Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:10869

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
03/700514-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Officier van justitie eist gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging ter zake van poging tot moord, vrijheidsberoving en bedreiging. Rechtbank veroordeelt verdachte ter zake van vrijheidsberoving en bedreiging van zijn ex-partner en legt verdachte gevangenisstraf en tbs met voorwaarden met dadelijke uitvoerbaarheid op

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700514-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 december 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

gedetineerd in Vught PPC te Vught.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.L. Daniëls, advocaat kantoorhoudende te Rijen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 november 2016. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: met voorbedachten rade heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden.

Feit 2: [slachtoffer] van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, althans dit heeft geprobeerd.

Feit 3: [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood dan wel met zwaar lichamelijk letsel.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Volgens de officier van justitie heeft verdachte het slachtoffer [slachtoffer] een tie-wrap over haar hoofd getrokken, een stanleymes tegen haar keel gezet en vingers in haar keel gestopt en gezegd dat hij haar zou doden en er nu een eind aan te maken, hetgeen getuigt van opzet op de dood van het slachtoffer. Zij baseert haar standpunt op de aangifte van [slachtoffer] en de bevindingen van de forensisch arts die letsel constateert in en aan de keel van het slachtoffer.

Het onder 2 primair en onder 3 tenlastegelegde acht de officier van justitie eveneens bewezen. Zij heeft daartoe verwezen naar de aangifte van [slachtoffer] en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde bepleit en daartoe aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 6 oktober 2015 doet [slachtoffer] aangifte tegen haar ex man [verdachte] . Zij verklaart als volgt. Op 6 oktober 2015 was zij werkzaam in het Zuyderland ziekenhuis te Heerlen. Na haar dagdienst liep zij naar haar auto. Bij nadering van haar auto zag zij dat de linker voorband van haar auto plat was. Zij bevond zich links naast haar auto. Plots stond iemand achter haar en kreeg zij een tie-wrap over haar hoofd en rond haar hals. De persoon trok heel hard aan deze tie-wrap en trok haar achterwaarts in zijn auto. Aan de passagierskant. Die persoon was haar ex-man [verdachte] . Ze hoorde dat hij zei dat ze mee moest en dat ze dood moest en dat dit het moment was. Er ontstond een worsteling. Aangeefster voelde dat hij haar keel dichtkneep. Aangeefster deed of ze buiten bewustzijn raakte. Hij liet haar keel los. Vervolgens liet hij haar een stanleymes en een ijzeren bijl met een houten steel zien.

Aangeefster zag mensen lopen in de parkeergarage en begon heel hard te schreeuwen. Haar ex-man stak drukte meerdere vingers hard in haar mond om haar het schreeuwen te beletten. Hierdoor kreeg aangeefster geen lucht. Hij sloeg haar meerdere malen met een vuist in haar gezicht, toonde haar genoemde wapens en riep dat ze eraan zou gaan. Terwijl hij dit allemaal deed stond hij naast zijn auto voor het geopende portier. Het stanleymes heeft hij tegen haar keel gehouden. Aangeefster hoorde dat hij weer riep dat ze kapot moest. Dat ze in ieder geval zou sterven.2

Huisarts M. Cremers-Jorissen heeft aangeefster op 6 oktober 2015 onderzocht. Bij het onderzoek kon aangeefster slecht praten door de pijn en was hees. Cremers-Jorissen schrijft dat zij bij mevrouw [slachtoffer] een wond aan het oor heeft geconstateerd, wat bloed op de hals, een zwelling temporaal links en een gevoelig strottenhoofd. Het lijkt alsof aangeefster een zwelling in de keel heeft.3

Forensisch geneeskundige Poettgens heeft aangeefster op 8 oktober 2015 onderzocht. Hij ziet op de handpalm van de rechterhand van mevrouw [slachtoffer] een overlangs verlopende ondiepe snijwond, bestaande uit 2 delen van respectievelijk ca. 2 en 4 cm lengte. Op het behaarde hoofd zijn een drietal zwellingen voelbaar en op de kruin is een kleine hoofdwond te zien. Achter het linker oor bevindt zich een "geplakte" wond van ca. 3 cm. In het gelaat heeft aangeefster aan de rechterwang, het kingedeelte en rond de mond en onderlip enkele rode verkleuringen, passend bij geweldsinwerking.

Bij inspectie ziet Poettgens achter in de mond en het bovenste keelgedeelte een rode zwelling. Poettgens constateert aan de voorzijde van de hals een kleine wond van ca. 1 cm en enkele rode vlekken in de keel- en halsstreek.

De vastgestelde letsels passen volgens de forensisch geneeskundige Poettgens goed bij het verhaal van aangeefster en kunnen dit staven.4

Op 7 juli 2016 heeft de getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. [getuige 1] was op 6 oktober 2015 tezamen met zijn vriendin in de parkeergarage van het ziekenhuis van Heerlen. Ze liepen naar de auto en hoorden geschreeuw van een vrouw. [getuige 1] zag een man voor een vrouw staan. De vrouw zat laag in het nauw gedreven in de hoek. De getuige heeft de man meerdere malen een slaande beweging zien maken. De man sloeg de vrouw twee of drie keren met gebalde vuist. Zij zat met haar rug in de deuropening bij de scharnieren van de deuropening van de auto. De vrouw zat met haar rug naar de scharnieren gedraaid. Ze zat klein, laag in de deur.5

Ook op 7 juli 2016 heeft de getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Zij was op 6 oktober 2015 geopereerd. Zij zag dat de man gebogen stond en dat de vrouw een beetje in het portier van de auto lag. Haar gezicht heeft de getuige niet gezien alleen de benen. De auto waar het gebeurde stond schuin tegenover haar auto. De getuige hoorde “euhm euhm”. Ze dacht dat de keel van de vrouw werd dichtgeknepen. Het geluid was niet hard, maar je hoorde het geluid wel en het trok de aandacht, het was een kreunend geluid.6

Ter terechtzitting van 30 november 2016 heeft de verdachte verklaard dat hij de aangeefster op 6 oktober 2015 in de parkeergarage van het Zuyderland ziekenhuis te Heerlen zeker 2 of 3 keren in zijn auto met een vuist heeft geslagen. Ze lag plat tussen de bestuurders- en passagierskant in. Hij heeft haar in de auto geduwd. Daarvoor had hij de banden van haar auto lek gestoken om te voorkomen dat aangeefster weg zou kunnen rijden. Verdachte wilde per sé een aantal zaken met zijn ex-partner uitpraten en haar daartoe in zijn auto meenemen naar haar broer. Hij heeft haar geslagen met zijn rechtervuist en haar geraakt waar hij haar maar kon raken. Zittend voor de auto heeft hij een hele tijd op zijn hurken voor haar gezeten. In zijn auto lagen een bijl, tie-wraps en drie stanleymessen. Hij weet niet meer wanneer hij het stanleymes heeft gepakt. Hij had het stanleymes in zijn hand toen de aangeefster in de auto zat. Hij heeft met het mes in de tas van de aangeefster gestoken. Hij denkt dat het hele gebeuren ongeveer een kwartier in beslag heeft genomen.

overwegingen

De rechtbank stelt vast dat de lezing van de aangeefster respectievelijk de verdachte van hetgeen zich op 6 oktober 2015 zou hebben afgespeeld in de parkeergarage van het ziekenhuis in Heerlen aanzienlijk verschilt.

Uit de aangehaalde getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en de verklaringen van de aangeefster en van de verdachte voor zover die verklaringen voor het bewijs worden gebezigd, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat de verdachte op 6 oktober 2015 zijn ex vrouw, aangeefster [slachtoffer] , heeft opgewacht, haar in zijn auto heeft geduwd en heeft mishandeld door haar met gebalde vuist te slaan en haar bij de keel te grijpen. Ook heeft de verdachte zijn vingers in haar keel gestoken om haar het schreeuwen om hulp te beletten. Hij heeft haar bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht door haar een stanleymes en een bijl te tonen. Uit de kleine wond aan de voorzijde van de hals van de aangeefster leidt de rechtbank af dat de verdachte het stanleymes niet alleen aan de aangeefster heeft getoond en tegen haar keel heeft gehouden, maar haar daarmee ook in haar huid heeft geprikt.

De verdachte heeft de aangeefster achterwaarts in zijn auto getrokken. Door geruime tijd op zijn hurken voor het portier van de auto te zitten, terwijl de aangeefster zich achterwaarts bij dit portier bevond, heeft de verdachte de aangeefster gedurende enige tijd belet de auto te verlaten en zich schuldig gemaakt aan opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De verdachte heeft tegen de aangeefster geschreeuwd dat zij zou sterven. Hij heeft haar wapens laten zien waarmee zij daadwerkelijk zou kunnen worden gedood. De verdachte heeft de aangeefster aldus bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de vastgestelde feiten voldoende zijn voor bewezenverklaring van de onder 1 aan de verdachte tenlastegelegde poging tot moord dan wel - impliciet - poging tot doodslag op de aangeefster [slachtoffer] . De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Voor bewezenverklaring van poging tot moord is vereist dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade heeft geprobeerd de aangeefster van het leven te beroven. Voor bewezenverklaring van poging tot doodslag geldt dit laatste vereiste niet. Opzettelijk handelen is willens en wetens handelen. Opzet betreft een inwendig psychisch proces. De rechtbank heeft de daadwerkelijke bedoeling van de verdachte met zijn handelen niet kunnen achterhalen. Er bestaat onvoldoende direct bewijs dat de verdachte willens en wetens de aangeefster heeft willen doden.

Volgens de rechtspraak evenwel kan opzet op de dood bestaan als uit de bewijsmiddelen is af te leiden dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat door zijn handelen de dood van het slachtoffer zou intreden. Daarbij dient te worden bezien of er een aanmerkelijke kans bestond dat door de feitelijke gedragingen van de verdachte het slachtoffer het leven zou laten. Daarvan is hier geen sprake.

Het slaan met de vuisten op en tegen het hoofd van het slachtoffer heeft wel tot verwondingen bij het slachtoffer geleid, maar de kans dat het slachtoffer als gevolg daarvan zou komen te overlijden acht de rechtbank niet aanmerkelijk. Ook het dichtknijpen van de keel en het inbrengen van vingers in de keel van het slachtoffer kan niet tot die conclusie leiden, al was het reeds omdat niet duidelijk is hoelang deze handelingen hebben geduurd en met welke intensiteit zij hebben plaatsgevonden. Evenmin kan uit de door de forensisch geneeskundige geconstateerde verwondingen in de mond en keel van het slachtoffer worden afgeleid dat bij de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer bestond. De verdachte heeft een stanleymes tegen de keel van het slachtoffer gehouden en bij het slachtoffer is aan de voorzijde van de hals een kleine wond van circa 1 centimeter geconstateerd en bij het slachtoffer zijn in de keel- en halsstreek enkele rode vlekken gezien. Deze handelingen van de verdachte en de geconstateerde letsels beschouwt de rechtbank niet als uitvoeringshandelingen van het delict poging tot moord of poging tot doodslag.

De rechtbank is ervan overtuigd dat door het tonen door de verdachte aan de aangeefster van de bijl en van het stanleymes en door het door de verdachte tegen de keel van de aangeefster houden van het stanleymes, onder toevoeging van doodsbedreigingen, bij de aangeefster de overtuiging is ontstaan dat zij het leven zou laten. Evenwel zijn de hiervoor beschreven handelingen telkens op zich zelf genomen noch in onderlinge samenhang beschouwd, voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer als gevolg van deze handelingen van de verdachte zou komen te overlijden.

De rechtbank zal verdachte derhalve van het onder 1 ten laste gelegde vrijspreken.

Het onder 2 primair en onder 3 tenlastegelegde acht de rechtbank, gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

2. primair

op 6 oktober 2015 in de gemeente Heerlen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft verdachte die [slachtoffer] met (grof) geweld in zijn, verdachtes, auto getrokken;

3.

op 6 oktober 2015 in de gemeente Heerlen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend toegevoegd dat ze dood moest en dat zij er aan zou gaan en dat zij kapot

moest en dat zij in ieder geval zou sterven, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en die [slachtoffer] daarbij een bijl en een stanleymes getoond.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 2 primair:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

Feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte zijn door drs. S.J.J. Steketee, psycholoog, en prof. dr. A.J.W.M. Trompenaars, psychiater, onderzoeken naar de geestvermogens van verdachte ingesteld. Van hun onderzoek hebben beide deskundigen een rapport opgemaakt, gedateerd respectievelijk 30 maart 2016 en 4 april 2016.

Psycholoog Steketee concludeert in haar rapport dat de verdachte lijdende is aan een persoonlijkheidsstoornis (NAO), alcoholafhankelijkheid en -misbruik, beiden gedwongen in remmissie. Betrokkene stelt zich op als ontkennende verdachte, wat maakt dat er geen verband tussen de diagnose en het ten laste gelegde beschreven kan worden.

In algemene zin kan slechts gesteld worden dat betrokkene gevoelig is voor ervaren krenking (zich niet gehoord/gezien voelen/onvolwaardig voelen) in het contact met anderen. Betrokkene lijkt hierop te reageren met een sombere stemming en het leven te ervaren als zwaar en onrechtvaardig en/of hij probeert zich groot te maken door voor zichzelf op te komen door het vermeende conflict aan te gaan. Wanneer betrokkene hierin geblokkeerd wordt loopt de spanning vlot op. Bij oplopende spanningen is een toename van twijfel aan zichzelf zichtbaar, angst en/of ontreddering. De negatieve gevoelens (die betrokkene mogelijk heeft onderdrukt) lijken hem op de momenten van frustratie en onmacht te overvallen, wat kan leiden tot impulsieve uitingen/gedragingen.

Psychiater Trompenaars schrijft in zijn rapport dat de verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, die in diagnostische zin omschreven kan worden als een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven met vermijdende afhankelijke en borderline persoonlijkheidstrekken.

Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was er bij betrokkene sprake van de genoemde persoonlijkheidsstoornis, waarbij er ook sprake was van afhankelijkheid van alcohol.

Psychiater Trompenaars concludeert dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

De rechtbank verenigt zich met de in de rapporten gegeven conclusies en maakt deze daarom tot de hare.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf en de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden en een ter beschikking stelling met dwangverpleging.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat zij oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege noodzakelijk acht. De rapporterende gedragsdeskundigen hebben niet geadviseerd tot de oplegging van deze maatregel. De officier van justitie acht de kans op een succesvolle behandeling van de verdachte gering. De maatregel moet in de visie van de officier van justitie worden opgelegd uit beveiligingsoogpunt. Indien een terbeschikkingstelling met voorwaarden zou worden opgelegd en verdachte zou ontvluchten, dan zal het enige tijd duren voordat een terbeschikkingstelling met voorwaarden kan worden omgezet in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. In de tussentijd zou de verdachte dan weer vergelijkbare misdrijven kunnen begaan jegens zijn ex-partner, aldus de officier van justitie.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde poging tot moord of poging tot doodslag op zijn ex-vrouw, de vrijheidsberoving van zijn ex-vrouw en de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven.

De raadsvrouw heeft subsidiair een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest bepleit. De raadsvrouw heeft zich verzet tegen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging en heeft naar voren gebracht dat de verdachte zich bereid heeft verklaard alle voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke veroordeling na te zullen leven.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 6 oktober 2015 zijn ex vrouw van haar vrijheid beroofd en gedurende enige tijd beroofd gehouden en hij heeft haar bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht.

De verdachte heeft geen blijk gegeven van inzicht in het verkeerde en in de ernst van zijn handelen of van enig medeleven richting het slachtoffer. Integendeel, de verdachte is nog steeds vol wrok en haat jegens haar en ziet zichzelf vooral als slachtoffer en haar als dader. De rechtbank beoogt met het opleggen van een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur verdachte duidelijk te maken dat hij moet stoppen met fysiek en verbaal geweld jegens zijn ex-partner. De rechtbank acht in het licht van het bovenstaande oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden gepast en geboden. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de conclusie van de gedragsdeskundige Trompenaars dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De algemene ervaring leert dat slachtoffers van geweldsmisdrijven niet alleen nog lang last kunnen hebben van toegebracht fysiek letsel, maar ook nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring van mevrouw [slachtoffer] . De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan, zoals zij het de verdachte ook zwaar aanrekent dat hij kennelijk totaal geen respect heeft voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn ex-partner. Dat de verdachte mede door overmatig alcoholgebruik tot dit gedrag is gekomen, maakt hem niet minder verantwoordelijk. Verdachte moet geen alcohol drinken als hij weet dat hij zich door alcoholgebruik niet meer in de hand heeft en agressief wordt.

De rechtbank zal thans ingaan op de vraag of, zoals door de officier van justitie gevorderd, aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging moet worden opgelegd.

De deskundigenrapporten

Het rapport van psycholoog Steketee van 30 maart 2016 houdt in:

Differentiaal diagnostische beschouwing

(…)

Samenvattend kan gesteld worden dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO, waarbij afhankelijke, ontwijkende en borderline trekken te onderscheiden zijn. Vanaf 2006 is betrokkene geleidelijk aan zijn gevoelens gaan dempen met alcoholgebruik. Het alcoholgebruik is in de jaren die volgen uitgemond in dagelijks drinken van forse hoeveelheden. Betrokkene geeft aan dat er sprake is van dagelijks gebruik van alcohol in grote hoeveelheden vanaf 2010. Wanneer de spanning hoog opliep dronk hij het meeste. Betrokkene voldoet hiermee aan de criteria van alcohol afhankelijkheid en alcoholmisbruik (gedwongen in remissie).

(…)

Forensisch psychologische beschouwing

Betrokkene stelt zich op als grotendeels ontkennende verdachte.(…) Hierdoor is het niet mogelijk om het verband te beschrijven tussen de diagnose, persoonlijkheidsstoornis NAO, en het ten laste gelegde. In algemene zin kan slechts gesteld worden dat betrokkene gevoelig is voor ervaren krenking (zich niet gehoord/gezien voelen/onvolwaardig voelen) in het contact met anderen. Betrokkene lijkt hierop te reageren met een sombere stemming en het leven te ervaren als zwaar en onrechtvaardig en/of hij probeert zich groot te maken door voor zichzelf op te komen door het vermeende conflict aan te gaan.

(…)

Vanuit de complexe problematiek (persoonlijkheidsproblematiek, middelengebruik en psychosociale problematiek) en de eerdere hulpverleningsgeschiedenis lijkt het aannemelijk te stellen dat een ambulant traject onvoldoende aansluit. Een klinische opname zou meer passend zijn gericht op de persoonlijkheidsproblematiek en het middelengebruik, waarbij gedacht zou kunnen worden aan een afdeling dubbeldiagnose. De psychosociale problematiek kan op termijn meegenomen worden wanneer er vanuit klinische opname toegewerkt wordt naar een ambulant vervolgtraject. Betrokkene is sterk gemotiveerd voor behandeling. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat er bij verschil van inzicht tussen betrokkene en de hulpverlening door betrokkene wordt afgehaakt.

(…)

Beantwoording van de vraagstellingen

  1. Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis, alcoholafhankelijkheid en misbruik, beiden gedwongen in remmissie.

  2. Hiervan was sprake ten tijde van het tenlastegelegde.

(…)

4.a.b. De vraag of de persoonlijkheidsstoornis onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen, ten tijde van het ten laste gelegde zodanig beïnvloedden dat dat mede daaruit verklaard kan worden, kan niet beantwoord worden omdat betrokkene zich opstelt als grotendeels ontkennende verdachte. In algemene zin kan slechts gesteld worden dat betrokkene gevoelig is voor ervaren krenking (zich niet gehoord/gezien voelen/onvolwaardig voelen) in het contact met anderen. Betrokkene lijkt hierop te reageren met een sombere stemming en het leven te ervaren als zwaar en onrechtvaardig en/of hij probeert zich groot te maken door voor zichzelf op te komen door het vermeende conflict aan te gaan. Wanneer betrokkene hierin geblokkeerd wordt loopt de spanning vlot op. Bij oplopende spanningen is een toename van twijfel aan zichzelf zichtbaar, angst en/of ontreddering. De negatieve gevoelens (die betrokkene mogelijk heeft onderdrukt) lijken hem op de momenten van frustratie en onmacht te overvallen, wat kan leiden tot impulsieve uitingen/gedragingen.

(…)

5.a.b.c.De verhoogde gevoeligheid voor krenking, beperkte stressbestendigheid, instabiele relaties, geldzorgen, geen werk, geen daginvulling, geen persoonlijke steun, kunnen van belang zijn voor de kans op recidive. De psychosociale problematiek verhoogt het stressniveau en daarmee heeft het een negatieve invloed op de stressbestendigheid, wat maakt dat de kans op ontregeling vergroot en daarmee de kans op recidive.

6. De hulp die betrokkene in het verleden heeft gehad kwam tot stand nadat hij zijn eerste zelfmoordpoging deed. Betrokkene verbleef daarna vrijwillig op de PAAZ afdeling. De gevoelens van onvolwaardigheid kunnen vlot de overgang krijgen doordat betrokkene zich in contacten met anderen onbegrepen of gekrenkt voelt. Hierop zal de spanning oplopen en daarmee de angst en ontreddering, hetgeen de kans dat dit kan overgaan in impulsieve uitingen/gedragingen vergroot. Ook bestaat er kans dat betrokkene, zonder ondersteuning/behandeling, terug zal vallen in alcoholgebruik.

Zorgprognose en beïnvloedingsmogelijkheden

De hulp die betrokkene in het verleden heeft gehad kwam tot stand nadat hij zijn eerste zelf-moordpoging deed. Betrokkene verbleef daarna vrijwillig op de PAAZ afdeling. Daarna volgde een behandeltraject bij PsyQ wat bestond uit ondersteunende gesprekken en medicatie. Betrokkene heeft dit behandeltraject zelf gestopt omdat het hem naar eigen zeggen niets opleverde. Vervolgens is betrokkene bij meerdere hulpverleners geweest, waarbij opvalt dat hij voor zijn gevoel niet de hulp kreeg die hij nodig had. Hij voelt zich vaker onbegrepen en niet gehoord waardoor de trajecten niet of nauwelijks van de grond komen en/of resultaat hebben. Vanuit de complexe problematiek (persoonlijkheidsproblematiek, middelengebruik en psychosociale problematiek) en de eerdere hulpverleningsgeschiedenis lijkt het aannemelijk te stellen dat een ambulant traject onvoldoende aansluit. Een klinische opname zou meer passend zijn gericht op de persoonlijkheidsproblematiek en het middelengebruik, waarbij gedacht zou kunnen worden aan een afdeling dubbeldiagnose. De psychosociale problematiek kan op termijn meegenomen worden wanneer er vanuit een klinische opname toegewerkt wordt naar een ambulant vervolgtraject. Betrokkene is sterk gemotiveerd voor behandeling. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat er bij verschil van inzicht tussen betrokkene en de hulpverlening door betrokkene wordt afgehaakt.

Interventieadvies en condities

Omdat er in onderhavig onderzoek geen verband kan worden gelegd tussen de diagnostiek en het ten laste gelegde kan het bovenstaande behandeladvies niet gekoppeld worden aan een justitieel kader en zal onderzoeker zich dien tengevolge moeten onthouden van een advies. Hierbij wil onderzoeker uw college ter overweging geven dat betrokkene gebaat zou zijn bij een hulpverleningstraject (zoals hierboven beschreven), waarbij een dwingend juridisch kader het meest passend lijkt, indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht. Om herhaling van soortgelijke zaken te voorkomen zou intensieve begeleiding door en/of onder de regie van de reclassering, die een deel van die begeleiding/behandeling zou kunnen delegeren aan een forensische polikliniek een optie zijn, ware het niet dat betrokkene niet gemotiveerd is voor behandeling, zich in een therapie afwerend en devaluerend zal opstellen en zo de therapie en de therapeut zal laten falen.

(…)

Het rapport van 4 april 2016 van psychiater Trompenaars houdt in:

(…)

11. DIAGNOSTISCHE OVERWEGINGEN

Op basis van alle tijdens dit onderzoek verzamelde informatie - zie hiertoe dit rapport - komen rapporteurs tot de conclusie dat er bij betrokkene, thans 50 jaar oud sprake is van (1) een persoonlijkheidsstoornis Niet Anderszins Omschreven met borderline-, vermijdende- en afhankelijke kenmerken, (2) afhankelijkheid van alcohol, die thans gedwongen in remissie is gebracht.

Betrokkene is opgegroeid in een pedagogisch onveilig klimaat, is affectief zeer verwaarloosd en onveilig gehecht geraakt. Dit heeft bij betrokkene voor wat betreft de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid geleid tot een duurzaam patroon van innerlijk ervaringen, emoties en cognities die zijn functioneren in belangrijke mate beperken. Er is sprake van diepgewortelde gevoelens van minderwaardigheid, een negatief zelfbeeld en angst voor isolement en verlating. Hoewel er sprake was van een wankel evenwicht heeft betrokkene zich lange tijd staande kunnen houden, gesteund door zijn partner, hoe verstoord deze relatie lange tijd ook was.

In 2013 deed betrokkene zijn eerste zelfmoordpoging, uitgelokt door de afwijzing van zijn stervende zus en de afwijzing van zijn vrouw toen hij steun bij haar zocht. Dit is naar het zich laat aanzien het kantelmoment in het leven van betrokkene geworden, waarbij de bij hem op dat moment reeds aanwezige persoonlijkheidsstoornis, waarmee hij door de externe structuur tot op dat moment nog kon functioneren, door het wegvallen van die externe structuur (overlijden van zus, zich niet begrepen en gesteund voelen door partner), voor de buitenwereld zichtbaar is geworden, waarna er zich bij hem een depressieve stoornis heeft ontwikkeld, hij steeds meer is gaan drinken en vervolgens verslaafd is geraakt aan alcohol.

Het voorgaande leidt tot de volgende classificatie volgens DSM-IV (Classificatiesysteem psy-chische stoornissen):

As I (klinisch beeld): Afhankelijkheid van alcohol, gedwongen in volledige remissie gebracht.

As II (persoonlijkheid): Persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline, vermijdende, afhankelijke persoonlijkheidstrekken

As III (somatiek) : Status na maagbloeding.

As IV (psychosociale stressfactoren): Huidige juridische procedure; echtscheiding; werk-problemen; woonproblemen; financiële problemen; beperkte zelfredzaamheid.

As V (huidig niveau van functioneren): GAF-score: 40 (ernstige beperkingen).

(…)

12.1

Verband tussen diagnose en tenlastegelegde

Bij betrokkene was ten tijde van de feiten waarvan hij wordt verdacht sprake van een depressieve stoornis, een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline, vermijdende, afhankelijke kenmerken en afhankelijkheid van alcohol.

In 2013 deed betrokkene zijn eerste zelfmoordpoging, uitgelokt door de afwijzing van zijn stervende zus en de afwijzing van zijn vrouw toen hij steun zocht. Na zijn eerste zelfmoord-poging geeft zijn ex-partner aan dat ze van hem wil scheiden. In de periode die volgt kan betrokkene niet ontsnappen aan de gevoelens van wrok, boosheid en krenking die hij ervaart doordat zijn vrouw hem verlaten heeft, hetgeen voor hem voeding is voor zijn reeds lang bestaande kwetsbaarheid, zijn onzekerheid en lage zelfbeeld. De behandelingen die hij ondergaat slaan niet aan, blijkens het feit dat betrokkene steeds meer afzakt in sociaal en maatschappelijk disfunctioneren en in toenemende mate vervalt in alcoholmisbruik, hetgeen hij gebruikt als regulator van zijn stemming. Door zijn gebrekkige persoonlijkheidsontwikkeling heeft hij geen adequate coping aangeleerd om met zijn gevoelens om te gaan. Hierdoor blijft hij hangen in zijn boosheid en verdriet, waarbij hij de daaruit voortkomende erg negatieve gevoelens probeert te dempen met overmatig gebruik van alcohol.

In de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde komt betrokkene de deur bijna niet meer uit. Hij begint in de ochtend met het drinken van alcohol. Hij is in die periode continu aan het piekeren en malen over zijn ex-vrouw. Hij is hier obsessief mee bezig. Hij is kwaad over hoe ze hem behandeld heeft en hij is ervan overtuigd dat ze heel veel geld van hun beider rekening heeft weggenomen. Hij kan bijna nergens anders meer aan denken. Hij zit in de problemen en dat is naar zijn mening haar schuld. Als hij op de dag van het ten laste gelegde bericht krijgt dat zijn uitkering gekort zal worden is voor hem de maat vol, waarna hij besluit om verhaal te gaan halen bij zijn ex-partner.

In grote lijnen is dit de psychische gesteldheid van betrokkene als hij zich in de parkeergarage bevindt: hij is ontzettend kwaad, waarna hij vanuit deze kwaadheid en terwijl hij onder invloed is van alcohol over gaat tot het ter verantwoording roepen van zijn echtgenote. Over de wijze waarop dat heeft plaatsgevonden verschilt de lezing van betrokkene echter zeer nadrukkelijk met die van aangeefster, de ex-partner van betrokkene.

Gesteld kan worden dat betrokkene op dat moment in beperkte mate de mogelijkheid had om zijn handelen in vrijheid te bepalen. Deze beperking van zijn keuzevrijheid van handelen komt voort uit de omschreven psychopathologie.

Zijn psychopathologie heeft er aan bijgedragen dat betrokkene (1) heel boos was en (2) hij deze boosheid obsessief richtte op zijn ex-partner en (3) hij niet kon omgaan met deze boos-heid, anders dan deze te dempen met overmatig gebruik van alcohol, waardoor (4) ten tijde van de feiten waarvan hij wordt verdacht hij niet meer in staat was om zijn boosheid nog onder controle te houden, door de ontremmende werking van alcohol, waarna het gekomen is tot escalerend gedrag.

(…)

Betrokkene zelf is van mening dat het niet meer tot escalerend gedrag zal gaan komen.

12.2.2

Klinische inschatting van de kans op recidive

Rapporteurs zijn het niet met de mening van betrokkene eens en schatten in dat er, in specifieke omstandigheden nog wèl een risico op hernieuwd escalerend gedrag is, wat zou kunnen ontstaan als betrokkene, bij wie sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, die zou kunnen gaan terugvallen in overmatig gebruik van alcohol en die nog steeds veel sociaal-maatschappelijke problemen heeft, vanuit zijn overtuiging dat zijn ex-vrouw de oorzaak van zijn zeer moeilijke situatie is en zij hem "kapot wil maken" en "in de psychiatrie wil krijgen" wederom verhaal bij haar gaat halen.

(…)

12.3

Zorgprognose en beïnvloedingsmogelijkheden

Bij betrokkene is thans sprake van een persoonlijkheidsstoornis, waarbij een eerder aanwezige depressieve stoornis thans in remissie is gebracht, wat ook geldt voor de bij betrokkene aanwezige afhankelijkheid van alcohol. Ambulante behandeling in een vrijwillig kader is tot op heden onvoldoende werkzaam gebleken. Ten tijde van het onderzoek presenteert betrokkene zich als redelijk stabiel, wat heel goed verklaard kan worden vanuit het inmiddels langdurige verblijf in een van buitenaf bij hem aangebrachte zeer gestructureerde zorgomgeving, waarbij betrokkene ook geen alcohol meer heeft kunnen gebruiken.

Betrokkene heeft een klinische behandeling nodig, gericht op de persoonlijkheidsproblematiek en het problematisch alcoholgebruik met aandacht voor het verbeteren van zijn emotieregulatie en zijn copingstrategieën. Deze behandeling dient aan betrokkene te worden aangeboden middels een geïntegreerde klinische behandeling op een dubbeldiagnoseafdeling. Er zou dan, op geleide van de resultaten van de klinische behandeling, mogelijk toegewerkt kunnen worden naar een ambulante behandeling en verdere resocialisatie.

Betrokkene is naar zijn zeggen zeer gemotiveerd voor een behandeling. Betrokkene heeft sterke ideëen over welke behandeldoelen hij heeft. Het is onze inschatting dat indien deze behandeldoelen niet overeenkomen met die van de behandelaren, de kans bestaat dat de motivatie van betrokkene zou kunnen afnemen.

12.4

Interventieadvies en -condities

Betrokkene erkent dat er sprake is van een stoornis en dat deze stoornis behandeling behoeft (zie paragraaf 15). Gelet op het feit dat betrokkene stellig is in zijn ontkenning van het ten laste gelegde, is het geven van een advies over het juridisch kader waar binnen betrokkene

behandeling zou moeten ondergaan problematisch. Als de rechtbank zich kan vinden in de lezing van betrokkene over het ten laste gelegde, dan zou een behandeling binnen een voor-waardelijk strafdeel mogelijk een optie zijn. Acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten echter bewezen, dan is er sprake van ernstige feiten, waarbij het juridische kader van een maatregel van TBS met voorwaarden overwogen kan worden.

(…)

Beantwoording van de vragen

1. (…)

Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, die in diagnostische zin omschreven kan worden als een persoonlijkheidsstoornis Niet Anderszins Omschreven met vermijdende, afhankelijke, en borderline persoonlijkheidstrekken.

(…)

Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, indien en voor zover dat bewezen wordt geacht, was er bij betrokkene sprake van de genoemde persoonlijkheidsstoornis, waarbij er bij hem ook sprake was van afhankelijkheid van alcohol.

(…)

4.(…)

c.

Geadviseerd wordt om betrokkene ten aanzien van hetgeen hem ten laste wordt gelegd, indien en voor zover dat bewezen wordt geacht, als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen..

6. (…)

Betrokkene heeft een klinische behandeling nodig, gericht op de persoonlijkheidspro-blematiek en het problematisch alcoholgebruik met aandacht voor het verbeteren van zijn emotieregulatie en zijn copingstrategieën. Deze behandeling dient aan betrokkene te worden aangeboden middels een geïntegreerde klinische behandeling op een dubbeldiagnose afdeling. Er zou dan, op geleide van de resultaten van de klinische behandeling, mogelijk toegewerkt kunnen worden naar een ambulante behandeling en verdere resocialisatie.

Gelet op het feit dat betrokkene stellig is in zijn ontkenning van het ten laste gelegde, is het geven van een advies over het juridisch kader waarbinnen betrokkene behandeling zou moeten ondergaan problematisch.

Als de rechtbank zich kan vinden in de lezing van betrokkene over het ten laste gelegde, dan zou een behandeling binnen een voorwaardelijk strafdeel mogelijk een optie zijn. Acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten echter bewezen, dan is er sprake van ernstige feiten, waarbij het juridische kader van een maatregel van TBS met voorwaarden overwogen kan worden.

Overwegingen van de rechtbank

De gedragsdeskundigen hebben gemotiveerd uiteengezet dat de verdachte lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis NAO, waarbij afhankelijke, ontwijkende en borderline trekken te onderscheiden zijn. Hiervan was volgens de gedragsdeskundigen ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde. Volgens de psychiater Trompenaars kunnen de aan verdachte tenlastegelegde feiten aan hem in verminderde mate worden toegerekend, indien en voor zover deze feiten bewezen worden geacht.

Psycholoog Steketee acht de kans op recidive ongunstig in die zin dat de verhoogde gevoeligheid voor krenking, beperkte stressbestendigheid, instabiele relaties, geldzorgen, geen werk, geen daginvulling en geen persoonlijke steun van belang kunnen zijn voor de kans op recidive. De psychosociale problematiek verhoogt het stressniveau en daarmee heeft het een negatieve invloed op de stressbestendigheid, wat de kans op ontregeling vergroot en daarmee de kans op recidive. Teneinde recidive te voorkomen acht Steketee strafrechtelijke afhandeling met, indien mogelijk, een hulpverleningstraject in een dwingend juridisch kader het meest passend. Om herhaling van soortgelijke zaken te voorkomen zou intensieve begeleiding door en/of onder de regie van de reclassering, die een deel van die begeleiding/behandeling zou kunnen delegeren aan een forensische polikliniek een optie zijn, ware het niet dat betrokkene niet gemotiveerd is voor behandeling, zich in een therapie afwerend en devaluerend zal opstellen en zo de therapie en de therapeut zal laten falen.

Ook psychiater Trompenaars acht het risico op herhaling van vergelijkbaar delictgedrag hoog. Het betreft dan specifiek het risico op hetzelfde delictgedrag in de richting van de ex-partner van betrokkene. Psychiater Trompenaars adviseert in het kader van voorkoming van recidive een strafrechtelijke afhandeling en wel een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

In haar rapportage adviseert de psycholoog Steketee een klinische behandeling van de verdachte met een ambulant vervolgtraject. De verdachte zal volgens haar gebaat zijn bij een klinisch hulpverleningstraject in een dwingend juridisch kader. De psychiater Trompenaars acht - in geval van een bewezenverklaring - een klinische behandeling van de verdachte met daarna een ambulante behandeling en verdere resocialisatie in het kader van de maatregel van een ter beschikkingstelling met voorwaarden geïndiceerd. In hun rapportages hebben de gedragsdeskundigen een behandeling van de verdachte in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet overwogen.

Op de terechtzitting van 30 november 2016 zijn de psycholoog Steketee, de psychiater Trompenaars en de reclasseringswerker [naam reclasseringswerker] uitgebreid gehoord. Zij zijn bevraagd over de mogelijkheid van een behandeling van de verdachte en in welk juridisch kader dat dan bij voorkeur zou dienen plaats te vinden. Op de terechtzitting is de discussie gegaan over de mogelijkheid van een behandeling van de verdachte ofwel in het kader van een of meer bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling dan wel in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Nadat op de terechtzitting afstand was gedaan van de deskundigen en de deskundigen waren vertrokken bracht de officier van justitie eerst bij requisitoir naar voren dat zij van mening is dat aan de verdachte naast een gevangenisstraf ook de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging dient te worden opgelegd. Als dragende motivering voor haar eis van oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging heeft de officier van justitie aangevoerd dat bij een terbeschikkingstelling met voorwaarden het gemakkelijker voor de verdachte zal zijn om de voor behandeling aangewezen kliniek tegen de wil van de behandelaars te verlaten en dat het dan enige tijd zal duren voordat de terbeschikkingstelling met voorwaarden zal kunnen zijn omgezet in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De rechtbank overweegt dat het onder 2 primair bewezenverklaarde een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld

en dat het onder 3 bewezenverklaarde een misdrijf betreft dat is opgenomen in de opsomming van artikel 37a, eerste lid, onder 1 van het Wetboek van Strafrecht. De onder 2 primair en onder 3 bewezenverklaarde feiten betreffen misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank is van opvatting dat de veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

De rechtbank zal niet overgaan tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Zonder afbreuk te willen doen aan de ernst van hetgeen de verdachte het slachtoffer heeft aangedaan is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten het ultimum remedium van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet rechtvaardigen. De rechtbank acht het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging van overheidswege met louter als doel de beveiliging van de maatschappij, niet aangewezen.

Nadat zij eerst hun rapporten hadden uitgebracht zijn de gedragsdeskundigen Steketee en Trompenaars en de reclasseringswerker [naam reclasseringswerker] uitgebreid op de terechtzitting gehoord. Zij hebben onderbouwd uiteengezet dat een behandeling van de verdachte in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden aangewezen is.

Om de kans op herhaling van geweld van de verdachte jegens zijn ex-partner tegen te gaan acht de rechtbank gepast om aan verdachte naast een aanzienlijke gevangenisstraf een verplichte behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen.

De rechtbank zal ter bescherming van de veiligheid van anderen nader te noemen voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde stellen.

Verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van die voorwaarden.

Door het NIFP/IFZ is een indicatiestelling afgegeven. Hierin wordt de FPA De Woenselse Poort te Eindhoven aangewezen als de meest geschikte instelling voor de behandeling van de verdachte. De rechtbank zal De Woenselse Poort aanwijzen als de verpleeginrichting waar verdachte ter behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling met voorwaarden dient te worden opgenomen. De verdachte zal na ommekomst van zijn gevangenisstraf aansluitend dienen te worden behandeld in de FPA De Woenselse Poort. De rechtbank zal daarom de dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden gelasten.

Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest en een terbeschikkingstelling met voorwaarden opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37a, 38, 38a, 57, 282 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 1;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten onder 2 primair en 3 tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    beveelt dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met voorwaarden. De rechtbank stelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:

  • -

    dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerken zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    dat de verdachte zich niet zal schuldig maken aan het plegen van een strafbaar feit;

  • -

    dat de verdachte zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis zal melden bij Novadic-Kentron, Verslavingsreclassering Eindhoven. Hierna moet de verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    dat de verdachte aansluitend aan de klinische opname zijn medewerking zal verlenen aan een traject dat gericht is op huisvesting/begeleid wonen: RIBW-woonbegeleiding of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering en dient te verblijven in en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

Verleent aan de reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 38 van het

Wetboek van Strafrecht;

  • -

    dat de verdachte zich zal laten opnemen in FPA 'De Woenselse Poort' te Eindhoven of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

  • -

    dat de verdachte geen alcohol zal gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van middelencontrole;

  • -

    dat de verdachte op geen enkele wijze contact zal opnemen met zijn ex-partner;

  • -

    dat de verdachte:

* voorgeschreven medicatie (ook indien dit zuchtremmende medicatie inhoudt) zal

innemen;

* inzage in zijn financiële situatie zal geven en indien van toepassing zijn medewerking aan bewindvoering zal verlenen;

* zijn medewerking zal verlenen aan het opmaken en uitvoeren van de drie-partijenovereenkomst, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich aan de aanwijzingen en afspraken van de reclassering zal houden;

* zijn medewerking zal verlenen, indien van toepassing, aan een plaatsing in een kliniek in het kader van een 'time out' maatregel.

- beveelt dat de algemene en bijzondere voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. P. van Blaricum en mr. I.P. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Berkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 december 2016.

Buiten staat

Mr. I.P. de Groot is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 6 oktober 2015 in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en

met voorbedachten rade van het leven te beroven,

die [slachtoffer] van achteren heeft benaderd en/of (vervolgens) een tie-wrap over

het hoofd en/of rond de hals van die [slachtoffer] heeft gedaan en/of (vervolgens)

die [slachtoffer] aan de tie-wrap (achterwaarts) in de auto van hem, verdachte,

heeft getrokken en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer] heeft

dichtgeknepen en/of (vervolgens) een/of meer vingers in de mond van die

[slachtoffer] heeft gestoken en/of (vervolgens) een stanleymes tegen de keel van

die [slachtoffer] heeft gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 6 oktober 2015 in de gemeente Heerlen opzettelijk

[slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd

gehouden, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] met (grof) geweld in

zijn, verdachtes, auto getrokken;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 6 oktober 2015 in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van

het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer]

wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden, immers

heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] met (grof) geweld in zijn, verdachtes, auto

getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 6 oktober 2015 in de gemeente Heerlen [slachtoffer]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend

toegevoegd dat ze dood moest en/of dat zij er aan zou gaan en/of dat zij kapot

moest en/of dat zij in ieder geval zou sterven en/of dat hij haar zou

vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of die

[slachtoffer] daarbij een bijl en/of een stanleymes heeft getoond.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2015186396, gesloten d.d. 7 december 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 253.

2 Het proces-verbaal aangifte [slachtoffer] d.d. 6 oktober 2015, pag. 51 en 52.

3 De medische verklaring huisartsenpost opgemaakt door M. Cremers-Jorissen huisarts d.d. 6 oktober 2015, pag. 55 en 56.

4 Het rapport van het forensisch geneeskundig onderzoek d.d. 13 oktober 2015, opgemaakt door F.J.A. Poettgens, forensisch geneeskundige werkzaam bij de GGD Zuid-Limburg, pag. 81 t/m 84.

5 Het verhoor van de getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris d.d. 7 juli 2016.

6 Het verhoor van de getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris d.d. 7 juli 2016.