrichten van deze werkzaamheden niet had hoeven melden. Voor zover het eiser niet duidelijk was of deze activiteiten in verband staan met de functievervulling en/of het dienstbelang kunnen raken, had eiser dit ter beoordeling aan verweerder moeten voorleggen. Eisers hiertegen gerichte gronden slagen niet. Ook deze gedraging heeft verweerder terecht aangemerkt als plichtsverzuim.

10. De rechtbank is van oordeel dat de aan eiser (onder 1 tot en met 5) verweten gedragingen elk afzonderlijk voldoende feitelijke grondslag hebben en de conclusie rechtvaardigen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Dat plichtsverzuim in totaliteit bezien kan als zeer ernstig worden gekwalificeerd, gezien de aard van de gedragingen en de aard van de functie van belastingambtenaar waarbij integriteit, in het bijzonder wat betreft het nakomen van fiscale verplichtingen, van zeer groot belang is. Voor belastingambtenaren geldt immers een verhoogde graad van zorgvuldigheid.

De rechtbank is verder niet gebleken dat de verweten gedragingen niet aan eiser kunnen worden toegerekend.

Nu verweerder, gelet op het vorenstaande, bevoegd was tot disciplinaire bestraffing van eiser, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de getroffen sanctie evenredig is aan het handelen of nalaten op grond waarvan die sanctie is getroffen. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van zodanig ernstig plichtsverzuim dat daarvoor de straf van onvoorwaardelijk ontslag aanvaardbaar moet worden geacht. Eisers staat van dienst, de lengte van zijn dienstverband evenals de geschetste financiële en persoonlijke gevolgen voor eiser kunnen in dat kader niet geheel worden gepasseerd, maar leggen, gelet op de ernst van het plichtsverzuim en de veelheid van de als plichtsverzuim te karakteriseren gedragingen, onvoldoende gewicht in de schaal om tot het oordeel te kunnen komen dat verweerder met een lichtere sanctie had moeten volstaan.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens (voorzitter), en mr. P.J.M. Bruijnzeels en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 december 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.