Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:9678

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
03/700368-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens poging tot zware mishandeling van een agent. Vrijspraak poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/700368-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 november 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A. Carli, advocaat, kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 november 2015. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

heeft geprobeerd om verbalisant [slachtoffer] te doden (primair) dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair), dan wel [slachtoffer] heeft mishandeld (meer subsidiair) door haar met een barkruk op het hoofd te slaan.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat het primair ten laste gelegde wordt bewezenverklaard.

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde wegens het ontbreken van opzet, ook in voorwaardelijke zin. Subsidiair heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op noodweerexces.

Indien de rechtbank in haar oordeel afwijkt van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de officier van justitie of de verdediging, zal zij dit nader motiveren.

3.2

Het oordeel van de rechtbank1

Bewijsmiddelen

[slachtoffer]2 verklaart in haar aangifte – zakelijk weergegeven – dat zij op 29 juli 2015, werkzaam in haar functie als politieagente, samen met collega verbalisant [verbalisant 1] naar café ‘ [naam] ’ te Ulestraten is gegaan in verband met een melding betreffende een ruzie. Ter plaatse zag zij dat verbalisant [verbalisant 1] tussen twee personen in ging staan, kennelijk met de bedoeling om hen uit elkaar te houden. [slachtoffer] sprak de persoon, die door verbalisant [verbalisant 1] werd weggeduwd, aan. Op een gegeven moment draaide [slachtoffer] zich om, omdat zij achter zich rumoer hoorde en zag zij dat een straal pepperspray langs haar heen ging. Zij zag dat haar collega’s een persoon onder controle probeerden te krijgen. Het betrof de persoon die zij zojuist had aangesproken. Op dat moment voelde zij een klap tegen de linkerzijde van haar hoofd, waarvan zij onmiddellijk hevige pijn ondervond. [slachtoffer] viel door deze klap op de grond. Nadat zij weer was opgestaan, en instabiel op haar benen stond, heeft zij verbalisant [verbalisant 1] geholpen met de aanhouding van een persoon. Later vernam zij van verbalisant [verbalisant 1] dat deze persoon haar met een houten barkruk tegen haar hoofd had geslagen.

[slachtoffer] verklaart dat zij door deze gebeurtenis het navolgende letsel heeft opgelopen: een bloeduitstorting en zwelling op haar hoofd rondom haar linkeroor, een schaafwond op haar hoofd en op de bovenrand van haar linkeroor, een gekneusde rechterelleboog en een blauwgekleurde linker knieschijf ten gevolge van een bloeduitstorting. Voorts had zij last van hoofdpijn, misselijkheid en duizeligheid.

[slachtoffer] heeft op 30 juli 2015 de Eerste Hulp van het Academisch Ziekenhuis Maastricht bezocht, waarbij een hematoom en een schaafwondje links craniaal dorsaal van oor, een zwelling links achter os petrosum (onder haargrens) en trauma capitis werd vastgesteld.3

Op 28 augustus 2015 wordt vervolgens bij [slachtoffer] een posttraumatische tinnitus links bij normaal gehoor, passend bij contusio labyrinthii vastgesteld. Deze is ontstaan na trauma capitis op 30 juli 2015.4

Verbalisant [verbalisant 1]5 relateert – zakelijk weergegeven – dat hij zag dat verbalisant [slachtoffer] op ongeveer drie meter afstand van hem stond met haar gezicht haar hem toe. Hij zag op enig moment dat verdachte een barkruk oppakte, deze boven zijn hoofd bracht en de kruk met veel kracht zwaaide tegen het hoofd van verbalisant [slachtoffer] . Zij zag de klap niet aankomen, omdat zij met haar rug naar hem toe stond. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat verbalisant [slachtoffer] ten gevolge van de klap tegen de grond viel en dat verdachte met de barkruk in zijn handen boven haar stond. Verbalisant [verbalisant 1] rende meteen naar hem toe en gebruikte zijn pepperspray jegens verdachte.

Ook de getuigen [getuige 1]6 en [getuige 2]7 hebben gezien dat verdachte in het zaalgedeelte van het betreffende café een barkruk pakte en hiermee enkele meters achter de vrouwelijke agent aanliep. Verdachte benaderde de politieagente van achteren, tilde de barkruk op en sloeg vervolgens met kracht in de richting van de vrouwelijke agent. Getuige [getuige 2] zag dat de vrouwelijke agent door de kruk op de achterkant van haar hoofd werd geraakt.

Overwegingen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 29 juli 2015 te Ulestraten verbalisant [slachtoffer] met een barkruk op het hoofd heeft geslagen. Daarbij overweegt de rechtbank dat – anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd – uit het dossier8 blijkt dat op de betreffende avond sprake is geweest van twee incidenten met barkrukken in twee verschillende delen van café ‘ [naam] ’, te weten het slaan met een barkruk in het zaalgedeelte waarbij [slachtoffer] is geraakt en het gooien met een barkruk in het cafégedeelte waarbij [betrokkene] is geraakt.

Het verweer van de raadsvrouw dat bij verdachte het opzet ontbrak, omdat hij bij het zwaaien met de kruk eerst zijn nicht [betrokkene] op de rug heeft geraakt en de kruk vervolgens middels afketsing per ongeluk ook verbalisant [slachtoffer] heeft geraakt, wordt dan ook verworpen.

Ook het ter terechtzitting gevoerde verweer dat verdachte niet wist dat er politie in het café aanwezig was en hij met de barkruk heeft geslagen ter afwering, omdat hij verblind was door de pepperspray, zal de rechtbank verwerpen. Verdachte heeft immers bij de politie verklaard dat hij zag dat de politie het café binnen kwam en uit het dossier blijkt dat de pepperspray pas tegen verdachte is gebruikt nadat hij met de barkruk had geslagen.

Poging doodslag

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte verbalisant [slachtoffer] één keer met een barkruk op het hoofd heeft geslagen. Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag zal moeten worden vastgesteld dat verdachte zich ten minste willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat verbalisant [slachtoffer] zou komen te overlijden door de klap tegen haar hoofd met de barkruk. De rechtbank is – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat hiervan geen sprake is, nu niet is gebleken hoe zwaar de betreffende barkruk was . De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het ging om een “standaard” barkruk die in vele cafés aanwezig zijn. De rechtbank is van oordeel dat het één keer slaan op het hoofd met een barkruk naar algemene ervaringsregels geen aanmerkelijke kans op de dood oplevert. De verdachte dient derhalve ook van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Poging zware mishandeling

Wel acht de rechtbank op basis van bovenstaande bewijsmiddelen en overwegingen de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. Daarbij overweegt de rechtbank dat bij het slaan met een barkruk tegen iemands hoofd naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans bestaat op zwaar lichamelijk letsel. Door te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft hij die aanmerkelijke kans bewust aanvaard.

3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 29 juli 2015 in de gemeente Meerssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] , medewerker Politie, Eenheid Limburg, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een barkruk op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweerexces. Doordat verdachte met pepperspray was bespoten (dusdanig dat hij oogletsel heeft opgelopen) en daarvan pijn ondervond, heeft hij met de barkruk staan zwaaien ter afwering en daarbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe dat, zoals onder 3.2 is vastgesteld, uit het dossier blijkt dat verdachte met pepperspray is bespoten door de politie nadat hij eerst een politieagente met een barkruk op het hoofd had geslagen, zodat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen.

Ook is overigens niet gebleken van een feiten of omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gelet op het disproportionele optreden van de politie jegens verdachte en de inhoud van het reclasseringsrapport d.d. 21 oktober 2015, verzocht te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich op bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een politieagente door met een barkruk tegen haar hoofd te slaan. De verbalisanten waren in het betreffende café aanwezig juist om de hoog opgelopen gemoederen te bedaren. Verdachte liet zich echter niet tot rust manen door de verbalisanten; integendeel, hij heeft een barkruk gepakt en hij heeft daarmee tegen het hoofd van een politieagente die in zijn buurt stond geslagen, welke politieagente deze slag in het geheel niet heeft kunnen zien aankomen noch afweren, nu verdachte haar van achteren benaderde.

De verdachte heeft daarbij geen enkel oog gehad voor de lichamelijke en de eventuele psychische schade die hij met zijn handelen zou kunnen veroorzaken. Uit de medische informatie in het dossier en de toelichting bij de civiele vordering van de benadeelde blijkt dat het slachtoffer tot op heden nog kampt met de gevolgen van het handelen van verdachte en mogelijk sprake is blijvende schade, hetgeen haar beperkt in haar werk en dagelijkse bezigheden. De rechtbank rekent verdachte dit ernstig aan.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank tevens rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het justitieel documentatieregister eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, waaronder ook voor een geweldsdelict.

Dit rechtvaardigt naar oordeel van de rechtbank, rekening houdend met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, de genoemde stafverzwarende omstandigheden en het feit dat verdachte geweld heeft gebruikt tegen een politieagente die bezig was met de uitoefening van haar werk – hetgeen voor de rechtbank in dit geval strafverhogend werkt – oplegging van een vrijheidsbenemende straf voor langere duur. Nu de rechtbank een minder ernstig feit bewezen heeft geacht dan aan de eis van de officier van justitie ten grondslag ligt, zal de strafoplegging lager zijn. De rechtbank vindt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest passend.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] , wonende te [woonplaats] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[slachtoffer] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 1000,- (als voorschot) gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de civiele vordering van de benadeelde partij in zijn geheel voor toewijzing vatbaar, inclusief wettelijke rente, en met oplegging van de schademaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, gelet op de bepleite vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Ten laste van verdachte is het hiervoor subsidiair ten laste gelegde feit (artikel 302 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

[slachtoffer] voornoemd heeft – als voorschot op de vergoeding van de immateriële schade – een bedrag een bedrag van € 1000,- gevorderd. Ten gevolge van de klap heeft zij behoorlijke pijn aan haar hoofd ondervonden en is er permanente gehoorschade ontstaan. De eindsituatie van de gehoorschade is nog niet bekend en ook de gevolgen hiervoor voor [slachtoffer] zijn op dit moment nog niet uitgekristaliseerd. De rechtbank verstaat dit aldus, dat de benadeelde partij zich ten aanzien van de immateriële schade voor een deel van haar vordering heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht om het andere deel bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken.

Gelet op de aard en de ernst van de psychische en lichamelijke gevolgen voor de benadeelde stelt de rechtbank vast dat er immateriële schade is geleden. De uiteindelijke hoogte van de schade is van meerdere componenten afhankelijk. Daarbij denkt de rechtbank met name aan de mate waarin de tinnitus aanwezig zal blijven en de gevolgen daarvan op het functioneren van benadeelde. Daar valt op dit moment echter nog niets over te zeggen. Het duurt doorgaans lang voordat een eindtoestand is ingetreden en het is onevenredig belastend voor het strafproces om daarop te wachten. De rechtbank stelt tevens vast dat de schade tot een bedrag van €1000,- direct voor toekenning in aanmerking komt en dat het meerdere – het op dit moment vanwege het feit dat de eindtoestand nog niet is ingetreden nog niet vast te stellen deel – te zijner tijd bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht en dat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk is. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 29 juli 2015 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 29 juli 2015 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen te betalen ten behoeve van [slachtoffer] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.3 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het subsidiaire feit tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wonende te [woonplaats] toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] voornoemd te betalen € 1000,- te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 29 juli 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening

  • -

    verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk, met de bepaling dat de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve [slachtoffer] voornoemd, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 29 juli 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. A.K. Kleine en mr. N.H.W. Montulet-van der Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 november 2015.

Mr. N.H.W. Montulet-van der Meer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 29 juli 2015 in de gemeente Meerssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] , medewerker Politie, Eenheid Limburg opzettelijk van het leven te beroven, met een barkruk op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 29 juli 2015 in de gemeente Meerssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] , medewerker Politie, Eenheid Limburg, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,met een barkruk op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 29 juli 2015 in de gemeente Meerssen, een ambtenaar, te weten [slachtoffer] , medewerker Politie, Eenheid Limburg, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door met een barkruk op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, Recherche Zuidwest, proces-verbaalnummer 2015142689, gesloten d.d. 7 augustus 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 76.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 31 juli 2015, pagina 69-71.

3 Geschrift inhoudende patiëntgegevens d.d. 30 juli 2015, pagina 72-73.

4 Aanvullend geschift inhoudende patiëntgegevens d.d. 28 augustus 2015 afkomstig van het Academisch Ziekenhuis Maastricht.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juli 2015, pagina 14-16.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d.30 juli 2015, pagina 52-53.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 30 juli 2015, pagina 54-55.

8 Zie proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 30 juli 2015, pagina 18.