Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:10089

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
5327761 AZ VERZ 16-176
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door werkgever verzochte gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:677 leden 2 en 3 BW is toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3538
AR-Updates.nl 2016-1344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5327761 AZ VERZ 16-176

MD

Beschikking van de kantonrechter van 23 november 2016

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

hardij trading B.V.,

gevestigd te Maastricht,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. B.M.M. Custers,

tegen:

[verweerster] ,

wonend aan het [adres] ,

[woonplaats] ,

verwerende partij,

in persoon procederend.

Partijen zullen hierna Hardij en [verweerster] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties ex art. 7:677 lid 2 BW van Hardij;

  • -

    de schriftelijke reactie van [verweerster] ;

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 15 november 2016. Het proces-verbaal van die behandeling is aan deze beschikking gehecht.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 december 2005 krachtens arbeidsovereenkomst bij Hardij in dienst getreden als verkoopster, tegen een loon van laatstelijk € 1.042,72 bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag.

2.2.

[verweerster] is op 19 juli 2016 – evenals haar collega [naam collega] – op staande voet ontslagen. Dit ontslag is bij brief van 19 juli 2016 aan haar bevestigd, waarbij als dringende reden het verduisteren/ontvreemden van geld en goederen is aangevoerd. Het identieke verzoek van Hardij tegen [naam collega] is voorafgaand aan de mondelinge behandeling van [verweerster] behandeld, en hier geregistreerd onder zaaknummer 5327685 AZ VERZ 16-175. [naam collega] heeft – in tegenstelling tot [verweerster] – verweer gevoerd en heeft een zelfstandig (tegen)verzoek ingediend.

3 Het geschil

3.1.

Hardij verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] te veroordelen om tegen bewijs van kwijting aan Hardij te betalen een bedrag van
€ 1.562,06 [bruto], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.

3.2.

Hardij legt aan haar verzoek ten grondslag dat de gedragingen van [verweerster] een dringende reden opleveren, als gevolg waarvan Hardij genoodzaakt was om de arbeidsovereenkomst met haar onverwijld op te zeggen. Onder verwijzing naar het bepaalde in art. 7:677 leden 2 en 3 BW maakt Hardij aanspraak op een gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van het hiervoor onder 3.1. weergegeven bedrag.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[verweerster] heeft gesteld dat zij terecht op staande voet is ontslagen en dat zij akkoord gaat met betaling van het door Hardij verzochte bedrag. Verder vraagt zij om een betalingsregeling.

4.2.

Ingevolge art. 7:677 lid 2 BW is de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Gelet op de erkenning van [verweerster] , staat vast dat zij aan Hardij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, waardoor zij een vergoeding aan Hardij verschuldigd is. Nu [verweerster] de omvang van deze vergoeding niet heeft betwist en de kantonrechter vaststelt dat deze vergoeding is berekend met inachtneming van het bepaalde in art. 7:677 lid 3, onderdeel a, BW is de door Hardij verzochte vergoeding van € 1.562,06 bruto toewijsbaar.

4.3.

De kantonrechter merkt ten slotte nog op dat hij niet de bevoegdheid heeft om een betalingsregeling dwingend op te leggen aan een schuldeiseres (zoals Hardij) die een opeisbare vordering heeft. [verweerster] dient zich daarvoor tot de gemachtigde van Hardij te wenden.

4.4.

[verweerster] dient als de geheel in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Hardij worden begroot op:

- griffierecht: € 117,00
- salaris gemachtigde: € 400,00

Totaal: € 517,00.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [verweerster] om aan Hardij tegen bewijs van kwijting te betalen de somma van € 1.562,06 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten aan de zijde van Hardij, tot heden begroot op een bedrag van € 517,00;

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.P. van Unen en is in het openbaar uitgesproken.