Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:9796

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-11-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 702u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

De door eiseres beoogde werkzaamheden als vrijwilliger voor begeleiding van (ex-)gedetineerden zijn, in afwijking van de heersende jurisprudentie, naar het oordeel van de rechtbank geen werkzaamheden uit hoofde waarvan zij op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd. Het beoogde werk wordt weliswaar verricht onder regie van een instelling tot wier taak het kan worden gerekend om de re-integratie van (ex-)gedetineerden te bevorderen, maar niettemin kunnen deze werkzaamheden thans in het maatschappelijk verkeer niet worden beschouwd als activiteit waarvoor een beloning mag worden verwacht. Eiseres heeft toereikend gemotiveerd dat het gaat om werkzaamheden die specifiek zijn ontwikkeld en er zich bij uitstek voor lenen om door niet-professionele krachten te worden uitgeoefend. Tevens is aannemelijk dat deze specifieke werkzaamheden in het verleden nimmer door beroepskrachten zijn verricht en dat er geen uitzicht op is dat dit in de toekomst zal gebeuren. Ook is van belang dat van algemene bekendheid is dat het in toenemende mate bij (professionele) instellingen op het gebied van gezondheidszorg, sociaal werk en cultuur gebruikelijk is dat onbetaalde krachten worden ingezet voor tal van werkzaamheden De rechtbank ziet daarom aanleiding voor verruiming van voormelde maatstaf in die zin dat het binnen professionele organisaties verrichten van specifiek voor vrijwilligers ontwikkelde en geschikte werkzaamheden waardoor geen betaald werk verdrongen wordt, niet leidt tot verlies van het werknemerschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/111

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/702 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] eiseres

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), verweerder

(gemachtigde: M.C.C. Fens).

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiseres om toestemming voor het met behoud van uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) verrichten van vrijwilligerswerk bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI).

Bij besluit van 15 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door C.J.C. [naam directeur] J.J.L. [naam staffunctionaris] en C.A. [naam 3] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De behandeling is ter zitting geschorst om verweerder gelegenheid te geven zijn standpunt te heroverwegen.

Op 22 juli 2015 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingezonden.

Nadat van beide partijen toestemming was ontvangen om uitspraak te doen zonder nadere behandeling ter zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres ontving sinds 3 maart 2014 een WW-uitkering. In 2014 heeft eiseres verweerder om toestemming gevraagd om met behoud van WW-uitkering bij Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) vrijwilligerswerk te doen. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij dit werk, dat bestaat uit het administratief ondersteunen van gedetineerden, 3 uur per week wil gaan doen.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder dat verzoek afgewezen, omdat het werk volgens verweerder geen vrijwilligerswerk is, nu het werk onderdeel is van de reguliere werkzaamheden van de instelling of organisatie en in het maatschappelijk verkeer geldt als activiteit waarvoor een beloning mag worden verwacht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat het door eiseres te verrichten werk, ondanks dat het via een vrijwilligersorganisatie wordt verricht en er geen geldelijke vergoeding tegenover staat, geen regulier vrijwilligerswerk is, omdat deze werkzaamheden normaal gesproken door betaalde werknemers van bijvoorbeeld de DJI, maatschappelijk werk, reclassering, jeugdzorg en dergelijke worden verricht. Volgens verweerder voldoen de door eiseres beoogde werkzaamheden ook niet aan de in de Regeling vrijwilligerswerk in de WW sinds 1 januari 2015 vastgelegde voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het werk als vrijwilligerswerk te kunnen aanmerken.

3. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat er wel sprake is van regulier vrijwilligerswerk. Zij is in dat standpunt ondersteund door de drie eerder genoemde personen, die eiseres ter zitting hebben bijgestaan. Eiseres heeft verder aangevoerd dat zij weliswaar haar uiterste best doet om een betaalde baan te krijgen, maar dat haar door de weigering een kans wordt ontnomen om zich nuttig te maken voor de maatschappij en er tussen te blijven.

4. Verweerder heeft in het aanvullend verweerschrift dat na de schorsing ter zitting is ingestuurd, allereerst gemeld dat hij de aanvraag, hoewel die in 2014 is gedaan, alsnog heeft getoetst aan de per 1 januari 2015 verruimde voorwaarden om met behoud van WW-uitkering vrijwilligerswerk te mogen doen. Bij toetsing aan die Regeling Vrijwilligerswerk stelt verweerder zich primair op het standpunt dat de locatie van de beoogde werkzaamheden niet behoort tot de instellingen waarop die Regeling betrekking heeft, nu de DJI, volgens door verweerder bij de Belastingdienst ingewonnen informatie, geen algemeen nut beogende instelling is. Ook is het geen sociaal belang behartigende instelling, zoals bijvoorbeeld een zangkoor, muziekvereniging of buurtvereniging, of een steunstichting daarvan. Verweerder blijft er derhalve bij dat het verzoek van eiseres terecht is afgewezen.

Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres thans geen procesbelang meer heeft, omdat zij inmiddels met ingang van 26 mei 2015 voor de duur van 2 maanden, voor 24 uur per week, aan het werk is gegaan en er na de tijdelijke opdracht waarschijnlijk een nieuwe opdracht voor ongeveer hetzelfde aantal uren wordt gegeven. Bij besluit van 10 juni 2015 heeft verweerder de WW-uitkering op 25 mei 2015 beëindigd. Daarom heeft het alsnog verlenen van toestemming geen verdere gevolgen meer in het kader van de WW-uitkering, aldus verweerder.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

In artikel 8, eerste lid, van de WW zoals dat luidde tot 1 januari 2015 is het volgende bepaald:

“Een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, behoudt de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd.”

5.2.

In het eerste lid, aanhef en onder a, van artikel 20 van de WW is bepaald dat het recht op uitkering eindigt voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest.

5.3.

Per 1 januari 2015 luidt het eerste lid van artikel 8 van de WW

“Een persoon wiens dienstbetrekking geheel of gedeeltelijk is geëindigd, behoudt de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd, behalve als die werkzaamheden worden aangemerkt als vrijwilligerswerk.”

In het eerste lid van artikel 2 van de Regeling vrijwilligerswerk in de WW (verder: de Regeling), zoals deze sinds 1 januari 2015 luidt, is bepaald dat er sprake is van vrijwilligerswerk als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Werkloosheidswet, indien:

“a. er sprake is van onbetaalde arbeid;

b. de onbetaalde arbeid bestaat uit gebruikelijk onbetaalde werkzaamheden als bedoeld in artikel 3; en

c. de onbetaalde arbeid wordt uitgevoerd bij een algemeen nut beogende instelling, een sociaal belang behartigende instelling of een steunstichting sociaal belang behartigende instelling.”

6. Ter zitting hebben eerdergenoemde heren [naam directeur] directeur van Exodus Nederland

-een instantie die opvang en ondersteuning biedt aan ex-gedetineerden en gedetineerden in de laatste fase van hun straf- en [naam staffunctionaris] , staffunctionaris Gevangeniswezen Limburg, met betrekking tot het onderhavige door eiseres verrichte werk onder meer het volgende naar voren gebracht. Het gaat om vrijwilligerswerk voor de re-integratie van (ex-)gedetineerden, waarvan het initiatief bij de vrijwilligersorganisatie ligt. Het inzetten van vrijwilligers voor deze taken gebeurt al van oudsher, maar heeft de laatste jaren een grote vlucht genomen. Het huidige model en beleidskader is ontwikkeld door de DJI in samenwerking met een viertal landelijke vrijwilligersorganisaties. Die werkzaamheden werden voorheen nooit op deze manier door beroepskrachten in gevangenissen of bij de reclassering verricht en hebben nooit een baan verdrongen. Voor (ex-)gedetineerden heeft het een meerwaarde dat zij door burgers en niet door beroepskrachten begeleid worden bij het zoeken van werk en woonruimte. Het gaat om relatief eenvoudige taken die zich niet lenen om te worden uitgeoefend door beroepskrachten. De vrijwilligers hebben de keuze om te komen wanneer zij willen en het aantal uren dat zij worden ingezet is beperkt tot een dagdeel per week. Hoewel de wettelijke taak van re-integratie ook bij de DJI en de reclassering ligt, hebben beide organisaties geen mogelijkheid gekregen om deze werkzaamheden betaald te laten doen, aldus genoemde gemachtigden van eiseres.

7. Met betrekking tot de vraag of eiseres procesbelang heeft overweegt de rechtbank dat het mogelijk is dat eiseres opnieuw werkloos wordt en dat zij dan weer het werk wil gaan doen waar dit geding betrekking op heeft. Zij heeft er derhalve belang bij om te weten of zij dan alsnog dat werk met behoud van uitkering kan gaan doen. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres wel procesbelang heeft.

8. Nu de aanvraag van eiseres weliswaar is gedaan voor 1 januari 2015, maar het bestreden besluit dateert van na die datum, moet naar het oordeel van de rechtbank de aanvraag –zoals ook verweerder in het aanvullend verweerschrift alsnog heeft gedaan- worden beoordeeld aan de hand van artikel 8, eerste lid, van de WW zoals die bepaling luidt vanaf 1 januari 2015, en zo nodig ook aan de hand van de Regeling. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de aangevraagde werkzaamheden niet voldoen aan de letter van de artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c. van Regeling, nu de DJI niet behoort tot de daarin omschreven instellingen. Dat neemt echter niet weg dat in de eerste plaats moet worden beoordeeld of de desbetreffende activiteiten zijn te beschouwen als werkzaamheden uit hoofde waarvan eiseres op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd. Als dat niet het geval is, blijft immers het werknemerschap gehandhaafd en daaraan kan de per

1 januari 2015 ingevoerde, verruimende, toevoeging aan artikel 8, eerste lid, van de WW over vrijwilligers niet afdoen.

9. Onder werkzaamheden uit hoofde waarvan een werknemer zijn hoedanigheid als werknemer verliest, moet volgens vaste rechtspraak worden verstaan arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. Mede gelet op de ter zitting door eiseres en de gemachtigden gegeven informatie en uitleg, is de rechtbank dienaangaande van oordeel dat het beoogde werk weliswaar wordt verricht binnen de organisatie van een instelling (DJI) tot wier taak het mede behoort om de re-integratie van (ex-)gedetineerden te bevorderen, maar dat deze werkzaamheden niettemin thans in het maatschappelijk verkeer niet kunnen worden beschouwd als activiteit waarvoor een beloning mag worden verwacht. De rechtbank acht daarvoor het volgende redengevend. In de eerste plaats gaat het hier om werkzaamheden die zijn ontwikkeld in samenwerking met vrijwilligersorganisaties, zijn toegesneden op de mogelijkheden van burgers en er zich bij uitstek voor lenen om door niet-professionele krachten te worden uitgeoefend. De rechtbank acht aannemelijk dat deze specifieke werkzaamheden in het verleden nimmer door beroepskrachten zijn verricht en dat er geen uitzicht op is dat dit in de toekomst zal gebeuren. De rechtbank acht in dit verband ook van belang dat van algemene bekendheid is dat het in toenemende mate bij (professionele) instellingen op het gebied van gezondheidszorg, sociaal werk en cultuur gebruikelijk is dat onbetaalde krachten worden ingezet voor tal van werkzaamheden. Deze ontwikkeling kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder gevolg blijven voor de in het maatschappelijk verkeer geldende normen over werkzaamheden waarvoor een beloning mag worden verwacht. De rechtbank ziet daarom aanleiding voor een zekere verruiming van voormelde maatstaf in die zin dat het binnen professionele organisaties verrichten van specifiek voor vrijwilligers ontwikkelde en geschikte werkzaamheden waardoor geen betaald werk verdrongen wordt, niet leidt tot verlies van het werknemerschap. De conclusie is derhalve dat eiseres indien zij de beoogde activiteiten gaat uitoefenen, geen werkzaamheden gaat verrichten uit hoofde waarvan zij op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd. De rechtbank voegt -subsidiair oordelend- aan die conclusie toe dat, indien artikel 8, eerste lid, van de WW zoals dat tot 1 januari 2015 luidde, van toepassing zou zijn gebleven, de uitkomst dezelfde zou zijn.

10. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens onjuiste toepassing van artikel 8, eerste lid, van de WW. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

11. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12. Omdat er niet is gebleken van proceskosten, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

-draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht ad € 45,-- aan haar te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van J.C. Kupers-Leenen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2015.

w.g. J.C. Kupers-Leenen,

griffier

w.g. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 november 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als er hoger beroep is ingesteld, kan aan de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht een voorlopige voorziening te treffen.