Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:10202

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3340
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening gericht tegen een besluit tot afwijzing van handhavend optreden.

Spoedeisend belang in voldoende mate aanwezig geacht. Van concreet zicht op legalisatie is op dit moment geen sprake. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verweerder wordt opgedragen om uiterlijk op 17 januari 2017 een ontwerp-besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning ter inzage te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3515
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/3340

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 november 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] en [verzoekster], te [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. R. Brouwer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder

(gemachtigden: mr. J.A.L. Devoi en [naam 1]).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [vestigingsplaats], (gemachtigde: mr. J. Schoneveld).

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van verzoekers om handhavend optreden.

Bij besluit van 25 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2016. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij is verschenen bij [naam 2] en bijgestaan door mr. R. Visser, een waarnemer van de gemachtigde van de derde-partij.

Overwegingen

1. Op 25 juni 2014 heeft de derde-partij een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het gebruiken van de achterzijde van het perceel [adres 1] voor de opslag van autocarrosserieën ten behoeve van het naast dit perceel gelegen autorecyclingbedrijf van derde-partij aan [adres 2] (bouwplan). Bij beslissing van 21 november 2014 heeft verweerder besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen, aangezien voor de aangevraagde activiteit geen omgevingsvergunning noodzakelijk is. Bij besluit van 23 april 2015 heeft verweerder de bezwaren gericht tegen het besluit van 21 november 2014 gegrond verklaard, het primaire besluit van 21 november 2014 herroepen en aan de derde-partij alsnog, op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a, onder 1°, van de Wabo in samenhang met artikel 17, zesde lid, van het bestemmingsplan “[P.]” (bestemmingsplan), een omgevingsvergunning verleend voor de opslag van maximaal 100 autocarrosserieën en automaterialen op het perceel [adres 1]. Bij uitspraak van deze rechtbank van 22 december 2015 (15/1761 en 15/1830) is het hiertegen gerichte beroep gegrond verklaard en het besluit van 23 april 2015 vernietigd, voor zover daarbij alsnog aan de derde-partij een omgevingsvergunning is verleend. Verweerder diende naar het oordeel van de rechtbank alsnog te onderzoeken of de vergunning kan worden verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo.

Bij brief van 24 december 2015 hebben verzoekers verzocht om de autosloperijactiviteiten op het perceel [adres 1] te (laten) staken. Bij het primaire besluit van 26 februari 2016 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

2. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat er in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden (concreet zicht op legalisatie) op grond waarvan verweerder in redelijkheid heeft kunnen afzien van handhavend optreden dan wel dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Bij besluit van 23 april 2015 heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend. Hieruit blijkt dat verweerder (in beginsel) bereid is om medewerking te verlenen aan de aanvraag voor omgevingsvergunning. Voornoemd besluit is weliswaar vernietigd door de rechtbank, maar dit is gebeurd vanwege een formeel gebrek (verkeerde grondslag). Verweerder is van mening dat aan het belang van de derde-partij meer gewicht mag worden toegekend dan aan het belang van verzoekers.

3. Verzoekers voeren aan dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie, nu hiervan pas sprake is als een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage is gelegd. Daarvan is momenteel nog geen sprake. Ter zitting is voorts aangevoerd dat verzoekers (geluids)overlast ondervinden nu er op het bewuste perceel gedurende zes dagen per week activiteiten plaatsvinden, waarbij onder meer met een heftruck aan- en afvoerbewegingen plaatsvinden met (onderdelen van) auto’s.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers, gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, het voortduren van een situatie die strijdig is met het bestemmingsplan en de voldoende aannemelijkheid van een zekere mate van geluidsoverlast die verzoekers ondervinden van de huidige situatie, een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan. Partijen verschillen van mening over de vraag of sprake is van concreet zicht op legalisatie.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2503) is voor concreet zicht op legalisatie onvoldoende dat verweerder bereid is medewerking te verlenen aan de procedure tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Om concreet zicht op legalisatie aan te kunnen nemen in een geval als het onderhavige is ten minste vereist dat er een (ontwerp-)omgevingsvergunning is waarbinnen de afwijking van het bestemmingsplan past. Niet betwist is dat in het onderhavige geval nog geen sprake is van een ontwerp-omgevingsvergunning. Evenmin zal hiervan op korte termijn sprake zijn. Derhalve heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Aan de verwijzing door de derde-partij naar de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN2609) gaat de voorzieningenrechter voorbij, nu niet buiten twijfel is of de overwegingen in die uitspraak aansluiten bij de actuele(re) rechtspraak in dit kader.

8. Gelet op wat onder 7. is overwogen, is er geen concreet zicht op legalisatie in de zin als zojuist vermeld, echter is er wel een reële kans op legalisatie binnen afzienbare tijd. Verweerder heeft namelijk ter zitting aangegeven dat naar verwachting in januari 2017 de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage zal worden gelegd en dat verweerder nog steeds medewerking wil verlenen aan de gevraagde omgevingsvergunning. In dit licht bezien, alsmede gelet op de belangen van de derde-partij, voert het naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval te ver om in het kader van een voorlopige voorziening verweerder te gelasten handhavend op te treden totdat een ontwerp-besluit tot stand is gekomen dan wel ter inzage is gelegd. Gelet op de belangen van verzoekers, met name de gestelde geluidsoverlast, de geruime tijd die reeds is verstreken na de genoemde uitspraak van deze rechtbank van 22 december 2015 - als gevolg waarvan sprake is van een illegale situatie - en het eerst op zijn vroegst in januari 2017 te verwachten ontwerp-besluit, ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder op te dragen om uiterlijk op 17 januari 2017 een ontwerp-besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning ter inzage te leggen, zodat uiterlijk medio januari 2017 duidelijkheid bestaat over het al dan niet bestaan van concreet zicht op legalisatie.

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook toe en treft de voorlopige voorziening dat verweerder wordt opgedragen dat hij uiterlijk op 17 januari 2017 het ontwerp-besluit op de ingediende aanvraag om omgevingsvergunning ter inzage legt. Voor wat meer of anders is verzocht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

10. Zoals ter zitting reeds is voorgehouden, kan de voorzieningenrechter in deze zaak niet overgaan tot kortsluiting, nu is vastgesteld dat tegen het bestreden besluit van 25 mei 2016 nóg een beroep bij de rechtbank aanhangig is.

11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- draagt verweerder op om uiterlijk op 17 januari 2017 een ontwerp-besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning ter inzage te leggen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan verzoekers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van

€ 992,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.drs. P.M. van den Brekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 24 november 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.