Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:9927

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
04-12-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1891u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder is op grond van artikel 33a, tweede lid, van de AOW bij de toekenning van de tegemoetkoming AOW terecht van het percentage van 92% uitgegaan, nu verweerder ingevolge dit artikel in de gevallen dat op het ouderdomspensioen een korting wordt toegepast, op de inkomensondersteuning een evenredige korting dient toe te passen. De discussie over de juistheid van de korting van 2% vanwege de schuldig nalatig verklaring kan, gelet op het al rechtens vast staan van het percentage, in het kader van de thans aan de orde zijnde regeling niet meer opnieuw worden gevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/1891

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 november 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. K. van Ingen).

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de door hem maandelijks te ontvangen Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (tegemoetkoming KOB) van € 25,12 bruto per 1 januari 2015 wordt vervangen door een maandelijks te ontvangen bedrag van € 23,32 bruto op grond van de inkomensondersteuning Algemene Ouderdomswet (AOW).

Bij besluit van 29 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2015, gevoegd met de beroepsprocedures met procedurenummers AWB/ROE 15/1147 en AWB/ROE 15/1152. Eiser is ter zitting verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na het sluiten van het onderzoek heeft de rechtbank de zaken gesplitst en doet zij in iedere zaak afzonderlijk uitspraak.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op 26 februari 1943, is met ingang van de maand februari 2008 in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd in aanmerking gebracht voor een AOW-pensioen. Wegens een niet-verzekerde periode van drie jaar is ingevolge artikel 13 van de AOW een korting toegepast van 6%. Bij besluit van 19 december 2011 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij met ingang van januari 2012 2% minder AOW-pensioen krijgt omdat hij over een periode geen premies voor de volksverzekeringen heeft betaald en daarom schuldig nalatig is verklaard. De tegen dit besluit door eiser aangewende rechtsmiddelen hebben niet tot een voor eiser andere uitkomst geleid.

2. Naast het gekorte AOW-pensioen ontving eiser tevens een maandelijkse tegemoetkoming KOB van € 25,12 bruto die hem is toegekend op grond van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen. Bij het primaire besluit is eiser meegedeeld dat de tegemoetkoming KOB met ingang van 1 januari 2015 wordt vervangen door een maandelijks te ontvangen bedrag van € 23,32 bruto op grond van de inkomensondersteuning AOW. Het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Desgevraagd heeft eiser ter zitting verklaard dat hij er geen problemen mee heeft dat de tegemoetkoming KOB is vervangen door de inkomensondersteuning AOW, maar dat verweerder bij de vaststelling van de hoogte van zijn AOW-pensioen en daarmee ook bij de vaststelling van de hoogte van de inkomensondersteuning AOW ten onrechte een percentage van 92 in plaats van 94 heeft gehanteerd. Eiser is van mening dat de hiervoor genoemde korting van 2% die met ingang van 1 januari 2012 is toegepast wegens de schuldig nalatig verklaring ten onrechte heeft plaatsgevonden, aangezien de schuldig nalatig verklaring het gevolg is van een onjuiste handeling van de Belastingdienst.

4. De rechtbank stelt vast dat over de schuldig nalatig verklaring reeds tot in hoogste instantie is geprocedeerd. Het beroep tegen het besluit op bezwaar tegen het eerder genoemde primaire besluit van 19 december 2011 is wegens een niet verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard bij uitspraak van de rechtbank van 25 juli 2013 (AWB 12/1173) en in hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep vervolgens de uitspraak van de rechtbank bevestigd op 18 april 2014 (13/4814 AOW). Daarmee staan de rechtsgevolgen van het besluit van 19 december 2011 in rechte vast, ook al is de vraag of eiser bij zijn AOW pensioen terecht met 2% is gekort omdat hij schuldig nalatig zou geweest in die procedures niet inhoudelijk beoordeeld. Dit maakt dat verweerder op grond van artikel 33a, tweede lid, van de AOW bij de toekenning van de tegemoetkoming terecht van het percentage van 92% is uitgegaan, nu verweerder ingevolge dit artikel in de gevallen dat op het ouderdomspensioen een korting wordt toegepast, op de inkomensondersteuning een evenredige korting dient toe te passen. De discussie over de juistheid van de korting van 2% vanwege de schuldig nalatig verklaring kan, gelet op het (al) rechtens vast staan van het percentage, in het kader van de thans aan de orde zijnde regeling niet meer opnieuw worden gevoerd.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen (voorzitter), en mr. P.J. Voncken en mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2015.

w.g. W. Bocken,

griffier

w.g. C. Nollen,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 27 november 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.