Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:10689

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
08-12-2016
Zaaknummer
03/661074-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

---

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/661074-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 december 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.H.M. Nijsten, advocaat kantoorhoudende te Cadier en Keer.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 november 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er – na vordering wijziging tenlastelegging – kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

tezamen en in vereniging als ambtenaar door misbruik van gezag [benadeelde] heeft gedwongen iets te doen en/of niet te doen en/of te dulden

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie – in zijn schriftelijke requisitoir – aangevoerd dat verdachte door het toepassen van fysieke dwang om [benadeelde] te fixeren niet in strijd heeft gehandeld met de wettelijke bevoegdheid om de sterke arm te gebruiken zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar de Memorie van Toelichting, waaruit hij afleidt dat er bij de afname van wangslijmvlies dwingende handelingen mogen worden verricht om de afname mogelijk te maken zoals vastpakken en/of fixeren.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde wegens het ontbreken van opzet. Voor een bewezenverklaring van artikel 365 van het Wetboek van Strafrecht dient te worden vastgesteld dat bij verdachte het bewustzijn bestond dat hij zijn bevoegdheden te buiten is gegaan. Dat is in onderhavige zaak niet aan de orde. Op het moment dat verdachte [benadeelde] fixeerde om de afname van wangslijmvlies door medeverdachte [medeverdachte] mogelijk te maken, verkeerde hij in de veronderstelling dat hij daartoe bevoegd was. De raadsman heeft tevens aangevoerd dat er bij het fixeren van het slachtoffer geen sprake is geweest van disproportioneel handelen.

3.2

Het oordeel van de rechtbank

Aan verdachte wordt verweten dat hij zijn gezag heeft misbruikt door in strijd met de bevoegdheid ex artikel 5, eerste lid van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden met behulp van de sterke arm [benadeelde] onder controle te brengen om zodoende [benadeelde] de mond te laten openen zodat wangslijmvlies kon worden afgenomen

Uit het dossier komt naar voren dat [benadeelde] op 12 juni 2010 tijdens een demonstratie is aangehouden, omdat zij gesignaleerd stond voor afname van haar DNA-materiaal op grond van een veroordeling van [benadeelde] door rechtbank Amsterdam op 5 februari 2008. [benadeelde] is vervolgens overgebracht naar het hoofdbureau van politie in Venlo. Nadat [benadeelde] is medegedeeld dat er DNA zal worden afgenomen, weigert zij iedere medewerking aan de DNA afname. Nadat [benadeelde] een aantal malen is verzocht haar medewerking te verlenen aan de DNA-afname -welke zij blijft weigeren-, heeft medeverdachte [medeverdachte] besloten met behulp van de sterke arm het DNA te verkrijgen middels afname van wangslijmvlies. [benadeelde] verzet zich hier hevig tegen en zij wordt vervolgens door een aantal verbalisanten, waaronder verdachte, onder controle gebracht. [medeverdachte] bemonstert haar vervolgens op wangslijmvlies.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, op grond van het door de officier van justitie afgegeven bevel tot DNA-afname en de mededelingen van de medewerkers van de forensische opsporing –waaronder [medeverdachte] -, op het moment van de DNA-afname bij [benadeelde] in de volle overtuiging verkeerde dat hij binnen zijn bevoegdheid handelde op het moment dat hij [benadeelde] fixeerde om afname van wangslijmvlies mogelijk te maken. Verdachte merkt voorts op dat de pijnprikkel die hij onder de kin heeft toegebracht, erop gericht was om [benadeelde] de mond te laten openen, om zo te voorkomen dat het staafje waarmee zij werd bemonsterd in haar keel zou schieten. Het toegepaste geweld was dan ook proportioneel, aldus verdachte.

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in strijd heeft gehandeld met de wettelijke bevoegdheid om de sterke arm te gebruiken zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Wet DNA-onderzoek veroordeelden. Daartoe overweegt de rechtbank dat blijkens de tekst van artikel 151b, derde lid, Wetboek van Strafvordering en de wetgeschiedenis1 hierbij de mogelijkheid tot afname van celmateriaal met behulp van de sterke arm is beperkt tot de situatie waarin bloed of haarwortels worden afgenomen. Uit de tekst van artikel 151b, derde lid, Wetboek van Strafvordering en de Memorie van Toelichting2 van artikel 5 van de Wet DNA-onderzoek leidt de rechtbank voorts af dat wanneer een veroordeelde zich verzet tegen de DNA-afname, er geen wangslijmvlies mag worden afgenomen, maar dient te worden uitgeweken naar de afname van bloed of haarwortels, waarbij zo nodig de sterke arm kan worden toegepast.

Uit bovenstaande concludeert de rechtbank dat de afname van wangslijmvlies, terwijl veroordeelde zich verzette en met behulp van de sterke arm niet in overeenstemming is met artikel 5, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek veroordeelden.

Voor een bewezenverklaring van artikel 365 van het Wetboek van Strafrecht dient te worden vastgesteld dat verdachte met bewustzijn zijn bevoegdheid te buiten gaat. Tevens dient er sprake te zijn van opzet bij verdachte. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden afgeleid dat verdachte met opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehandeld. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij op het moment van de DNA-afname bij [benadeelde] , gelet op het door de officier van justitie afgegeven bevel tot DNA-afname en de mededelingen van de medewerkers van de forensische opsporing, in de veronderstelling verkeerde dat de DNA-afname op deze manier toegestaan was. Het feit dat achteraf is komen vast te staan dat de DNA-afname middels wangslijmvlies met toepassing van de sterke arm bij verzet van de veroordeelde niet is toegestaan, maakt dat niet anders.

4 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het ten laste gelegde feit geleden materiële schade [benadeelde] heeft de materiële schade op een bedrag van 1.799,84 euro gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Aangezien aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard.

Aangezien de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt. Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. L. Feuth en mr. K.J.H. Hoofs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 december 2016.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij, op of omstreeks 12 juni 2010, te Venlo, tezamen en in vereniging, althans alleen, als ambtenaar, politiefunctionaris van Regio Limburg Noord, [benadeelde] heeft/hebben gedwongen iets te doen en/of niet te doen en/of te dulden, te weten het moeten openen van de mond en/of het afstaan van wangslijmvlies, door misbruik van gezag, immers heeft verdachte en/of zijn mededaders, terwijl voornoemde [benadeelde] geen medewerking heeft verleend aan en/of verzet heeft gepleegd tegen het afstaan van wangslijmvlies in strijd met de bevoegdheid om de sterke arm toe te passen in de zin van artikel 5 lid 1 Wet DNA-onderzoek veroordeelden, haar op de grond onder controle gebracht door haar armen en/of onderbenen vast te houden en/of die [benadeelde] op haar rug te draaien en/of haar hoofd vast te houden en/of een pijnprikkel toe te dienen zodat zij haar mond open maakte;

1 Kamerstukken II 1999/2000, 26271, 7, pagina 6.

2 Kamerstukken II 2002/2003, 28684, 3, pagina 3.