Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:11002

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
5506905 CV EXPL 16-10183
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming in kort geding horeca aangelegenheid toegewezen. Geen huurovereenkomst tot stand gekomen, gebruik zonder recht of titel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer 5506905 CV EXPL 16-10183

Vonnis van 5 december 2016

in het kort geding van

de vennootschap onder firma VOF [naam VOF 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. R.A. Wijnands

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] ,

gevestigd en zaakdoend te [vestigingsplaats] aan de [adres 1] ,

gedaagde partij,

gemachtigde P.W.R. Craenen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 17 november 2016

  • -

    de op 29 november 2016 ingekomen nadere productie van de zijde van [eiseres]

  • -

    de op 30 november 2016 van de zijde van [gedaagde] ingekomen productie met daarop vermeld “Pleitnota”, welke productie echter ter zitting niet als pleitnota heeft gediend.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] huurt van Sligro BV de benedenruimte van het bedrijfspand gelegen aan de [adres 2] te [vestigingsplaats] (verder te noemen: de kelderbar) met de bestemming café-bedrijf. [eiseres] exploiteert in de bovenliggende ruimte een restaurant.

2.2.

Vanaf 27 november 2007 heeft [eiseres] de kelderbar onderverhuurd aan de heer

[naam huurder] , die in de kelderbar een horeca gelegenheid exploiteerde. In artikel 1 van de huurovereenkomst staat vermeld:

Het is huurder bekend dat verhuurder de bedrijfsruimte huurt van Sligro B.V. te Veghel.

Artikel 3.1. van de huurovereenkomst luidt:

Verhuurder verhuurt aan huurder het voornoemd huurobject voor een periode van 10 maanden, te rekenen vanaf 1 november 2007 en de huur eindigt dus op 31 augustus 2008. Huurder treedt dus in de plaats van VOF [naam VOF 2] , die voor een zelfde periode had gehuurd. Partijen zullen medio 2008 gaan bezien of verdere huur mogelijk is. Dit hangt met name af van de omstandigheid of verhuurder kan blijven huren van Sligro.

2.3.

[naam huurder] nam de voor zijn horeca gelegenheid benodigde drank af van Brouwerij de Leeuw te Valkenburg.

2.4.

Vanaf 4 juli 2016 is [gedaagde] de kelderbar feitelijk door - doch zonder dienovereenkomstige overeenkomst met [eiseres] - gaan exploiteren, omdat [naam huurder] , om hem moverende redenen, zelf wilde stoppen met de exploitatie en een indeplaatsstelling wenste. Dit laatste heeft hij op dat moment echter niet - althas niet duidelijk en kenbaar - met [eiseres] gecommuniceerd.

2.5.

Bij exploot van 10 augustus 2016 heeft [eiseres] [naam huurder] in kort geding gedagvaard en ontruiming gevorderd van de kelderbar, enerzijds vanwege een huurachterstand en anderzijds vanwege het feit dat haar ter ore was gekomen dat [naam huurder] de kelderbar feitelijk door een derde ( [gedaagde] ) liet gebruiken.

2.6.

Ter zitting van 22 augustus 2016 was naast de [naam vennoot 1] en [naam vennoot 2] namens [eiseres] ook wederpartij [naam huurder] aanwezig, die ook [gedaagde] had meegenomen.

Tijdens die zitting zijn partijen in die zaak en [gedaagde] tot een regeling gekomen, die als volgt luidt:

“1. De VOF biedt per 1 september 2016 aan de heer [gedaagde] een huurcontract aan (ROZ bedrijfsruimte) voor de duur van vijf jaar.

2. De heer [gedaagde] betaalt een borg gelijk aan twee maanden huur.

3. De heer [naam huurder] staat persoonlijk garant voor de nakoming van de huurtermijnen door de heer [gedaagde] gedurende de eerste vijf jaar.

4. De heer [naam huurder] maakt met ingang van 1 september 2016 geen aanspraak meer op het gehuurde.

5. De huur [naam huurder] en de heer [gedaagde] dragen gezamenlijk € 500,00 bij in de door eiser gemaakte kosten van deze procedure.

6. Deze procedure wordt doorgehaald.”

2.7.

Kort voor 1 september 2016 heeft [eiseres] een onderhuurovereenkomst aan [gedaagde] doen toekomen op basis van de ROZ modellen (productie 8 bij exploot). Daarin is onder meer het navolgende opgenomen:

Partijen zijn bewust van het feit dat dit een onderhuurovereenkomst betreft, nu VOF [naam VOF 1] op haar beurt het gehuurde huurt van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, Sligro BV te Veghel. Indien de hoofdverhuurder besluit tot het beëidnigen van de huurovereenkomst met VOF [naam VOF 1] komt deze onderhuurovereenkomst daarmee ook ten einde, al ligt die beslissig van de hoofdverhuurder niet in de lijn der verwachtingen.”,

alsmede een drankafnameverplichting van Brouwerij de Leeuw te Valkenburg (art.10.2).

2.8.

[gedaagde] heeft de aangeboden onderhuurovereenkomst niet vóór 1 september 2016 ondertekend aan [eiseres] doen retourneren. In plaats daarvan heeft [gedaagde] bij e-mailbericht van 12 oktober 2016 aan [eiseres] verzocht om een huurovereenkomst zonder onderhuurbeding te ondertekenen. In dat bericht (waarin [gedaagde] overigens ten onrechte spreekt over “het vonnis van 22 augustus”, waar hij kennelijk doelt op het proces-verbaal van de zitting van die datum) geeft hij te kennen het niet eens te zijn met de “bijzondere bepalingen” in de hem aangeboden onderhuurovereenkomst.

2.9.

Per aangetekende brief van 21 oktober 2015 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd om “het pand van cliënte” (daarmee kennelijk doelend op de kelderbar) binnen veertien dagen te verlaten en vrij van gebruik te houden, nu hij dit thans zonder rechtsgrond illegaal in gebruik heeft.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert de veroordeling van [gedaagde] - kort gezegd - :

  • -

    om de kelderbar binnen acht dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag dat hij niet aan die veroordeling voldoet;

  • -

    tot betaling van de kosten van ontruiming indien hij de kelderbar niet zelf ontruimt;

  • -

    tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 680,00 per maand voor iedere ingegane maand dat hij de kelderbar vanaf 1 september 2016 nog niet heeft ontruimd;

  • -

    tot betaling van de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[eiseres] beroept zich er op dat zij [gedaagde] , conform de gemaakte afspraak ter zitting van 22 augustus 2016, een huurovereenkomst heeft aangeboden doch dat [gedaagde] die tot op heden niet ondertekend heeft geretourneerd, zodat geen huurovereenkomst tot stand is gekomen. [gedaagde] gebruikt de kelderbar derhalve zonder recht of titel.

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het voor een kort geding vereiste spoedeisend belang is aanwezig en volgt uit de aard van de zaak.

4.2.

Om een voorziening te kunnen treffen zoals gevorderd, dient te worden beoordeeld of het aannemelijk is dat de rechter in een aanhangig te maken bodemprocedure een met de gevraagde voorziening overeenstemmende vordering zal toewijzen. Die beoordeling geschiedt op basis van hetgeen in deze korte procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt.

4.3.

Uit de in het geding gebrachte correspondentie en het verhandelde ter zitting, komt het beeld naar voren dat [gedaagde] in de veronderstelling verkeert dat de ter zitting van

22 augustus 2016 gemaakte afspraken zoals hierboven geciteerd (onder meer) inhielden dat [eiseres] hem een “standaard” huurovereenkomst (volgens het model dat door de Raad voor Onroerende Zaken is vervaardigd en voor eenieder toegankelijk is via haar website) zonder ook maar enige clausulering aangeboden zou moeten worden. Die veronderstelling is echter onjuist, alleen al vanwege het - bij [gedaagde] genoegzaam bekende - feit dat [eiseres] zelf huurt van Sligro en derhalve slechts een onderhuurovereenkomst met [gedaagde] kan sluiten (nog daargelaten dat uit de stukken blijkt dat Sligro niet de pandeigenaar is en dus kennelijk zelf het pand ook huurt, zodat in feite sprake is van onder-onderhuur). Dat [eiseres] een dienovereenkomstige bepaling in het onderhuurcontract heeft opgenomen, lag dan ook alleszins in de lijn der verwachtingen en kon in redelijkheid geen verrassing voor [gedaagde] zijn. Het spreekt immers voor zich dat [eiseres] nu eenmaal niet méér rechten (op de kelderbar) aan [gedaagde] kan aanbieden dan ze zelf heeft. Dat [eiseres] daarmee de op 22 augustus 2016 gemaakte afspraken heeft geschonden - zoals [gedaagde] lijkt te suggereren - is derhalve feitelijk onjuist.

4.4.

Wat dan vervolgens opvalt, is dat in genoemde productie van de zijde van [gedaagde] waar “Pleitnota” boven staat, begonnen wordt met de volgende opmerking:

Het gaat hier om een bierverplichting tussen eiseres en de Leeuw Bierbrouwerij. En de verdeling hiervan door partijen. Alle 34 punten in de dagvaarding worden niet alleen betwist. Ze snijden geen hout omdat meneer [gedaagde] zal aantonen dat enkel het vorenstaande relevant is.”, terwijl [gedaagde] ter zitting vervolgens ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven dat hij er geen enkel probleem mee heeft om zijn drank voor de kelderbar van Brouwerij de Leeuw te Valkenburg af te nemen.

4.5.

Nóg opvallender is het dat [gedaagde] bij het begin van de zitting verklaarde dat hij “de overeenkomst” (daarmee kennelijk doelend op eerdergenoemd door [eiseres] ter ondertekening aangeboden contract inclusief onderhuurbeding en drankafnameverplichting) inmiddels (alsnog) heeft ondertekend. Desgevraagd gaf hij te kennen geen kopie daarvan bij zich te hebben en op de vraag waarom hij het - vermeende - door hem ondertekende exemplaar dan niet op zijn minst in kopie aan de wederpartij heeft doen toekomen, volgde slechts de opmerking dat hij “geen jurist” is. Op de vraag waar het dan wèl is, antwoordde [gedaagde] : “het ligt bij de gemeente”.

4.6.

Wat daar ook allemaal van zij, geconstateerd dient te worden dat [eiseres] , conform de gemaakte afspraken een huurovereenkomst aan [gedaagde] heeft aangeboden, dat [gedaagde] dat aanbod niet heeft aanvaard en dat [eiseres] dat aanbod vervolgens bij genoemde brief van 21 oktober 2016 heeft ingetrokken, (zo dient de sommatie tot ontruiming mede te worden opgevat). Een eventuele latere aanvaarding (zoals [gedaagde] wel stelt maar nalaat aan te tonen), kon derhalve hoe dan ook niet het rechtsgevolg sorteren dat daarmee beoogd was, namelijk het alsnog tot standbrengen van een overeenkomst.

4.7.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de kelderbar thans zonder recht of titel in gebruik heeft. Dat hij, zoals hij bij herhaling heeft aangevoerd, investeringen in de kelderbar heeft gedaan, maakt dit geenszins anders. De gevorderde ontruiming zal derhalve worden toegewezen, zij het dat de dwangsom zal worden gemaximeerd op € 25.000,00 en dat de ontruimingstermijn op twee weken gesteld wordt. De gevorderde machtiging om te doen ontruimen door politie en justitie wordt evenwel afgewezen omdat de bevoegdheid daartoe reeds voortvloeit uit de wet. De gevorderde veroordeling tot betaling van de kosten van ontruiming indien [gedaagde] niet zelf binnen de gestelde termijn ontruimt, zal evenens worden afgewezen nu ten aanzien van die kosten niet op voorhand met zekerheid te beoordelen is of zij worden gemaakt en of zij in redelijkheid worden gemaakt.

4.8.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot de datum van dit vonnis begroot op € 801,60, bestaande uit € 600,00 aan salaris gemachtigde, € 117,00 aan griffierecht en € 84,60 aan explootkosten.

4.9.

De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om de onroerende zaak aan de [adres 3] te [vestigingsplaats] binnen twee weken na betekening van dit vonnis met al het zijne en de zijnen te ontruimen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per ingegane dag dat [gedaagde] niet aan die veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,00,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting aan [eiseres] € 680,00 te betalen voor iedere ingegane maand per 1 september 2016 tot aan de dag van ontruiming,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot de datum van dit vonnis begroot op € 801,60,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen twee weken na aanschrijving door [eiseres] volledig aan de veroordelingen onder 5.1., 5.2. en 5.3. voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van die betekening,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

RK