Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:10688

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
08-12-2016
Zaaknummer
03/661073-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

---

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/661073-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 december 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.H.M. Nijsten, advocaat kantoorhoudende te Cadier en Keer.

Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 november 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er – na vordering wijziging tenlastelegging – kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

tezamen en in vereniging als ambtenaar door misbruik van gezag [benadeelde] heeft gedwongen iets te doen en/of niet te doen en/of te dulden.

De beoordeling van het bewijs

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie – in zijn schriftelijke requisitoir – aangevoerd dat verdachte en zijn mededader door het toepassen van fysieke dwang om [benadeelde] te fixeren niet in strijd hebben gehandeld met de wettelijke bevoegdheid om de sterke arm te gebruiken zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Wet DNA-onderzoek. Ook ontbreekt in het dossier wettig en overtuigend bewijs dat verdachte opzettelijk op onrechtmatige wijze zelf DNA heeft afgenomen bij [benadeelde] .

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde wegens het ontbreken van opzet. Voor een bewezenverklaring van artikel 365 van het Wetboek van Strafrecht dient te worden vastgesteld dat bij verdachte het bewustzijn bestond dat hij zijn bevoegdheden te buiten is gegaan. Dat is in onderhavige zaak niet aan de orde. Verdachte heeft voordat hij overging tot de DNA-afname het Zakboek voor de hulpofficier van justitie geraadpleegd en overleg gevoerd met een collega. Op het moment dat hij het DNA-materiaal bij veroordeelde afnam, verkeerde hij in de veronderstelling dat hij daartoe bevoegd was.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte wordt verweten dat hij zijn gezag heeft misbruikt door in strijd met de bevoegdheid ex artikel 5, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden met behulp van de sterke arm [benadeelde] onder controle te brengen om zodoende [benadeelde] de mond te laten openen zodat wangslijmvlies kon worden afgenomen. Ook wordt hem verweten dat hij zich - door als opsporingsambtenaar zelf wangslijmvlies af te nemen - een bevoegdheid aanmatigde die hem niet toekwam. Bij gebrek aan instemming dient de afname te geschieden door een arts of verpleegkundige.

Uit het dossier komt naar voren dat [benadeelde] op 12 juni 2010 tijdens een demonstratie is aangehouden, omdat zij gesignaleerd stond voor afname van haar DNA-materiaal op grond van een veroordeling door de rechtbank Amsterdam op 5 februari 2008. [benadeelde] is vervolgens overgebracht naar het hoofdbureau van politie in Venlo. Nadat [benadeelde] is medegedeeld dat er DNA zal worden afgenomen, weigert zij iedere medewerking aan de DNA afname. Nadat [benadeelde] een aantal malen is verzocht haar medewerking te verlenen aan de DNA-afname -welke zij blijft weigeren-, heeft verdachte besloten met behulp van de sterke arm het DNA te verkrijgen middels afname van wangslijmvlies. [benadeelde] verzet zich hier hevig tegen en zij wordt vervolgens door een aantal verbalisanten, waaronder medeverdachte [medeverdachte] , onder controle gebracht. Verdachte bemonstert haar vervolgens op wangslijmvlies.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op het moment van de DNA-afname bij [benadeelde] in de overtuiging verkeerde dat hij binnen zijn bevoegdheid handelde. Het was voor verdachte de eerste keer dat hij werd geconfronteerd met een veroordeelde die zich verzette tegen DNA-afname. Verdachte heeft vóórdat hij tot handelen overging het Zakboek voor de hulpofficier van justitie geraadpleegd en daaruit, nadat hij met een collega overleg heeft gepleegd, geconcludeerd dat hij als opsporingsambtenaar –eventueel vergezeld van de sterke arm– bevoegd was om DNA-materiaal bij [benadeelde] af te nemen.

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in strijd heeft gehandeld met de wettelijke bevoegdheid om de sterke arm te gebruiken zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Wet DNA-onderzoek veroordeelden. Daartoe overweegt de rechtbank dat blijkens de tekst van artikel 151b, derde lid, Wetboek van Strafvordering en de wetgeschiedenis hierbij de mogelijkheid tot afname van celmateriaal met behulp van de sterke arm is beperkt tot de situatie waarin bloed of haarwortels worden afgenomen. Uit de tekst van artikel 151b, derde lid, Wetboek van Strafvordering en de Memorie van Toelichting van artikel 5 van de Wet DNA-onderzoek leidt de rechtbank voorts af dat wanneer een veroordeelde zich verzet tegen de DNA-afname, er geen wangslijmvlies mag worden afgenomen, maar dient te worden uitgeweken naar de afname van bloed of haarwortels, waarbij zo nodig de sterke arm kan worden toegepast.

Uit bovenstaande concludeert de rechtbank dat de afname van wangslijmvlies, terwijl veroordeelde zich verzette met behulp van de sterke arm niet in overeenstemming is met artikel 5, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek veroordeelden. Met de officier van justitie is de rechtbank ook van oordeel dat het afnemen van wangslijmvlies door verdachte zelf in strijd was met het Besluit DNA-onderzoek, omdat aangewezen opsporingsambtenaren alleen wangslijmvlies mogen afnemen als daarmee wordt ingestemd.

Voor een bewezenverklaring van artikel 365 van het Wetboek van Strafrecht dient te worden vastgesteld dat verdachte met bewustzijn zijn bevoegdheid te buiten gaat. Tevens dient er sprake te zijn van opzet. De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden afgeleid dat verdachte met dit bewustzijn, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet, heeft gehandeld. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij zich, voordat hij over is gegaan tot de afname van het DNA-materiaal bij Wijnands, heeft vergewist van het feit of hij daartoe bevoegd was. Op basis daarvan had hij de overtuiging dat hij als opsporingsambtenaar en met behulp van de sterke arm wangslijmvlies bij [benadeelde] mocht afnemen. Het feit dat achteraf is komen vast te staan dat de DNA-afname door een arts/verpleegkundige had moeten plaatsvinden en dat de afname middels wangslijmvlies met toepassing van de sterke arm bij verzet van de veroordeelde niet is toegestaan, maakt dat niet anders.

De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het ten laste gelegde feit geleden materiële schade. [benadeelde] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van 1.799,84 euro gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Aangezien aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

Aangezien de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vorderingen zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt. Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil.

De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. L. Feuth en mr. K.J.H. Hoofs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 december 2016.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na vordering wijziging tenlastelegging – ten laste gelegd dat

hij, op of omstreeks 12 juni 2010, te Venlo, tezamen en in vereniging, althans alleen, als ambtenaar, brigadier van Regio Limburg Noord, [benadeelde] heeft/hebben gedwongen iets te doen en/of niet te doen en/of te dulden, te weten het moeten openen van de mond en/of het afstaan van wangslijmvlies, door misbruik van gezag, immers heeft verdachte en/of zijn mededaders, terwijl voornoemde [benadeelde] geen medewerking heeft verleend aan en/of verzet heeft gepleegd tegen het afstaan van wangslijmvlies in strijd met de bevoegdheid om de sterke arm toe te passen in de zin van artikel 5 lid 1 Wet DNA-onderzoek veroordeelden, haar op de grond onder controle gebracht, door haar armen en/of onderbenen vast te houden en/of die [benadeelde] op haar rug te draaien en/of haar hoofd vast te houden en/of een pijnprikkel toe te dienen, zodat zij haar mond open maakte, en/of als niet zijnde arts of verpleegkundige, in strijd met de daarvoor toen geldende regeling Besluit DNA onderzoek in strafzaken, wangslijmvlies heeft afgenomen bij die [benadeelde] ;