Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:10025

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
C/03/212845 / HA ZA 15-632
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:4532
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen (on)rechtmatig overheidshandelen, geen onjuiste of onvolledige inlichtingen gegeven. Interpretatie gegeven informatie. Eiser wist dat voor ambulante handel een standplaatsvergunning nodig was. Onduidelijke vergunningsaanvraag, de inhoud van de aanvraag komt bovendien niet overeen met de bijgevoegde tekening. Informatieplicht gemeente over mogelijke toepasselijke regelgeving

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/212845 / HA ZA 15-632

Vonnis van 23 november 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. C.A.M.J.M. Joosten te Venlo,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE VENLO,

zetelend te Venlo,

gedaagde,

advocaat mr. S.A.L. van de Sande te Breda.

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente Venlo genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 oktober 2016

  • -

    de ter zitting overgelegde producties zijdens [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 1 januari 2010 zijn de gemeenten Arcen en Velden en de gemeente Venlo samengevoegd tot de gemeente Venlo.

2.2.

[eiser] huurt met ingang van 1 februari 2010 een perceel grond aan de [adres 1] met daarop twee voormalige autowasboxen voor € 100,00 per maand en heeft per dezelfde datum een overeenkomst gesloten waarbij is afgesproken dat [eiser] om niet gebruik mag maken van een deel van de rijwielzaak aan de [adres 1] ‘voor ambulante handel in levensmiddelen’.

2.3.

Op 15 oktober 2009 heeft [eiser] bij de gemeente Venlo een vergunningaanvraag ingediend voor het innemen van een vaste standplaats voor verkoop van aardappelen, groente en fruit aan de [adres 2] .

2.4.

Op 6 november 2009 stuurt [eiser] een brief aan het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo (hierna ‘het college’) waarin hij onder meer het volgende schrijft: ‘Bij deze wil ik Ondergetekende [eiser] uw vriendelijk verzoeken om te bekijken of ik een ontheffing van het bestemmingplan nodig heb voor het uitoefenen van Ambulante handel in levensmiddelen o.a. Aardappelen, groente en fruit, betreffende kadastrale gemeente Arcen en Velden, Sectie F, Perceel 1416 ( [nummer adres 1] ) Zie bijlage 1, uittreksel kadastrale kaart. Op deze zelfde kadastrale kaart onder [nummer] bevindt zich een woning met bedrijfsruimte waar [nummer adres 1] weer deel van uit maakt (bedrijfsruimte) in [nummer] vind plaats betreffende bedrijfsvoering fietsenzaak, rijwielzaak. Heel graag ontvang ik van de gemeente Venlo een schriftelijk bericht of ik een ontheffing van het bestemmingsplan krijg, of een bericht dat ik op voorgenoemd perceel mijn bedrijfsvoering betreffende levensmiddelen o.a. Aardappelen, groente en fruit mag uitoefenen zonder ontheffing van het bestemmingsplan.’

Op bijgevoegde kadastrale kaart zijn het perceelnummer 1416 en het huisnummer [nummer adres 1] omcirkeld. Tevens is twee maal een kruis geplaatst op perceel 1416, één kruis binnen de bebouwing en één daarbuiten.

2.5.

Op 9 december 2009 besluit het college de gevraagde standplaatsvergunning te weigeren vanwege strijd met het standplaatsenbeleid. [eiser] heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend.

2.6.

Op 21 december 2009 stuurt een ambtenaar van de gemeente Venlo, mevrouw [X] , namens het college, in reactie op de brief van [eiser] van 6 november 2009 een brief aan [eiser] waarin zij onder meer het volgende schrijft: ‘Op 10 november 2009 hebben wij uw brief ontvangen waarin u toestemming vraagt voor het uitoefenen van ambulante handel in levensmiddelen (onder andere aardappelen, groenten en fruit) in het pand, welk kadastraal bekend is onder [plaats adres 2] (gemeente Arcen en Velden), sectie F, nummer 1416.

Het perceel valt binnen het bestemmingsplan “ [plaats adres 2] ”. Dit plan is op 20 juli 2009 door de gemeenteraad van Arcen en Velden vastgesteld. Inmiddels heeft dit plan voor dit perceel een onherroepelijke status verkregen. Ingevolge de verbeelding van dit plan valt het perceel in de bestemming “detailhandel”. Ingevolge voorschrift artikel 8 is dus detailhandel toegestaan. In de begripsomschrijving is het volgende opgenomen: “het bedrijfsmatig te koop of te lease of te huur aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten behoeve van verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit”.

Conclusie

Uw verzoek is mogelijk op basis van het bestemmingplan “ [plaats adres 2] ”. Dit betekent dat er geen planologische maatregel noodzakelijk is (ontheffing) om de ambulante handel in levensmiddelen mogelijk te maken. ….

Wel wil ik u wijzen op het volgende: Indien er bouwkundige activiteiten plaatsvinden, dan kan het zijn dat deze activiteiten bouwvergunningplichtig zijn. ….’

2.7.

Op 15 januari 2010 vraagt [eiser] bij de gemeente Venlo een bouwvergunning aan voor het plaatsen van een container voor verkoop van levensmiddelen op het perceel [adres 1] . Deze vergunning wordt op 22 februari 2010 geweigerd vanwege strijd met het bestemmingplan. De container bevindt zich volgens het college buiten het bouwvlak. Vrijstelling wordt niet verleend omdat er geen sprake is van een relatie met het aanwezige pand. [eiser] heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

2.8.

Voordat de vergunning werd geweigerd werd [eiser] bezocht door ambtenaren van de afdeling Veiligheid & Handhaving en werd hij er op gewezen dat de handel zoals hij die op dat moment dreef niet was toegestaan.

2.9.

Op 8 maart 2010 dient [eiser] een klacht in bij het college over het optreden van de afdeling Veiligheid & Handhaving en het feit dat hij ondanks het gestelde in de brief van 21 december 2009 niet zijn ambulante handel mag uitoefenen.

2.10.

Bij brief van 16 april 2010 reageert de klachtencoördinator namens het college op deze klacht. In de brief wordt onder meer het volgende gesteld:

‘In beginsel toestemming voor ambulante handel?

Bij brief van 21 december 2009 is door de afdeling Gebouwde Omgeving geconcludeerd dat op basis van het bestemmingsplan “ [plaats adres 2] ” mogelijk is om de ambulante handel in levensmiddelen mogelijk is en dat daarvoor geen ontheffing nodig is. Blijkens deze brief werd er toen vanuit gegaan dat u de ambulante handel in het pand aan de [adres 1] zou uitoefenen.

….

Door de hierboven genoemde vakinhoudelijke afdelingen is vastgesteld dat u gedurende een vast aaneengesloten periode voornemens bent om de ambulante handel uit te oefenen. Het betreft de verkoop van levensmiddelen (zoals groente, fruit e.d.) op het hiervoor genoemde door u gehuurde perceel. De producten worden door u buiten uitgestald.

Op grond van artikel 5:18 Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Venlo 2010 is het verboden zonder vergunning van het college van B & W op of aan de weg …. een standplaats in te nemen … teneinde … goederen te koop aan te bieden…

Dit artikellid geeft aan dat voor het uitoefenen van ambulante handel men in het bezit moet zijn van een standplaatsvergunning volgens de “Algemene regels incidentele standplaatsen en ventvergunningen 2010”…

2.11.

Op 1 juni 2010 vind een hoorzitting plaats. Uit het verslag blijkt dat onder meer door de heer [Y] , medewerker vergunningen bij de afdeling Gebouwde Omgeving, het woord is gevoerd. Het verslag vermeldt onder meer: ‘De heer [Y] zegt dat in de beoordeling in eerste instantie ervan is uitgegaan dat het ging om het uitoefenen van handel in het door de heer [eiser] gehuurde pand aan de [adres 1] . Dat is toegestaan. Mevrouw [X] ging er niet vanuit dat de heer [eiser] vanuit de belendende wasstraat de ambulante handel zou uitoefenen. Toen onder meer naar aanleiding van de aanvraag voor een vergunning tot plaatsing van een container bleek dat de verkoop plaats zou gaan vinden vanuit deze container, is de heer [eiser] per brief geïnformeerd waarom geen bouwvergunning zal worden verleend. De heer [Y] voegt hier nog aan toe dat brief van 21 december 2009 uitgaat van het uitoefenen van handel vanuit het pand, terwijl de heer [eiser] dit in het voormalige wasplaats wil uitoefenen.

Verder verduidelijkt de heer [Y] dat het bestemmingsplan en het beleid standplaatsen twee verschillende zaken zijn. Enerzijds staat het bestemmingsplan toe dat op dit perceel handel (dus vanuit het pand) bedreven wordt, echter gaat het om ambulante handel die niet vanuit het pand uitgeoefend wordt, dan heb je met andere (beleids)regels te maken. Het beleid standplaatsen laat het niet toe dat op het door de heer [eiser] gehuurde perceel ambulante handel uitgeoefend wordt.’

2.12.

Uit het rapport van bevindingen van de klachtencommissie van 8 juni 2010 blijkt onder meer het volgende:

De commissie meent dat de afdeling Gebouwde Omgeving niet geheel zorgvuldig heeft gehandeld en dat de afdeling Veiligheid & Handhaving zorgvuldig heeft gehandeld. Hierbij zijn de volgende aspecten van belang:

  1. de aanvraag van de heer [eiser] van 6 september (opmerking rechtbank: bedoeld is 6 november) was niet eenduidig. Hij verzoekt om te bekijken of hij een ontheffing van het bestemmingsplan nodig heeft voor het uitoefenen van ambulante handel op het perceel met de kadastrale aanduiding gemeente Arcen en Velden, sectie F, nummer 1416. Hij noemt daar huisnummer [nummer adres 1] bij en hij geeft aan dat zich op nummer [nummer] een woning met bedrijfsruimte bevindt, waar nummer [nummer adres 1] als bedrijfsruimte deel van uitmaakt. Daar voegt de heer [eiser] een aantal bijlagen aan toe, waaronder een kadastrale kaart met een kruis in het pand met nummer [nummer adres 1] en een kruis op het daarnaast gelegen stuk van het perceel. Verder is als bijlage toegevoegd een uitsnede van de bestemmingsplankaart met een kruis half op het pand en half op het aangrenzende deel van het perceel De commissie acht het mogelijk dat door deze wijze van formuleren bij de betrokken medewerker de indruk is ontstaan dat de heer [eiser] handel wilde drijven vanuit het pand met nummer [nummer adres 1] Daarbij hadden echter wel vraagtekens geplaatst moeten worden nu de heer [eiser] het nadrukkelijk had over ambulante handel en niet over detailhandel. Ambulante handel vindt in beginsel niet plaats vanuit een pand, maar bijvoorbeeld vanaf een standplaats. De commissie meent dat de aanvraag voldoende vraagtekens had moeten oproepen om navraag te doen bij de aanvrager om duidelijkheid te krijgen over de exacte vraag. Nu deze navraag niet heeft plaatsgevonden, heeft de heer [eiser] een weliswaar niet onjuist antwoord gekregen, namelijk dat er detailhandel vanuit het pand was toegestaan, maar ook geen afdoende antwoord op zijn verzoek. Immers hij wilde ambulante handel gaan uitoefenen vanuit het perceel en daar is niets over gezegd. Indien navraag was gedaan bij de heer [eiser] was duidelijk geworden wat zijn bedoeling was en dan had direct verwezen kunnen worden naar de afdeling Veiligheid & Handhaving ten behoeve van meer informatie over standplaatsen. Het standplaatsenbeleid biedt het juridisch kader voor ambulante handel.

  2. De commissie constateert de heer [eiser] hier ook mee bekend was nu hij eerder reeds een vaste standplaatsvergunning had aangevraagd voor verkoop aan de [adres 2] . Nu dit niet paste binnen het toen nog geldende beleid van de gemeente Arcen en Velden, is dit verzoek per brief van 11 december 2010 (opmerking rechtbank: bedoeld is 2009) afgewezen.

  3. Het is aannemelijk dat bij de afdeling Gebouwde Omgeving pas na het indienen van de vergunningsaanvraag voor het plaatsen van een container op het betrokken perceel voor onbepaalde tijd en voor de verkoop van levensmiddelen duidelijk werd dat de heer [eiser] geen handel wilde drijven vanuit het pand [adres 1] , maar vanaf het aangrenzende deel van het perceel. Deze vergunning is geweigerd en de heer [eiser] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hier bezwaar tegen aan te tekenen. Hij heeft een klacht ingediend over het feit dat hij tegengewerkt werd door de gemeente, nu hij per brief van 21 december 2009 in zijn ogen de toestemming had gekregen om vanuit dit perceel handel te drijven. Er hebben diverse gesprekken met de heer [eiser] plaatsgevonden waarin geprobeerd is hem op de juiste wijze te informeren over de (gebruiks)mogelijkheden op het door hem gehuurde perceel. Dat heeft niet tot een oplossing geleid omdat de heer [eiser] bleef volghouden dat hij toestemming had gekregen.

  4. Geconcludeerd mag worden dat door de verwarring bij de afdeling Gebouwde Omgeving over de exacte bedoeling en de daaruit voortgevloeide brief van 21 december 2009 bij de heer [eiser] een onjuist beeld is ontstaan over zijn gebruiksmogelijkheden van het door hem gehuurde perceel. Dit had voorkomen kunnen worden door de aanvraag te laten verduidelijken door aanvrager. Dit is niet gebeurd en er is een brief verzonden die gebaseerd was op een onjuiste veronderstelling. De commissie merkt wel nog op dat de heer [eiser] deze onjuiste veronderstelling mogelijk ook zelf uit de brief had kunnen herleiden nu hierin duidelijk wordt aangegeven dat hij toestemming vraagt voor het uitoefenen van ambulante handel in het pand. Maar het is begrijpelijk dat deze nuancering hem is ontgaan nu verder wordt aangegeven dat zijn verzoek mogelijk is en dat er geen planologische maatregel (ontheffing) noodzakelijk is om de ambulante handel mogelijk te maken.

2.13.

Het advies van de klachtencommissie luidt vervolgens als volgt: ‘Gelet op het rapport van bevindingen inzake de klacht van de heer [eiser] adviseert de klachtenadviescommissie om de klacht voor wat betreft:

  • -

    het niet juist beantwoorden van de eerste aanvraag van de heer [eiser] van 6 november 2009 gegrond te verklaren;

  • -

    het daarop volgende handelen van de afdeling Gebouwde Omgeving om de juiste planologische situatie aan de heer [eiser] uit te leggen ongegrond te verklaren; en

  • -

    het handelen van de afdeling Veiligheid & Handhaving inzake het innemen van een standplaats ongegrond te verklaren’

Op 24 juni 2010 wordt dit advies door het college overgenomen.

2.14.

Op 1 oktober 2010 vraagt [eiser] toestemming voor de uitoefening van ambulante handel op het perceel, vanuit het pand dat is gelegen aan de [adres 1] . [eiser] wil gedurende zes dagen per week lege kraampjes verhuren aan marktkooplieden om hun waren in aan te bieden. Het college merkt dit aan als een warenmarkt en geeft bij brief van 17 november 2010 aan dat de door [eiser] gewenste handel weliswaar op grond van het bestemmingplan mogelijk is, maar op grond van de Marktverordening Venlo 2010 niet is toegestaan.

2.15.

Op 22 november 2010 vraagt [eiser] wederom toestemming voor de uitoefening van ambulante handel in het pand dat is gelegen aan de [adres 1] . Ditmaal beperkt hij het tot het plaatsen van 3 à 4 kraampjes in het pand, die gedurende 6 dagen per week als een soort standplaatsen worden ingenomen door marktkooplieden. Op 17 december 2010 bericht mw. [Z] van de afdeling Veiligheid en Handhaving namens het college dat het bestemmingsplan deze vorm van detailhandel toelaat en een standplaatsvergunning niet nodig is aangezien de standplaats niet in de open lucht wordt ingenomen. De marktverordening is door het beperkte aantal kraampjes niet van toepassing.

2.16.

Op 20 december 2010 maakt [eiser] bezwaar tegen het besluit van 17 november 2010. Dit bezwaar wordt bij besluit van 1 maart 2011 van het college ongegrond verklaard. [eiser] gaat in beroep. [eiser] wordt bij uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 november 2011 niet ontvankelijk verklaard in zijn beroep vanwege het ontbreken van procesbelang, nu de aanvraag van [eiser] van 22 november 2010 inmiddels was goedgekeurd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert te verklaren voor recht dat de gemeente Venlo aansprakelijk is voor onrechtmatig handelen c.q. aansprakelijk is wegens een tekortkoming voor alle daaruit vloeiende schade ten opzichte van [eiser] , met veroordeling van de gemeente Venlo in de kosten van deze procedure.

3.2.

Gemeente Venlo voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat de gemeente Venlo de brief van 21 december 2009 nimmer aan [eiser] had mogen versturen nu daarin onjuiste informatie wordt gegeven, namelijk dat er geen planologische maatregel nodig is (ontheffing) om de ambulante handel in levensmiddelen mogelijk te maken. Bovendien heeft de gemeente verzuimd de aanvraag te toetsen aan de Marktverordening Venlo, in werking getreden op 1 januari 2010. Hierdoor heeft [eiser] schade geleden en de gemeente Venlo is hiervoor volgens [eiser] aansprakelijk. De rechtbank overweegt als volgt.

4.2.

De Marktverordening Venlo 2010 is in werking getreden op 1 januari 2010, net als de beleidsregels vaste standplaatsen van de gemeente Venlo. Tot die tijd gold de Algemene Plaatselijke Verordening Arcen en Velden 2004. Tussen partijen is kennelijk niet in geschil dat deze regelingen een gelijkluidende strekking hadden, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat daar waar [eiser] over de Marktverordening Venlo 2010 spreekt hij doelt op het geheel van regelgeving betreffende het standplaatsenbeleid zoals dat gold voor locaties in [plaats adres 2] .

4.3.

Ter zitting heeft [eiser] aangegeven dat hij met zijn brief van 6 november 2009 bedoeld heeft te vragen of hij een ontheffing van het bestemmingplan nodig had om zowel in het pand (vanuit meer dan 3 of 4 kramen) als buiten het pand (vanuit een container) ambulante handel in levensmiddelen te drijven en dat dat voor de gemeente Venlo duidelijk was danwel had moeten zijn. Hij had tenslotte op de bij zijn brief gevoegde tekening zowel een kruis in de bebouwing gezet als daarbuiten.

4.4.

De rechtbank overweegt dat het antwoord dat mevrouw [X] op 21 december 2009 namens het college heeft gestuurd enkel spreekt over ‘ambulante handel in het pand’. Daarvoor is volgens haar geen ontheffing van het bestemmingsplan nodig. De rechtbank overweegt dat volgens de gangbare opvatting ambulante handel verkoop aan de openbare weg of op openbare markten inhoudt, maar dat zowel [eiser] (gezien zijn standpunt ter comparitie) als mevrouw [X] kennelijk onder ‘ambulante handel in het pand’ het plaatsen van (een) kraampje(s) in het pand om van daaruit handel te drijven verstonden. Op handel buiten het pand gaat de brief niet in.

4.5.

Centraal in de onderhavige procedure staat derhalve de vraag of de gemeente Venlo onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven aan [eiser] , naar aanleiding van een door deze gedaan verzoek, over het op grond van het bestemmingsplan benodigd zijn van een planologische maatregel om zijn geplande activiteiten uit te kunnen voeren en of de gemeente Venlo om die reden onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en

zo ja, of de gemeente Venlo aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade. Het antwoord op die vraag hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder in de eerste plaats de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de gemeente Venlo daaromtrent heeft moeten begrijpen, en de aard en inhoud van de door de gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen de belanghebbende daaromtrent heeft moeten begrijpen. Eerst indien [eiser] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens hem en dat de gemeente daarom jegens [eiser] aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet.

4.6.

De rechtbank overweegt dat de klachtencommissie bij de behandeling van de klacht van [eiser] er vanuit is gegaan dat de vraag van [eiser] feitelijk zag op ambulante handel buiten het pand. Ter comparitie heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat zijn vraag zag op zowel handel in het pand als daarbuiten. De rechtbank overweegt dat dit niet blijkt uit de tekst van de brief van [eiser] , doch dat dit wellicht wel zou kunnen blijken uit de bijgevoegde kadastrale tekening, waar zowel een kruis in de bebouwing als daarbuiten is gezet.

4.7.

De rechtbank overweegt echter dat, wat daar ook van zij, het antwoord planologisch gezien hetzelfde zou zijn geweest. Planologisch gezien was er volgens de gemeente Venlo geen beletsel voor ambulante handel in levensmiddelen op het bewuste perceel, omdat er de bestemming detailhandel op rustte. Kennelijk bedoelt [eiser] te zeggen dat hij uit de mededeling van mevrouw [X] af mocht leiden dat er geen verdere regelgeving van toepassing was, meer specifiek dat de Marktverordening niet van toepassing was op de handel in het pand en dat hij geen standplaatsvergunning nodig had voor de handel buiten het pand.

4.8.

De rechtbank overweegt dat [eiser] op 15 oktober 2009, dus voordat hij de brief van 6 november 2009 aan de gemeente Venlo heeft gestuurd, een vergunningaanvraag voor het innemen van een vaste standplaats voor de verkoop van aardappelen, groente en fruit aan de [adres 2] heeft ingediend. Deze vergunning is door de gemeente Venlo (toen nog gemeente Arcen en Velden) op 9 december 2009 geweigerd wegens strijd met het standplaatsenbeleid. Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank geconcludeerd worden dat [eiser] op de hoogte was van het feit dat hij voor ambulante handel een standplaatsvergunning nodig had. Dat [eiser] ter comparitie heeft betwist dat die aanvraag op dezelfde locatie zag doet aan die wetenschap van [eiser] niet af, temeer niet nu de gemeente Venlo in de afwijzing het standplaatsenbeleid voor [plaats adres 2] nader heeft toegelicht in die zin dat zij kort gezegd heeft aangegeven dat het volgens de APV Arcen en Velden 2004 zonder vergunning verboden is op of aan de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats met een kraam een standplaats in te nemen en goederen te koop aan te bieden. Zij geeft voorts aan dat in [plaats adres 2] zes standplaatsen zijn toegestaan, en wel op de markt. Voor zover de gemeente Venlo hier al een verwijt kan worden gemaakt van het niet informeren van [eiser] over een benodigde standplaatsvergunning stuit dat naar het oordeel van de rechtbank af op de wetenschap van [eiser] .

4.9.

Voorts blijkt noch uit de brief van [eiser] noch uit de bijgevoegde tekeningen dat het zijn bedoeling was gedurende zes dagen per week een zevental kraampjes in het bedrijfspand te gaan exploiteren, die hij zou verhuren aan marktkooplieden die daar hun waar te koop aan konden bieden. Als dat zijn plan was had het op zijn weg gelegen dit duidelijk kenbaar te maken, temeer omdat het niet een algemeen gebruikelijke, voor de handliggende wijze van handel in groente, fruit en aardappelen was. [eiser] heeft ter comparitie aangegeven dat hij zijn plan telefonisch op 8 december 2009 aan mevrouw [X] heeft uitgelegd, doch dit wordt niet ondersteund door de overgelegde stukken. Uit de overgelegde stukken komt het beeld naar voren dat zowel de gemeente Venlo, als de klachtencommissie als de aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente Venlo er vanuit ging dat het probleem was dat de aanvraag van [eiser] zag op handel drijven buiten het pand. De mogelijkheid van kraampjes in het pand wordt nergens besproken en is kennelijk pas aan de orde gekomen bij de aanvraag van [eiser] van

1 oktober 2010.

4.10.

Echter, ook indien het plan van [eiser] om een zevental kraampjes in het bedrijfspand te gaan exploiteren voor de gemeente Venlo duidelijk was geweest was er planologisch geen beletsel geweest en zou het antwoord volgens de gemeente Venlo eveneens geluid hebben dat er geen planologische maatregel nodig was. In dat geval had het naar het oordeel van de rechtbank van een grote mate van zorgvuldigheid getuigd als de gemeente Venlo (ongevraagd) gemeld had welke andere regelgeving op het plan van toepassing was, doch ook in dat geval kan niet gesteld worden dat de gemeente Venlo onrechtmatig gehandeld heeft door die mededeling niet (ongevraagd) te doen. Van [eiser] mag naar het oordeel van de rechtbank verwacht worden dat hij actief navraag doet naar de toepasselijke regelgeving bij een dergelijk plan, temeer nu [eiser] een ondernemer is. Nu [eiser] een concrete vraag bij de gemeente Venlo heeft neergelegd, te weten of er ontheffing van het bestemmingsplan nodig was, mocht hij er niet op vertrouwen dat de gemeente Venlo hem eveneens zou informeren over andere, mogelijk toepasselijke regelgeving. Kortom, [eiser] mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de brief van de gemeente Venlo van 21 december 2009 een volledige toestemming bevatte om zijn plannen ten uitvoer te brengen. Dit betekent dat niet gesteld kan worden dat de gemeente Venlo onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente Venlo worden begroot op:

- griffierecht 613,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.517,00

4.12.

De vordering tot veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. Nu het zogenaamde liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven voorziet in een forfaitair tarief voor die kosten en de rechtbank dat tarief pleegt te volgen, zijn die kosten nu al te begroten. De rechtbank zal de nakosten toewijzen, zoals nader in het dictum wordt bepaald.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente Venlo tot op heden begroot op € 1.517,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf veertien dagen na vonnis tot de dag van algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op
€ 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,00 indien [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan én betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van voornoemde termijn,

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.J.C.A. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2016.1

1 type: coll: SS