Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:999

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-02-2015
Datum publicatie
06-02-2015
Zaaknummer
03/702545-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:3990, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de

uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken. Artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht. 15 jaar gevangenisstraf + betalen van €2250 aan benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03/702545-13

Datum uitspraak : 6 februari 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530 Roermond.

Raadsvrouw is mr. A. Carli, advocaat te Roermond.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 23 januari 2015.

De rechtbank heeft op 23 januari 2015 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 9 januari 2013 in de gemeente Weert tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet

en na kalm beraad en rustig overleg, opzettelijk met een vuurwapen die [slachtoffer] een kogel in/door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 9 januari 2013 in de gemeente Weert tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een

of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet met een vuurwapen die [slachtoffer] een kogel in/door het hoofd geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (van een hoeveelheid geld) (met geweldpleging), gepleegd op of omstreeks 9 januari 2013 in de gemeente Weert, ten overstaan van genoemde [slachtoffer], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 9 januari 2013 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet met een vuurapen die [slachtoffer] een kogel in/door het hoofd geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit, aangezien voor de tenlastegelegde voorbedachte raad geen bewijsmateriaal voorhanden is. Zij heeft gevorderd dat de subsidiair tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag bewezen zal worden verklaard. Ook vordert zij vrijspraak van medeplegen van dit feit, omdat daarvoor eveneens geen wettig en overtuigend bewijsmateriaal voorhanden is.

Voor het subsidiair tenlastegelegde feit meent de officier van justitie dat voldoende wettig en overtuigend bewijsmateriaal voorhanden is De bekennende verklaringen van verdachte worden ondersteund door andere onderzoeksbevindingen en zijn dus geloofwaardig. Voorts bevat het dossier twee verklaringen van getuigen die inhouden dat verdachte heeft gezegd dat hij een moord heeft gepleegd. Bovendien was verdachte op 9 januari 2013 samen met het slachtoffer. Zij zijn beiden op de plaats delict geweest. Verdachte beschikte over een vuurwapen kort voor de dood van het slachtoffer. Er is een vrijwel zekere relatie tussen het schietincident en een tas waarvan meerdere mensen zeggen dat die van verdachte is en waarmee verdachte op het station in Venlo op camerabeelden wordt gezien. In de tas zijn schietsporen aangetroffen. Het profiel van de schoen van verdachte is van dezelfde soort als waarvan een spoor is aangetroffen op de plaats delict. Tenslotte is op de plaats van het delict een dopje van een parfumfles gevonden waarop DNA van verdachte en slachtoffer is aangetroffen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Er is geen wettig en overtuigend bewijsmateriaal voorhanden om de voorbedachten rade te bewijzen. Reeds hierom dient verdachte van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken. Voorts dient verdachte van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken omdat de bekennende verklaring van verdachte niet mag worden gebruikt voor het bewijs, enerzijds omdat in strijd met de Salduz jurisprudentie verdachte niet voorafgaand aan het afleggen van zijn bekennende verklaring op zijn consultatierecht is gewezen, anderzijds omdat de bekennende verklaringen van verdachte onbetrouwbaar zijn nu deze inconsistent zijn en niet aansluiten bij andere bewijsmiddelen, waarbij de geestelijke gesteldheid van verdachte en de beweegredenen waardoor hij tot zijn bekentenis is gekomen dienen te worden meegenomen bij de waardering van deze verklaringen. Bovendien is het exacte tijdstip van overlijden van het slachtoffer niet vastgesteld. Gelet op de verklaring van getuige [getuige 1] was hij 9 januari 2013 om 18.30 in de jongerenontmoetingsplaats (JOP), waar het lichaam van het slachtoffer de volgende dag is aangetroffen. Hij heeft het slachtoffer daar niet zien liggen zodat het tijdstip van overlijden moet zijn gelegen op een later tijdstip dan dat verdachte daar volgens het onderzoek telecommunicatie zou zijn geweest.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak primair tenlastegelegde

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde omdat zij, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel is dat de voorbedachten rade niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.3.2.

Bespreking van een verweer

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de bekennende verklaring van verdachte niet voor het bewijs mag worden gebruikt, omdat in strijd met de Salduz-jurisprudentie aan verdachte niet de mogelijkheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor zijn raadsvrouw te consulteren. Daartoe heeft zij, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Op 1 februari 2014 heeft verdachte zich telefonisch bij de politie gemeld en gezegd dat hij de doodslag op [slachtoffer] wilde bekennen. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte reeds op het moment dat hij telefonisch aangaf nieuwe informatie in de vorm van een bekentenis te willen verstrekken aangehouden had moeten worden en dat het verhoor in afwachting van consultatie van de raadsvrouw had moeten worden opgeschort.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het verweer moet worden verworpen. Het consultatierecht van verdachte is niet geschonden. Verdachte heeft aan verbalisant [verbalisant 1] op 1 februari 2014 alleen meegedeeld dat hij (onder meer) wilde praten over de moord c.q. doodslag op het slachtoffer. Uit het dossier blijkt niet dat hij heeft meegedeeld een bekentenis te willen afleggen. Op het moment dat hij een bekennende verklaring aflegde is hij aangehouden en is hij in de gelegenheid gesteld om zijn raadsvrouw te consulteren.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Op het moment dat verdachte besloot contact op te nemen met de politie voor het afleggen van een nadere verklaring, was hij in vrijheid. Hij was toen in de gelegenheid desgewenst zijn raadsvrouw te consulteren. De Salduz-jurisprudentie beoogt de toegang tot rechtsbijstand te verzekeren van personen die van hun vrijheid zijn beroofd. Dat was op dat moment niet aan de orde. Zo verdachte al voorafgaand aan zijn verhoor waarin hij zijn eerste bekentenis heeft afgelegd op het consultatierecht had moeten worden gewezen, quod non nu verdachte op dat moment (nog) niet was aangehouden, constateert de rechtbank dat de verdachte ook nadat hij gebruik heeft gemaakt van het consultatierecht meerdere bekennende verklaringen heeft afgelegd.

4.3.3.

Het bewijs

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Verbalisant [verbalisant 2] 2 heeft op 18 januari 2013, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

In de voormiddag van donderdag 10 januari 2013 werd bij de jongerenontmoetingsplaats (JOP) gelegen aan de Ringbaan Oost te Weert het levenloze lichaam van een man aangetroffen. Het JOP is gelegen in het buurtschap Graswinkel.

Verbalisant [verbalisant 3] 3 heeft op 26 mei 2014, zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:

Op donderdag 10 januari 2013 werd op de Ringbaan-Oost te Weert het levenloze lichaam aangetroffen van [slachtoffer] (roepnaam [slachtoffer]), geboren op 20 oktober 1969 te Weert. Naar aanleiding hiervan werd een team grootschalig onderzoek (TGO) met de naam 23TG1301 gestart.

Verbalisanten [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6] 4 hebben op 29 mei 2013, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Op 10 januari 2013 is het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in beslag genomen. Het stoffelijk overschot werd voorzien van een label met SIN AAFM6076NL.

Verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] 5 hebben op 14 januari 2013, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Op maandag 14 januari 2013 toonden wij in het kader van het onderzoek 23TG1301 in het mortuarium te Weert een stoffelijk overschot aan [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer], respectievelijk de vader en moeder van [slachtoffer]. Desgevraagd verklaarden zij dat het getoonde stoffelijk overschot hun zoon was.

Verbalisant [verbalisant 5] 6 heeft op 29 mei 2013, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Op maandag 14 januari 2013 heeft de patholoog A. Maes sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] voorzien van het nummer AAFM6076NL.

Op 6 februari 2013 is door middel van sectie op het lichaam van [slachtoffer], een pathologisch onderzoek verricht door dr. A Maes, arts en patholoog 7 . Bij dat onderzoek is het volgende gebleken:

Er was in de behaarde hoofdhuid vrijwel midden aan het achterhoofd een ronde perforatie van 0,5 centimeter. Het letsel had het aspect van een inschotopening. Bovenop de kruin, net iets links van de middenlijn, was een stervormige perforatie van circa anderhalve centimeter. Het letsel had het aspect van een uitschotopening. Het letsel werd bemonsterd voor onderzoek naar schotresten. Bij sectie kon de waargenomen doorschotverwonding door het hoofd worden bevestigd, hoogstwaarschijnlijk van achter naar voor en iets naar boven verlopend. Het overlijden wordt zonder meer verklaard door functieverlies van de hersenen als gevolg van het schotletsel. [slachtoffer] is overleden als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig perforerend geweld op het hoofd (doorschotverwonding).

De verdachte heeft op 1 februari 2014, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard 8 :

[slachtoffer] is door mij om het leven gekomen. Ik heb hem met een pistoolschot gedood. Dat schot is van mij afkomstig. Na de moord heb ik het pistool weggegooid. Ik heb [slachtoffer] met een vuurwapen doodgeschoten.

De verdachte heeft op 2 februari 2014, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard 9 :

Ik had een pistool bij mij. Ik had het pistool in mijn tas zitten. Ik haalde het pistool uit mijn tas en hief mijn arm omhoog in de richting van [slachtoffer]. Het schot kwam direct en ik zag dat ik [slachtoffer] in zijn hoofd raakte. Ik zag dat [slachtoffer] naar achteren viel op zijn rug. Ik had die zwarte Converse schoenen aan die jullie in beslag hebben genomen. Het was een 9 mm pistool.

De verdachte heeft op 4 februari 2014, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard 10 :

Ik ben toen naar Venlo vertrokken alleen. Het wapen had ik al bij mij. [slachtoffer] en ik liepen van zijn woning in Venlo naar het station en wij liepen het station binnen. [slachtoffer] kocht een kaartje voor hem en voor mij. We stapten in de trein naar Weert. Ik belde de taxichauffeur. Dat was [naam taxichauffeur]. Ik heb hem gevraagd om ons bij de wijk Graswinkel weer af te zetten. [slachtoffer] stond buiten het JOP. Ik raakte hem van achteren. [slachtoffer] viel achterover. Hij viel eigenlijk buiten het JOP. Ik trok hem iets naar binnen. Ik heb toen zijn beurs gepakt en ik pakte zijn tas. In de beurs zat € 1.600,00 of € 1.700,00. [slachtoffer] lag op zijn rug toen ik hem het JOP in sleepte. Ik deed het omdat ik geld nodig had. Ik wilde geld hebben. Ik wist dat hij geld bij zich moest hebben want hij wilde een wapen kopen. [slachtoffer] zou minstens € 1.300,00 bij zich moeten hebben maar in zijn beurs zat € 1.600,00 of € 1.700,00. In de tas van [slachtoffer] zaten wat reglementen of zo en volgens mij zijn identiteitsbewijs of zo. Het begon te schemeren toen ik hem om het leven heb gebracht.

Het proces-verbaal onderzoek telecommunicatie ([verdachte]) 11 d.d. 11 juni 2013 , vermeldt, zakelijk weergegeven, het volgende:

Op 9 januari 2013 te 15.14.15 uur bevond [verdachte] zich onder bereik van een cell id te Reuver. In het gebied waar deze cell id bereik heeft is de spoorlijn Venlo-Roermond gelegen. [verdachte] belde op 9 januari 2013 te 15.30.45 uur naar een telefoonnummer in gebruik bij [naam taxichauffeur] (taxichauffeur). [verdachte] is samen met [slachtoffer] op 9 januari 2013. [verdachte] is naar Venlo gegaan waar hij even heeft verbleven om vervolgens met de trein samen met [slachtoffer] naar Weert te gaan. Eenmaal in Weert is [verdachte] naar de wijk Graswinkel gegaan. In deze wijk, grenzende aan de Ringbaan-Oost is de plaats delict gelegen. [verdachte] heeft zich vervolgens op 9 januari 2013 tussen 16.06.26 uur en 16.39.04 uur bewogen in een gebied waar hij bereik heeft van drie verschillende cell id’s. Deze drie cell id’s kunnen afwisselend ook op de plaats delict bereikt worden zodat het mogelijk is dat [verdachte] tussen de genoemde tijdstippen zich niet verplaatst heeft doch steeds heeft verbleven op de plaats delict.

Het proces-verbaal onderzoek telecommunicatie ([slachtoffer]) 12 d.d. 24 juni 2013 , vermeldt, zakelijk weergegeven, het volgende:

Het gsm toestel van [slachtoffer] was op 9 januari 2013 te 17.04.58 in het geografisch gebied te Weert waar hij om het leven is gebracht en op 10 januari 2013 is aangetroffen. Het toestel van [slachtoffer] was op 10 januari 2013 te 08.40.49 uur nog steeds in hetzelfde gebied. Het toestel is in de periode van 9 januari 2013 te 17.04.58 uur en 10 januari 2013 te 08.40.49 uur standby geweest omdat er in die periode 6 sms berichten ontvangen zijn. Gezien het feit dat er op 9 januari 2013 tussen 17.02.07 en 17.08.50 uur ook nog zes keer naar [slachtoffer] is gebeld is het mogelijk dat [slachtoffer] op 9 januari 2013 vanaf 17.02.07 uur om wat voor reden dan ook zijn mobiele telefoon niet heeft kunnen gebruiken.

Verbalisant [verbalisant 9] 13 heeft op 28 januari 2013, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Aan mij werden in het kader van het onderzoek naar de niet natuurlijke dood van [slachtoffer] videobeelden getoond. De mij getoonde videobeelden waren kennelijk opgenomen middels het videobewakingssysteem van het NS-station te Venlo. Ik zag op het beeld dat als datum en tijdstip 9 januari 2013 14.55 waren vastgelegd. Op de videobeelden zag ik twee mannen lopen. Deze mannen zijn mij ambtshalve van naam en gezicht bekend. De eerste man betrof [slachtoffer]. De tweede man betrof [verdachte].

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] 14 d.d. 12 maart 2013 , vermeldt zakelijk weergegeven, het volgende:

V: vraag van de verbalisanten

A: antwoord van de getuige

V: op vrijdag 1 maart 2013 te 12.42 krijg ik, verbalisant [verbalisant 10], een SMS bericht van het telefoonnummer 06-[telefoonnummer]. Van wie is dit telefoonnummer?

A: dat is het nummer van onze stichting. Het bereikbaarheidsnummer van Horeb.

V: In dit bericht stond de volgende tekst: [verdachte] heeft aan een anonieme vrijwilliger de moord bekend. Wie heeft dit bericht verstuurd?

A: Ik heb dat bericht verstuurd.

V: Van wie heeft u de informatie gekregen omtrent het bekennen van een moord door [verdachte]?

A: Ik heb deze informatie gekregen van [getuige 3]. Daarnaast ook van [getuige 4]. Zij hebben dit letterlijk aan mij verteld dat [verdachte] iemand vermoord heeft. Dit bericht kreeg ik voor de aanhouding van [verdachte].

Getuige [getuige 4] 15 verklaart op 4 maart 2013 , zakelijk weergegeven, het volgende:

In een gebed heeft [verdachte] dat bekend. Ik hoorde dat hij zei: “Vader vergeef me dat ik die persoon heb vermoord.”

Getuige [getuige 3] 16 verklaart op 7 maart 2013 , zakelijk weergegeven, het volgende:

Ik raakte op donderdag 21 februari 2013 met [verdachte] in gesprek. Ik hoorde dat [verdachte] zei “ik heb er een opgeruimd” dan wel woorden van gelijke strekking. Ik vroeg toen aan [verdachte]: “heb je iemand vermoord?”. [verdachte] zei “ja, ik heb iemand vermoord”. Hij vertelde dat hij daarna was weggelopen. Hier had [verdachte] het heel moeilijk mee. Hij zat meer met het feit dat hij die persoon had achtergelaten dan dat hij hem had vermoord. Daar is [verdachte] wel drie keer opnieuw over begonnen.

Verbalisant [verbalisant 11] 17 heeft op 4 maart 2013, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Op 26 februari 2013 werd in de woning, perceel [adres] te Weert een doorzoeking gehouden. In de woning werd een bruine heuptas van het merk Gapstar in beslag genomen.

Compleet sporenoverzicht 23TG1301 18 :

Hieruit blijkt dat de heuptas die aan de bovenzijde was gescheurd en die is inbeslaggenomen op het adres [adres] te Weert het SIN-nummer AAFK4933NL heeft.

[betrokkene 1] 19 heeft op 27 februari 2013, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard:

Van [betrokkene 2] hoorde ik dat [slachtoffer] een vuurwapen zocht. De donkerbruine schoudertas van het merk Star die jullie in mijn woning op de [adres] te Weert hebben aangetroffen is van [verdachte]. Ik heb bij [verdachte] wel eens een vuurwapen gezien. Dat zat in de tas waarvan jullie mij een foto hebben laten zien. Het wapen zat in de tas die jullie in mijn woning hebben aangetroffen. [verdachte] droeg die tas altijd bij zich. Hij droeg die tas over zijn schouder waarbij hij zijn hoofd door de lus stak. [verdachte] had het wapen voordat [slachtoffer] is overleden. Het vuurwapen zag er ongeveer hetzelfde uit als de vuurwapens die jullie altijd bij je hebben. Er zat goudkleurige munitie bij.

[betrokkene 3] 20 heeft op 21 februari 2013, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard:

Er is op 8 januari 2013 in de woning van [betrokkene 1] gesproken over het geld dat [slachtoffer] bij zich had. [slachtoffer] had genoeg geld. Ik heb gezien dat [verdachte] een pistool bij zich had. Zo’n zwart ding waar je een magazijn uit haalt. Hij had dat toen in een tas. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat het een negen millimeter was. De tas was precies dezelfde als hij op 8 en 9 januari 2013 bij zich had. Ik heb een stuk of tien patronen gezien. Hij liet dat pistool zien op 8 januari. De kop van de kogel was goudkleurig/koperkleurig.

Uit het rapport van het schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Weert, d.d. 28 augustus 2013, verricht door ing. R.C. Roepnarain 21 , werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, blijkt het volgende:

Het onderzoek heeft een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen de bemonsterde delen van de tas (AAFK4933NL) en een schietproces.

[betrokkene 3] 22 heeft op 4 april 2013, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard:

De schoenen op foto 2, bijlage 2 zijn de schoenen die ik heb schoongemaakt. [verdachte] trok die woensdag uit bij [betrokkene 1]. De tas op foto 6, bijlage 6 is de tas die [verdachte] altijd schuin droeg. Het is de tas waar de scheur in zat. Toen [verdachte] mij het pistool liet zien op de slaapkamer bij [betrokkene 1] toen zat het wapen in deze tas.

Verbalisant [verbalisant 12] 23 heeft op 27 februari 2013, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Op 26 februari 2013 werd te Beekbergen [verdachte], geboren op [geboortegegevens verdachte], aangehouden. Tijdens deze aanhouding te Beekbergen werden onder andere de navolgende goederen inbeslaggenomen:

SIN AAFJ5921NL: een linkerschoen All Star zwart, met witte rand-zool;

SIN AAFJ5922NL: een rechterschoen All Star zwart, met witte rand-zool.

Vergelijkend schoensporenonderzoek 24 :

Hieruit blijkt dat de sporen die zijn aangetroffen op de plaats delict zijn veroorzaakt met schoenen, soortgelijk aan de inbeslaggenomen schoenen van het merk All Star/Converse van verdachte.

bewijsoverweging

Verdachte heeft zowel ontkennende als bekennende verklaringen afgelegd. Als gevolg daarvan ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld wanneer de verdachte naar waarheid heeft verklaard. De ontkennende verklaringen die verdachte heeft afgelegd konden telkens worden ontkracht door bevindingen van de politie waarna hij keer op keer zijn verklaring aanpaste. Voor de bekennende verklaringen was daarentegen steeds steunbewijsmateriaal voorhanden. Dat de bekennende verklaringen onderling niet tot in detail consistent zijn doet daaraan niet af, nu deze op belangrijke onderdelen door andere bewijsmiddelen worden ondersteund. De rechtbank acht de bekennende verklaringen derhalve betrouwbaar en zal deze voor het bewijs gebruiken.

Uit bovenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 9 januari 2013 omstreeks 15.00 uur samen met het latere slachtoffer in Venlo op de trein is gestapt . Verdachte had op dat moment het vuurwapen reeds in zijn tas. Van Venlo zijn ze per trein naar Weert gereisd. Vervolgens zijn ze door taxichauffeur [naam taxichauffeur] naar de wijk Graswinkel gereden en naar de JOP gelopen alwaar verdachte [slachtoffer] van achteren een kogel door zijn hoofd heeft geschoten. Verdachte heeft € 1.600,00 of € 1.700,00 uit een beurs vanhet slachtoffere weggenomen waarna hij de plaats van het delict heeft verlaten.

Wat betreft de opmerking van de verdediging dat het (exacte) moment van overlijden niet is vastgesteld en dat het dus zeer wel mogelijk is dat [slachtoffer] op een later moment – toen verdachte zich niet meer in het gebied van de plaats delict bevond - is doodgeschoten, overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel het exacte tijdstip van overlijden van het slachtoffer niet kon worden vastgesteld concludeert de rechtbank dat dit heeft gelegen op een moment vóór 9 januari 2013 17.02.07 uur. Vanaf dat tijdstip heeft het slachtoffer niet meer gereageerd op telefoontjes en sms’jes hoewel er daarna wel zes keer naar hem is gebeld en ge-sms’t. Uit het proces-verbaal telecommunicatie met betrekking tot verdachte blijkt dat verdachte voorafgaand aan het moment waarop het slachtoffer moet zijn overleden op de plaats delict is geweest. Niemand heeft het slachtoffer daarna nog levend gezien.

Dat de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 9 januari 2013 om 18.30 bij de JOP (waar het lichaam van het slachtoffer de volgende dag is aangetroffen) is geweest, en het slachtoffer daar niet heeft zien liggen maakt dat niet anders. Op dat tijdstip is het in januari immers al donker. De JOP betreft voorts een onverlichte ruimte met grote betonblokken. Het slachtoffer is aangetroffen in de ruimte, liggende achter een betonblok. Het slachtoffer was daardoor vrijwel geheel aan het zicht onttrokken. Het is derhalve naar het oordeel van de rechtbank wel mogelijk dat [getuige 1] ter plaatse is geweest en het slachtoffer niet heeft opgemerkt.

Daarbij komt dat in de tas die door [betrokkene 1] en [betrokkene 3] is herkend als zijnde de tas van verdachte die hij altijd bij zich droeg en waarin hij een vuurwapen zou bewaren sporen zijn aangetroffen die ‘hoogstwaarschijnlijk’ zijn aan te merken als schotresten.

Tenslotte blijkt uit het vergelijkend schoensporenonderzoek dat de sporen die zijn aangetroffen op de plaats delict zijn veroorzaakt met schoenen, soortgelijk aan de zoolafdrukken van de inbeslaggenomen schoenen van het merk All Star/Converse van verdachte.

4.4

De bewezenverklaring

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen, de bekentenis van verdachte en de draaiende, inconsequente en onvolledige verklaringen van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 januari 2013 in de gemeente Weert opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen die [slachtoffer] een kogel door het hoofd geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een hoeveelheid geld, gepleegd op 9 januari 2013 in de gemeente Weert en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

subsidiair

doodslag gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de

uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van verdachte

De psychiater E.M.M. Mol heeft op 5 mei 2013 in een brief geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van zeer ernstige persoonlijkheidspathologie naast verslavingsproblematiek. Door de psycholoog I.J.C. van Wijnen is omtrent de geestvermogens van verdachte op 30 april 2014 een rapportage uitgebracht. Er is sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van poli-middelenafhankelijkheid c.q. chronische verslaving en van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een ernstige persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale, paranoïde en theatrale trekken. Vanwege de destijds ontkennende houding kan geen uitspraak worden gedaan of de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte door de ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van verdachte zijn beïnvloed, zodanig dat deze daaruit verklaard kunnen worden. De deskundige komt derhalve niet tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

De rechtbank is ook overigens niet gebleken van enige omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel of gedeeltelijk zou uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezenverklaarde.

7 De oplegging van straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren met aftrek van voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet over de eis uitgelaten nu zij zich op het standpunt stelt dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Gelet daarop heeft de verdediging verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft het slachtoffer, een bekende uit het verslaafdencircuit, met wie hij samen naar het JOP te Weert was gereisd, van het leven beroofd om hem vervolgens van een aanzienlijk geldbedrag te kunnen beroven. Vast staat dat de verdachte het door hem meegenomen en doorgeladen vuurwapen op enig moment op het slachtoffer heeft gericht en hem op uiterst lafhartige wijze van achteren een kogel door zijn hoofd heeft geschoten. Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer beroofd van een aanzienlijk geldbedrag en is er vandoor gegaan.

Dit is een zeer ernstig en schokkend feit. Aan het slachtoffer is het meest fundamentele recht dat er bestaat, het recht op leven, ontnomen. Bovendien is hierdoor veel verdriet en leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer. Ter terechtzitting heeft de zus van het slachtoffer, mede namens hun ouders, een verklaring voorgelezen. Hieruit blijkt op indringende wijze de enorme impact op de nabestaanden die de laffe daad van verdachte heeft veroorzaakt. Zij moeten de ingrijpende gevolgen van dit onherroepelijke en volkomen onverwachte verlies voor altijd met zich dragen. Door wisselende verklaringen af te leggen, zowel bekennend als ontkennend, heeft de verdachte de nabestaanden bovendien in het ongewisse gelaten over wat het slachtoffer precies is overkomen. Aldus heeft hij hen na de daad nog extra leed berokkend.

Gekwalificeerde doodslag behoort tot de meest ernstige feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. Dit delict, waarvoor verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden gehouden, is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 december 2014 vaker is veroordeeld, onder meer wegens geweldsdelicten. De rechtbank acht het van het grootste belang dat de maatschappij beschermd wordt tegen deze verdachte, die er blijk van heeft gegeven zeer weinig respect voor het menselijk leven en andermans eigendommen te hebben. Daarbij wordt betrokken dat de verdachte het verwerpelijke van zijn handelen niet lijkt in te zien. De rechtbank is van oordeel dat alleen een aanzienlijke onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf zoals geëist door de officier van justitie een passende reactie vormt. De rechtbank zal het verzoek van de raadsvrouw tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte dan ook afwijzen.

8 De benadeelde partij

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [vader slachtoffer] vordert vergoeding van een bedrag van in totaal

€ 2.250,00 wegens kosten die door hem zijn gemaakt in verband met het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer]. Het gaat daarbij om de kosten van de uitvaart. Verder verzoekt hij vergoeding van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen en dat aan de verdachte telkens de verplichting als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen danwel dat de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering is, omdat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten laste van verdachte is het hiervoor subsidiair tenlastegelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld. [vader slachtoffer] is de vader van het slachtoffer en heeft zich als drager van de kosten van lijkbezorging ex artikel 6:108, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek als benadeelde partij gevoegd. Ingevolge het bepaalde in artikel 51f, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering kan hij derhalve aanspraak maken op de kosten die in verband met de lijkbezorging van zijn zoon te zijner laste zijn gekomen, voor zover die kosten in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Gelet op het bovenstaande, het feit dat de gestelde schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde zal de vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer], met inbegrip van de gevorderde wettelijke worden toegewezen. Nu de benadeelde partij zich niet heeft uitgelaten over de ingangsdatum van de wettelijke rente, zal de ingangsdatum worden gesteld op de datum van de factuur voor de uitvaart van het slachtoffer, te weten 16 januari 2013. Verdachte zal veroordeeld worden in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van [vader slachtoffer] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd, een bedrag van € 2.250,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 32 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf

16 januari 2013 tot de dag der algehele voldoening.

9 Het beslag

De rechtbank gelast de teruggave aan de ouders van het slachtoffer van de volgende inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen:

1. STK Simkaart

-

413506

2 1.00 STK Papier

-

413544

3 3.00 STK Beeldplaat

EMTEC

413467

4 2.00 STK Foto

-

413527

5 1.00 STK Geluidsapparatuur

SWEEX VICI

413480

6 3.00 STK Simkaart

-

413517

7 1.00 STK Papier

-

413485

8 1.00 STK Bankpas

ING

413519

9 2.00 FLS Fles

CAMPINA

413533

10 1.00 STK Papier

-

413490

12 1.00 STK diverse goederen

-

413535

13 1.00 STK Papier

-

413522

14 1.00 STK Papier

-

413539 map met bescheiden

15 1.00 STK Doos

NOKIA

355854

16 1.00 STK Papier

-

413413 papieren uit rugzak [slachtoffer].

Verdachte heeft ter terechtzitting afstand gedaan van de op de beslaglijst onder 11 genoemde doos van Van Gils 398369. De rechtbank zal daarom daarover geen beslissing meer nemen.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24, 27, 36f, 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4. is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijftien jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

  • -

    wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- wijst toe de vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer] voor een bedrag van € 2.250,00;

  • -

    veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [vader slachtoffer], te betalen een bedrag van € 2.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 16 januari 2013 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 2.250,00, subsidiair 32 dagen hechtenis, ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer genaamd [vader slachtoffer], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 16 januari 2013 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.250,00, ten behoeve van voornoemde nabestaande daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [vader slachtoffer] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Beslag

- gelast de teruggave aan de nabestaanden van:

1. STK Simkaart

-

413506

2 1.00 STK Papier

-

413544

3 3.00 STK Beeldplaat

EMTEC

413467

4 2.00 STK Foto

-

413527

5 1.00 STK Geluidsapparatuur

SWEEX VICI

413480

6 3.00 STK Simkaart

-

413517

7 1.00 STK Papier

-

413485

8 1.00 STK Bankpas

ING

413519

9 2.00 FLS Fles

CAMPINA

413533

10 1.00 STK Papier

-

413490

12 1.00 STK diverse goederen

-

413535

13 1.00 STK Papier

-

413522

14 1.00 STK Papier

-

413539 map met bescheiden

15 1.00 STK Doos

NOKIA

355854

16 1.00 STK Papier

-

413413 papieren uit rugzak [slachtoffer].

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers, mr. A.P.A. Bisscheroux en

mr. V.P. van Deventer, rechters, van wie mr. H.H. Dethmers voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C.B. Lenssen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 februari 2015.

Buiten staat

Mr. H.H. Dethmers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2300-2013003155 d.d. 28 mei 2014 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Een proces-verbaal d.d. 18 januari 2013, doorgenummerde pagina’s 125 en 126 (deeldossier D)

3 Een proces-verbaal d.d. 26 mei 2014 doorgenummerde pagina 3 (deeldossier 0, leeswijzer)

4 Een proces-verbaal d.d. 29 mei 2013, doorgenummerde pagina’s 166 tot en met 168 (deeldossier D).

5 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2013, doorgenummerde pagina 92 (deeldossier C)

6 Een proces-verbaal d.d. 29 mei 2014, doorgenummerde pagina’s 196 tot en met 198 (deeldossier D).

7 Een geschrift, te weten een rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” opgemaakt op 6 februari 2013 door A. Maes, doorgenummerde pagina’s 393 tot en met 398 (deeldossier D)

8 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 1 februari 2014, doorgenummerde pagina’s 297 tot en met 299 (deeldossier 0).

9 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 2 februari 2014, doorgenummerde pagina’s 300 tot en met 304 (deeldossier 0).

10 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 4 februari 2014, doorgenummerde pagina’s 318 tot en met 324 (deeldossier 0).

11 Een proces-verbaal van telecommunicatie([verdachte]) d.d. 11 juni 2013 met bijlagen, doorgenummerde pagina’s 466 tot en met 473, deeldossier C).

12 Een proces-verbaal van telecommunicatie([slachtoffer]) d.d. 24 juni 2013 met bijlagen, doorgenummerde pagina’s 484 tot en met 488 met bijlagen (deeldossier C).

13 Een proces-verbaal van herkenning [verdachte] d.d. 31 januari 2013, doorgenummerde pagina 177 (deeldossier C).

14 Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 maart 2013, doorgenummerde pagina’s 475 tot en met 478 (deeldossier B).

15 Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 maart 2013, doorgenummerde pagina’s 419 tot en met 422 (deeldossier B).

16 Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 maart 2013, doorgenummerde pagina’s 461 tot en met 463 (deeldossier B).

17 Een proces-verbaal d.d. 4 maart 2013, doorgenummerde pagina 376 (deeldossier C).

18 Een geschrift, zijnde een compleet sporenoverzicht 23 TG1301, doorgenummerde pagina 31 (deeldossier D)

19 Een proces-verbaal van verhoor getuige met bijlagen d.d. 27 februari 2013, doorgenummerde pagina’s 151 tot en met 158 (deeldossier B).

20 Een proces-verbaal van verhoor getuige met bijlage d.d. 21 februari 2013, doorgenummerde pagina’s 364 tot en met 374 (deeldossier B).

21 Een geschrift, zijnde een rapport van het schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Weert, d.d. 28 augustus 2013, verricht door ing. R.C. Roepnarain, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, doorgenummerde pagina’s 444 tot en met 462 (deeldossier D)

22 Een proces-verbaal van verhoor verdachte met bijlagen d.d. 4 april 2013, doorgenummerde pagina’s 399 tot en met 410 (deeldossier 0).

23 Een proces-verbaal d.d. 27 februari 2013, doorgenummerde pagina’s 196 tot en met 198 (deeldossier D).

24 Een proces-verbaal d.d. 5 juni 2013, doorgenummerde pagina’s 270 tot en met 279 (deeldossier D).