Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:10937

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
16-12-2016
Zaaknummer
5386944 AZ VERZ 16-191
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek werkgever. Toegewezen op primair aangevoerde ‘e-grond’ (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer) als bedoeld in art. 7:669 lid 3 BW. Omdat handelen werknemer niet ernstig verwijtbaar is, wordt een transitievergoeding toegekend aan werknemer ten laste van werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3884
AR-Updates.nl 2016-1429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5386944 AZ VERZ 16-191

Beschikking van de kantonrechter van 14 december 2016

MD

in de zaak van:

de stichting

stichting meandergroep zuid-limburg,

gevestigd en kantoor houdend te Landgraaf,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. drs. C.A.H. Lemmens,

tegen:

[verweerster] ,

wonend aan de [adres] ,

[woonplaats] ,

verwerende partij,

gemachtigde mr. R.M.M. Jacobs.

Partijen zullen hierna Meander en [verweerster] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- een verzoekschrift met producties dat op 22 september 2016 ter griffie is ontvangen;

- een verweerschrift met producties;

- de mondelinge behandeling d.d. 6 december 2016.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] , geboren op [geboortedag] 1954, is op 30 december 1973 krachtens arbeidsovereenkomst bij (de rechtsvoorgangster van) Meander in dienst getreden als directiesecretaresse op de locatie dr. Calshof. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg toepasselijk.

2.2.

In 2014 is dhr. [naam directeur] directeur geworden van (onder meer) de locatie dr. Calshof. In het rayon dat [naam directeur] aanstuurt zijn twee directiesecretaresses werkzaam, één op de locatie Heerveld en één op de locatie dr. Calshof ( [verweerster] ). [naam directeur] is van mening dat de ondersteuning van een directiesecretaresse volstaat. [naam directeur] en [verweerster] hebben hierover op 5 augustus 2014 gesproken. Van dat gesprek is een verslag opgemaakt. Blijkens dat gespreksverslag is afgesproken:

“1. [verweerster] [ [verweerster] ] geeft aan akkoord te gaan met het voorstel van [naam directeur] [ [naam directeur] ]. Dat betekent:

- Per 1 augustus [2014] vervult [verweerster] de functie van administratief medewerker en doet daarmee de algemene administratie van dr. Calshof als de ondersteuning van de nieuwe manager Facilitair;

- [verweerster] behoudt haar salaris in de vorm van een garantiesalaris;

- de wijzigingen worden vertaald in de officiële wijziging op de arbeidsovereenkomst die [verweerster] ter ondertekening aangeboden krijgt.

(…)”.

2.3.

Met ingang van 1 augustus 2014 is [verweerster] de functie van administratief medewerker gaan vervullen, tegen een loon van laatstelijk € 1.864,49 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering.

2.4.

Kort nadien zijn er door Meander opmerkingen over het functioneren van [verweerster] gemaakt. Op 21 augustus 2014 is een gesprek tussen [naam directeur] , [naam manager V&V] (manager V&V) en [verweerster] geëscaleerd, waarbij [verweerster] binnen enkele minuten na aanvang van het gesprek is weggelopen. Naar aanleiding daarvan heeft er op 25 augustus 2014 een nieuw gesprek tussen onder meer [naam directeur] en [verweerster] plaatsgevonden. Daarvan is een gespreksverslag opgesteld, waaruit blijkt dat er in het gesprek twee scenario’s aan haar zijn voorgehouden: (1) beëindiging van het dienstverband ofwel (2) het opstarten van een verbetertraject. [verweerster] heeft hierop juridisch advies ingewonnen bij Abvakabo. Een sociaal juridisch medewerker van Abvakabo heeft namens [verweerster] bij brief van 16 september 2014 op het gespreksverslag (en de daarin beschreven scenario’s) gereageerd.

2.5.

Op 13 oktober 2014 vindt opnieuw een gesprek tussen onder meer [naam directeur] en [verweerster] (vergezeld van haar huidige gemachtigde) plaats. Ook van dit gesprek is een

gespreksverslag opgemaakt.

2.6.

Op 14 oktober 2014 meldt [verweerster] zich ziek.

2.7.

De bedrijfsarts stelt vast dat er sprake is van ziekteverzuim door beperkingen op het gebeid van persoonlijk en sociaal functioneren en dat daarnaast sprake is van een arbeidsconflict. Hij adviseert mediation.

2.8.

Op 25 november 2014 bespreekt Meander een drietal zaken met [verweerster] :

1. Consult bedrijfsarts (en mediation);

2. Aanbod ondersteuning door Meander Coaching;

3. Proefplaatsing van [verweerster] op de financiële administratie van Meander.

Ook van dit gesprek is een verslag opgemaakt.

2.9.

[verweerster] kan niet instemmen met de in de vorige rechtsoverweging onder 2 en 3 vermelde voorstellen. [verweerster] stemt wel in met het opstarten van mediation.

2.10.

Bij brief van 7 januari 2015 heeft Meander aan [verweerster] bericht dat de mediation wordt opgestart en dat mevr. [naam mediator] van Encare Arbodienst als mediator zal optreden. [verweerster] wordt in de gelegenheid gesteld om eventuele bezwaren kenbaar te maken.

2.11.

Met ingang van 29 januari 2015 gaat [verweerster] gedurende drie maanden voor 3 x 4 uur per week aan de slag bij de receptie van de Meander-locatie Hambos. Bij brief van 29 januari 2015 worden de nadere afspraken van deze zogeheten WEP (werkervaringsplek in het kader van haar re-integratie) door Meander aan [verweerster] bevestigd.

2.12.

In het kader van de mediation vinden vervolgens de eerste gesprekken plaats.

2.13.

[verweerster] geeft aan dat zij in verband met de werktijden de werkzaamheden bij de receptie van de Hambos niet kan voortzetten. Op 7 mei 2015 heeft [verweerster] hierover met [naam facilitair manager] (facilitair manager Hambos) gesproken.

2.14.

Op 18 mei 2015 heeft [verweerster] een gesprek gehad met de verzuim en re-integratieadviseur van Meander, mevr. [naam verzuim- en re-integratieadviseur] , en [naam directeur] . In dit gesprek heeft [verweerster] aangegeven geen behoefte meer te hebben aan mediation. Bij e-mail van 18 mei 2015 is dit aan de mediator bericht.

2.15.

Met ingang van 1 juni 2015 gaat [verweerster] aan de slag op een andere WEP: ditmaal op de Meander-locatie Lückerheide waar zij een combinatiefunctie winkel/restaurant gaat vervullen. Op 28 mei 2015 spreken partijen hierover en worden afspraken gemaakt. Wederom is een gespreksverslag opgemaakt.

2.16.

Op 2 juni 2015 stopt [verweerster] maar haar werkzaamheden op de Lückerheide omdat zij deze werkzaamheden fysiek en psychisch te belastend vindt.

2.17.

Meander besluit daarop een functionele mogelijkheden lijst (FML) te laten opstellen door de bedrijfsarts. Blijkens deze FML van 17 juni 2015 komen (samengevat) de volgende beperkingen van [verweerster] naar voren: omgaan met emotionele problemen van anderen en moeite met gevoelens uiten en fysieke beperkingen (lichte beperkingen ten aanzien van buigen, tillen of dragen).

2.18.

Met ingang van 10 augustus 2015 gaat [verweerster] tijdelijk aan de slag bij de cliënt Zorgregistratie (op het hoofdkantoor van Meander). Op 21 augustus 2015 geeft [verweerster] in een gesprek aan deze werkzaamheden erg moeilijk te vinden. Op 25 augustus 2015 bericht zij per e-mail dat zij deze werkzaamheden niet kan continueren.

2.19.

Bij brief van haar huidige gemachtigde aan Meander d.d. 9 oktober 2015 meldt [verweerster] zich beter en maakt zij aanspraak op terugplaatsing naar haar oude functie. Meander accepteert deze betermelding niet: de bedrijfsarts is van mening dat [verweerster] niet arbeidsgeschikt is voor haar eigen functie.

2.20.

Met ingang van 3 november 2015 gaat [verweerster] in het kader van het zogeheten SALTO-project financieel administratieve taken voor Meander verrichten.

2.21.

Op 18 november 2015 heeft Meander een deskundigenoordeel aangevraagd over de door haar gedane re-integratie inspanningen. Het UWV heeft op 2 december 2015 geoordeeld dat de re-integratie inspanningen van Meander tot dan tot onvoldoende zijn geweest. De arbeidsdeskundige schrijft daarover in zijn oordeelsvorming:

“U vraagt naar twijfel over de haalbaarheid van spoor 1. In de evaluatiemomenten gedurende het ziektetraject is vanaf het begin uit gegaan van terugkeer in een functie. Naar onze mening is er altijd sprake van toetsen op mogelijkheden op een terugkeer gedurende re-integratie. Door middel van mediation, coaching, begeleiding bedrijfsarts en proefplaatsing is de “twijfel”/mogelijkheden op re-integratie getoetst.

Hieruit mag worden gedestilleerd dat het ging om proefplaatsingen. Proefplaatsingen zijn bedoeld om haalbaarheid te toetsen. M.a.w. er bestaat geen expliciete duidelijkheid omtrent haalbaarheid. Twijfel aan duurzaamheid is derhalve aan de orde. Bij twijfel dient spoor 2 te worden ingezet. Spoor 2 had opgestart dienen te worden en separaat het onveranderd onderzoeken van de re-integratiemogelijkheden in spoor 1; zo worden maximaal alle kansen bezien en benut. Dit is in het belang van 2 partijen. Belanghebbende heeft een goede staat van dienst en heeft recht op een maximale inzet van haar werkgever.

(…)”.

2.22.

Enkele weken later geeft [verweerster] nogmaals aan in haar oude functie volledig te willen hervatten. Voor Meander is dit niet bespreekbaar. Partijen spreken (in het bijzijn van hun gemachtigden) over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst kan worden beëindigd, maar bereiken daarover geen overeenstemming.

2.23.

Op 30 maart 2016 verschijnt [verweerster] op het spreekuur van de bedrijfsarts. Het schriftelijke advies van de bedrijfsarts luidt:

“Arbeidsmogelijkheden: Betrokkene kan opstarten in een passende functie rekening houdend met haar beperkingen.

Bepekringen: Zie de FML lijst van juni 2015. De beperkingen zijn niet veranderd tov toen.

Conclusie en prognose: In overleg met werkgever starten in een passende functie. Beginnen met 50% en indien dit goed gaat de weken erna opbouwen naar 100% in taken en in uren. Indien ze de functie in volle omvangt uitvoert in overleg met werkgever vervolgens hersteld melden.

Advies: Zsm samen in gesprek gaan en opstarten in passende functie.”

2.24.

Bij brief van 20 april 2016 bericht Meander [verweerster] over de wijze waarop de re-integratie wordt voortgezet.

2.25.

Op 26 april 2016 start [verweerster] op de afdeling financiële administratie, waar zij binnengekomen facturen uitpakt en inscant.

2.26.

Op 17 mei 2016 vindt er een gesprek met [verweerster] plaats omdat de uitvoering van de werkzaamheden op de financiële administratie niet naar verwachting verloopt. Van dit gesprek is een gespreksverslag opgemaakt. Blijkens dit verslag is afgesproken:

“1. Aangezien [verweerster] aangeeft dat zij overweegt te stoppen met de ervaringsplek [WEP] worden hier afspraken over gemaakt. [naam manager financiële administratie] [ [naam manager financiële administratie] , manager financiële administratie] geeft aan dat [verweerster] bij zichzelf ten rade dient te gaan wat zij wilt. Er wordt afgesproken dat [verweerster] uiterlijk donderdag 19 mei a.s. laat weten wat haar keuze is.

2. [verweerster] is bereid haar werktijden aan te passen [ [verweerster] is van mening dat zij pas om 10.30 uur kan beginnen, terwijl de organisatie van de boekhouding erop is ingericht dat iedereen uiterlijk om 08.30 uur start]. Er wordt afgesproken dat [verweerster] morgen om 09.00 uur begint met werken. Als ze besluit te blijven werken op de plek zal [verweerster] op dezelfde tijd beginnen als alle andere mensen op de afdeling”.

2.27.

Nog diezelfde dag bericht [verweerster] per e-mail aan Meander:

“(…) Op basis van de onredelijke werkdruk alsmede de verkeerde voorstelling van zaken, alsmede de druk welke dit lichamelijk en psychisch op mij legt, te meer nu de functie [op de financiële administratie] van origine aangeboden is in het kader van herstel en dit niet zo werkt, geef ik aan deze niet verder uit te kunnen voeren en verzoek, nogmaals, om op korte termijn in mijn eigen functie teruggeplaatst te worden en acht mezelf tot die tijd, conform uw eerste insteek, tot aan dat moment, zonder tegenbericht, vrijgesteld van arbeid”.

2.28.

Op 31 mei 2016 verschijnt [verweerster] op het spreekuur van de bedrijfsarts.

“Arbeidsmogelijkheden: Er zijn arbeidsmogelijkheden in werkzaamheden waarbij rekening gehouden wordt met haar beperkingen zoals benoemd in bijgaande geactualiseerde FML-lijst [d.d. 31 mei 2016].

Beperkingen: De FML-lijst is aangepast daar er een verandering is tav klachten tov juni 2015.

Conclusie en prognose: De FML-lijst is geactualiseerd. Betrokkene kan opstarten in een functie waarbij rekening wordt gehouden met de benoemde beperkingen.

Advies: Een arbeidskundig onderzoek kunnen ondersteunen in het zoeken naar een passende functie ter beoordeling van haar belasting/belastbaarheid”.

2.29.

In juli 2016 krijgt [verweerster] een TIA.

2.30.

Op 7 september 2016 bezoekt [verweerster] het spreekuur van de bedrijfsarts. Deze geeft aan dat de beperkingen van [verweerster] , ondanks de TIA, conform de geactualiseerde FML is die in mei 2016 is opgesteld. Ook geeft de bedrijfsarts aan dat [verweerster] nu even een time-out nodig heeft om het gebeurde [de TIA] mentaal te verwerken.

2.31.

Het loon van [verweerster] is vanaf haar eerste ziekmelding door Meander doorbetaald (aanvankelijk 100%, later 70%).

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Meander verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

- de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden en bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn;

- te bepalen dat [verweerster] door haar ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten geen recht heeft op een transitievergoeding;

- [verweerster] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

Meander verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] :

- primair te ontbinden op grond van het bepaalde in art. 7:671b lid 1, onderdeel a, in verbinding met art. 7:669 lid 1 en 3, onderdeel e, BW (de ‘e-grond’, kort gezegd ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van [verweerster] );

- subsidiair te ontbinden op grond van het bepaalde in art. 7:671b lid 1, onderdeel a, in verbinding met art. 7:669 lid 1 en 3, onderdeel g, BW (de ‘g-grond’, kort gezegd een

verstoorde arbeidsverhouding);

- meer subsidiair te ontbinden op grond van het bepaalde in het bepaalde in art. 7:671b lid 1, onderdeel a, in verbinding met art. 7:669 lid 1 en 3, onderdeel h, BW (de h-grond, kort gezegd de rest-grond).

Voor de verdere uitwerking wordt verwezen naar het verzoekschrift met producties en de ter zitting gegeven toelichting.

3.3.

[verweerster] voert verweer en verzoekt:

a. a) primair het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen;

b) subsidiair, indien het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen, aan haar een maximale transitievergoeding van € 76.000,00 bruto toe te kennen ten laste van Meander en Meander te verwijzen in de door [verweerster] gemaakte kosten van juridische bijstand ten bedrage van € 2.500,00.

Voor de verdere uitwerking van het verweer van [verweerster] wordt verwezen naar het verweerschrift met producties en de ter zitting gegeven toelichting.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat door de akkoordverklaring van [verweerster] administratief medewerkster (en dus niet langer directiesecretaresse) de bedongen arbeid is geworden. Ook uit de brief van haar toenmalige gemachtigde van Abvakabo van 16 september 2014 volgt niet dat zij bezwaar maakt tegen deze plaatsing in de nieuwe functie.

Opzegverbod

4.2.

De vreemde situatie doet zich voor dat [verweerster] voorafgaand aan deze procedure herhaaldelijk te kennen heeft gegeven (zie 2.22 en 2.27) volledig arbeidsgeschikt te zijn voor de eigen functie (administratief medewerkster). Dit in tegenstelling tot de bedrijfsarts (zie 2.28 en 2.30). In deze procedure heeft [verweerster] gesteld dat er sprake is van een opzegverbod, voortvloeiende uit de ziekmelding inzake haar TIA in juli 2016. Daarmee miskent [verweerster] dat haar eerste ziekmelding van 14 oktober 2014 dateert en dat zij daarna nimmer (volledig) hersteld is gemeld. Het enkele feit dat [verweerster] in juli 2016 een TIA heeft gehad – hoe betreurenswaardig ook – staat niet aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg. Niet gebleken is dat het onderhavige verzoek verband houdt met de ziekmelding op 14 oktober 2014. Op grond van het bepaalde in art. 7:671b lid 6 BW kan de kantonrechter in een dergelijk geval – waarin op de e-, g- en h- grond om ontbinding wordt verzocht – toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de ontbinding indien hij vaststelt dat die ontbinding géén verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft.

4.3.

Hierna zal de kantonrechter beoordelen of één van de door werkgever aan het verzoek tot ontbinding ten grondslag gelegde redenen toewijzing van dat verzoek rechtvaardigt.

E-grond?

4.4.

De e-grond is vervuld indien er sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.5.

De rode draad in het verweerschrift van [verweerster] is dat Meander, nadat [naam directeur] directeur is geworden, een hele rits aan ‘plaagartikelen’ heeft gebruikt om tot een einde van de arbeidsovereenkomst te komen. De functies die door Meander in het kader van WEP’s aan haar zijn aangeboden, zijn alleen maar bedoeld om haar te laten falen, aldus [verweerster] .

4.5.1.

Met ingang van 1 augustus 2014 is [verweerster] aan de slag gegaan in haar nieuwe functie als administratief medewerkster. Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsverhouding tussen [naam directeur] en [verweerster] nadien al snel getroebleerd is geraakt. Kernvraag is echter – nu de primair aangevoerde e-grond als eerste beoordeeld dient te worden – of het gedrag van [verweerster] in de periode nadien verwijtbaar is. In de periode van 1 augustus 2014 tot 14 oktober 2014 kan – ondanks het feit dat er opmerkingen waren over het functioneren van [verweerster] – geen verwijtbaar handelen en/of nalaten worden ontwaard.

4.5.2.

Van 29 januari 2015 tot 29 april 2015 heeft [verweerster] aan de receptie van de Hambos gewerkt. [verweerster] heeft niet weersproken dat zij zelf gedurende deze periode haar eigen werktijden bepaalde, zodat dit tussen partijen vaststaat. Nu hiervoor geen objectiveerbare medische grond bestond (uit de adviezen van de bedrijfsarts blijkt dat immers niet), is dit verwijtbaar handelen van [verweerster] . Ofschoon er ook over het functioneren van [verweerster] in deze functie opmerkingen van Meander waren, is niet gebleken dat [verweerster] moedwillig de kont tegen de krib heeft gegooid door bewust bepaalde werkzaamheden niet of onvoldoende uit te voeren. Wel weegt ten nadele van [verweerster] mee dat zij, zonder enige toelichting te geven, de in januari 2015 opgestarte mediation (die door haar werkgever was opgestart en werd bekostigd) reeds op 18 mei 2015 op eigen initiatief heeft beëindigd. Juist nu partijen het erover eens waren dat de arbeidsverhouding verstoord was, had zeker van [verweerster] mogen worden gevergd om haar beweegredenen voor dat besluit nader toe te lichten. Die

toelichting heeft zij evenwel in het geheel niet gegeven.

4.5.3.

Voor wat betreft de combinatiefunctie winkel/restaurant Lückerheide (waar [verweerster] op 1 juni 2015 aan de slag ging, maar die een dag later al door [verweerster] werd beëindigd) is niet komen vast te staan dat [verweerster] daar verwijtbaar heeft gehandeld. Weliswaar trok [verweerster] erg snel de stekker uit deze WEP, maar er was op dat moment nog geen FML door de bedrijfsarts opgesteld. De tussen partijen gevoerde discussie over de vraag of deze WEP passende arbeid voor [verweerster] was, laat de kantonrechter dan ook voor wat hij is.

4.5.4.

Op 17 juni 2015 lag die FML er echter wel. Aan de hand daarvan kan worden geconcludeerd dat [verweerster] moeite had met het omgaan met emotionele problemen van anderen, moeite had met het uiten van gevoelens en zelf ook lichte fysieke beperkingen (ten aanzien van buigen, tillen of dragen) ervoer. Meander heeft genoegzaam onderbouwd dat met die beperkingen in de functie op de cliënt zorgregistratie (die [verweerster] met ingang van 10 augustus 2015 vervulde) voldoende rekening is gehouden. Zonder dat daarvoor enige medische grond is komen vast te staan, heeft [verweerster] bij e-mailbericht van 25 augustus 2015 aangegeven zich niet meer in staat te voelen deze werkzaamheden te continueren. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter verwijtbaar, nu ook van een goed werknemer voldoende inspanningen mogen worden verwacht om de re-integratie tot een succes te maken. De e-mail van 25 augustus 2015 is nog onbegrijpelijker als die wordt afgezet tegen de brief van haar gemachtigde van 9 oktober 2015. In die brief meldt [verweerster] zich hersteld voor haar oude functie en verzoekt zij om terugplaatsing in die oude functie. Hoe kan [verweerster] op 25 augustus 2015 berichten dat aangepast werk op de cliënt zorgregistratie te zwaar is, om op 9 oktober 2015 te berichten dat zij hersteld is en terugkeer in haar eigen functie (die qua omvang en aard van het werk veel zwaarder is) verlangen?

4.5.5.

In de functie op de financiële administratie (die [verweerster] met ingang van
3 november 2015) is gaan vervullen, is onvoldoende door Meander geconcretiseerd waarin [verweerster] verwijtbaar heeft gehandeld of nalatig is gebleven. Alhoewel het UWV op
2 december 2015 heeft geoordeeld dat de re-integratie inspanningen van Meander tot dan toe onvoldoende zijn, heeft [verweerster] hieraan in deze procedure geen gevolgen verbonden. Noch in haar verweerschrift, noch ter zitting is zij hier nader op ingegaan. De verklaring van Meander dat zij spoor 2 nog niet had opgestart vanwege de plotse hersteld melding van [verweerster] (die overigens niet werd geaccepteerd) komt de kantonrechter plausibel voor en is ook niet door [verweerster] betwist.

4.5.6.

Op 26 april 2016 gaat [verweerster] aan de slag op de financiële administratie alwaar zij facturen uitpakt en inscant. Meander heeft onweersproken gesteld dat deze WEP – conform het advies van de bedrijfsarts van 30 maart 2016 – passend is. Meander heeft verder aan de hand van productie 21 onderbouwd dat [verweerster] , ondanks begeleiding door twee collega’s een veel te laag tempo heeft en veel fouten maakt. Veel belangrijker is echter dat [verweerster] , zonder dat de bedrijfsarts enige beperking ten aanzien van de begintijd heeft aangegeven, van mening is pas om 11.30 uur haar werkzaamheden op de financiële administratie te kunnen starten. Op 17 mei 2016 heeft [verweerster] per e-mail bericht deze functie niet meer ‘opportuun’ te vinden. Ook hier geldt: iedere medische indicatie daarvoor (van de bedrijfsarts, en indien [verweerster] het daarmee oneens was: het UWV) ontbreekt. Sterker nog: [verweerster] stelt zichzelf vanwege die in haar ogen te zware tijdelijke functie zelf vrij van werk. Met deze handelswijze laat [verweerster] zien dat zij geen inzicht heeft in de hiërarchische verhouding die zo kenmerkend is voor een arbeidsrelatie. Het is aan de werkgever om een werknemer vrij te stellen van arbeid en niet andersom. Wederom verzoekt [verweerster] om herplaatsing in haar eigen functie. En ook hier geldt: hoe kan [verweerster] herplaatsing in die functie verlangen terwijl zij nota bene zelf aangeeft de lichtere functie op de financiële administratie niet aan te kunnen?

4.5.7.

Alhoewel [verweerster] in juli 2016 een TIA heeft gehad, zijn blijkens het advies van de bedrijfsarts van 7 september 2016 voor wat betreft de belastbaarheid van [verweerster] geen veranderingen opgetreden ten opzichte van het advies van 31 mei 2016 (en de geactualiseerde FML).

4.6.

Het vorenstaande brengt mee dat [verweerster] stelselmatig weigert mee te werken aan haar re-integratie, zonder dat daar objectiveerbare (medische) redenen voor zijn. De e-grond is mitsdien volledig vervuld en levert een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op. Herplaatsing ligt gelet op art. 7:669 lid 1 BW niet in de rede, omdat sprake is van verwijtbaar handelen en/of nalaten van [verweerster] . Aan een beoordeling van de subsidiaire en meer subsidiaire gronden van het ontbindingsverzoek wordt niet meer toegekomen.

Transitievergoeding?

4.7.

Meander heeft bepleit dat de transitievergoeding niet verschuldigd is omdat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] . De kantonrechter volgt Meander daarin niet. De hiervoor beschreven gedragingen en nalatigheden van [verweerster] zijn weliswaar verwijtbaar, maar daarmee nog niet ernstig verwijtbaar. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat [verweerster] een lang dienstverband heeft en dat voordat [naam directeur] in 2014 haar directeur werd, nimmer klachten zijn geuit over haar functioneren. Nu aan de voorwaarden die art. 7:673 BW stelt is voldaan, is de transitievergoeding toewijsbaar.

4.8.

[verweerster] heeft om toekenning van de maximale wettelijke transitievergoeding verzocht. Daarmee gaat [verweerster] voorbij aan het feit dat in art. 7:673 lid 2 BW is neergelegd hoe die vergoeding wordt berekend en wat het maximum van die vergoeding is. Meander heeft onweersproken gesteld dat, indien die transitievergoeding met inachtneming van dit artikel wordt berekend, € 54.609,00 (bruto) bedraagt. Indien [verweerster] van mening zou zijn dat zij daarnaast nog aanspraak kan maken op enige andere vergoeding, bijvoorbeeld een billijke vergoeding, dan had het op de weg van [verweerster] gelegen om tegenverzoek in te dienen. Een dergelijk verzoek is echter niet door [verweerster] gedaan. Voor toekenning van een dergelijke vergoeding is op grond van art. 7:671b lid 8 onderdeel c BW vereist dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor, aangezien uit de hiervoor weergegeven feiten volgt dat Meander meer dan voldoende inspanningen heeft verricht om een alternatieve functie te vinden voor [verweerster] , maar dat dit door de weigerachtige opstelling van [verweerster] zelf niet is gelukt. Zelfs indien [verweerster] om de hier bedoelde billijke vergoeding bij wijze van tegenverzoek zou hebben verzocht, dan zou deze vergoeding door de kantonrechter zijn afgewezen.

4.9.

Volgens art. 7:671b lid 8, onderdeel a, BW geldt dat voor de ontbindingsdatum rekening dient te worden gehouden met de geldende opzegtermijn, door het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, waarbij de duur van de ontbindingsprocedure in mindering wordt gebracht, met een minimum van een maand. Omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] , wordt geen aanleiding gezien om hiervan af te wijken (en toepassing te geven aan het bepaalde in art. 7:671b lid 8, onderdeel b, BW). De arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt mitsdien ontbonden met ingang van 1 februari 2017.

Mogelijkheid intrekking ontbindingsverzoek

4.10.

Nu aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding wordt verbonden, zal Meander gelet op het bepaalde in art. 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te trekken binnen de hierna genoemde termijn. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn arrest van 27 juli 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:6140) immers overwogen dat ook een transitievergoeding moet worden begrepen als ‘een vergoeding’ als bedoeld in art. 7:686a lid 6 BW.

Proceskosten

4.11.

[verweerster] dient – indien Meander haar verzoek handhaaft – als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, die aan de zijde van Meander tot op heden worden begroot op € 517,00 (zijnde € 117,00 griffierecht plus
€ 400,00 aan salaris gemachtigde). Mocht Meander haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst binnen de hierna te vermelden termijn intrekken, dan zal zij worden veroordeeld tot betaling van de aan de zijde van [verweerster] gerezen proceskosten voor zover die zien op salaris gemachtigde. Dat salaris gemachtigde wordt in dat geval begroot op
€ 400,00.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen Meander het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de gemachtigde van de wederpartij), zal lopen tot en met 28 december 2016.

Voor het geval Meander het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet binnen de termijn genoemd in 5.1. intrekt:

5.2.

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van
1 februari 2017;

5.3.

veroordeelt Meander om aan [verweerster] een transitievergoeding te betalen van
€ 54.609,00 bruto;

5.4.

veroordeelt [verweerster] tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van Meander tot op heden begroot op € 517,00;

5.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Voor het geval Meander het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst binnen de termijn genoemd in 5.1. intrekt:

5.7.

veroordeelt Meander tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verweerster] tot op heden begroot op € 400,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Groen en is in het openbaar uitgesproken.