Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:9616

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
AWB-15_2857, AWB-15_2866, AWB-15_3057, AWB-15_3072
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een gedoogbesluit/handhavingsbesluit (bestreden besluit) genomen ten aanzien van het lozen van pyrazool via een zuiveringsinstallatie op oppervlaktewater. Daartegen zijn hangende bezwaar enkele verzoeken om voorlopige voorziening gedaan, namelijk door een tweetal drinkwaterbedrijven alsmede de overtreder en twee met het bedrijf van de overtreder samenhangende bedrijven. Nadat de voorzieningenrechter ambtshalve op enkele formele punten is ingegaan, neemt de voorzieningenrechter met verweerder aan dat er sprake is van een overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet, aangezien het lozen van pyrazool niet vergund is. Van concreet zicht op legalisatie of andere omstandigheden om van handhavend optreden af te zien is niet gebleken.

De voorzieningenrechter wijzigt naar aanleiding van een belangenafweging bij wijze van voorlopige voorziening de in het bestreden besluit gehanteerde concentraties van pyrazool in een strengere normering en bepaalt dat deze uitspraak geldt tot 6 weken na de bekendmaking van de beslissing door verweerder op de bezwaren van verzoekers en als er gedurende die termijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan totdat op dat verzoek is beslist.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2015/564 met annotatie van Van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7155

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 15/2857, AWB/ROE 15/2866, AWB/ROE 15/3057 en AWB/ROE 15/3072

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 november 2015 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

N.V. Waterleidingmaatschappij Limburg, te [vestigingsplaats] , verzoeker 1 (AWB/ROE 15/2857), en Dunea N.V., te [vestigingsplaats] , verzoeker 2 (AWB/ROE 15/2866),

(gemachtigde verzoeker 1: mr. J.L. Stoop; gemachtigde verzoeker 2: mr. H.J. Breeman),

Sitech Services B.V., te [vestigingsplaats] en Sitech IAZI B.V., te [vestigingsplaats] , verzoekers 3 (AWB/ROE 15/3057), en DSM Acrylonitrile B.V., te [vestigingsplaats] , verzoeker 4 (AWB/ROE 15/3072)

(gemachtigde verzoekers 3: mr. N.H. van den Biggelaar; gemachtigde verzoeker 4: mr. J.H.W. Koster),

allen gezamenlijk te noemen verzoekers,

en

het dagelijks bestuur, verweerder 1, en de voorzitter, verweerder 2, van het Waterschap Roer en Overmaas, gezamenlijk te noemen verweerder,

(gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink).

Als derde-partijen voor de zaken AWB/ROE 15/2857 en AWB/ROE 15/2866 hebben aan het geding deelgenomen: Sitech Services B.V. en Sitech IAZI B.V.

(gemachtigde: mr. M.G.I.A. van Haastert-Allertz).

Als derde-partijen voor de zaken AWB/ROE 15/3057 en AWB/ROE 15/3072 hebben aan het geding deelgenomen: N.V. Waterleidingmaatschappij Limburg en Dunea N.V..

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2015 heeft verweerder 1 aan Sitech Services B.V. een gedoogbeschikking verleend voor het lozen van pyrazoolhoudend afvalwater afkomstig van de Acrylonitrile (ACN) fabriek en de bergingen via het effluent van de Integrale afvalwaterzuiveringsinstallatie (IAZI) in het oppervlaktewater van de Zijtak Ur.

Verzoeker 1 en verzoeker 2 hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 8 oktober 2014 heeft verweerder 2 de gedoogbeschikking ingetrokken. Bij besluit van dezelfde datum heeft hij aan Sitech Services B.V. een last onder dwangsom opgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2015. Verzoeker 1 is verschenen bij [naam] , [naam] , [naam] en [naam] en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verzoeker 2 is verschenen bij [naam] en [naam] en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij [naam] , [naam] en [naam] en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partijen zijn verschenen bij [naam] , [naam] , [naam] , [naam] , [naam] en [naam] en bijgestaan door hun gemachtigde.

Verzoekers 3 en verzoeker 4 hebben tegen het besluit van 8 oktober 2015 tot oplegging van een last onder dwangsom bezwaar gemaakt. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brieven van 23 oktober 2015 heeft de rechtbank het onderzoek in de zaken AWB/ROE 15/2857 en AWB/ROE 15/2866 heropend vanwege de samenhang met de zaken AWB/ROE 15/3057 en AWB/ROE 15/3072.

Het (nadere) onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2015. Verzoekers 3 zijn verschenen bij [naam] , [naam] , [naam] , [naam] en [naam] en bijgestaan door hun gemachtigde. Verzoeker 4 is verschenen bij [naam] , [naam] en [naam] en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verzoeker 1 is verschenen bij [naam] , [naam] , [naam] en [naam] en bijgestaan door de gemachtigde van verzoeker 2. Verzoeker 2 is verschenen bij [naam] en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij [naam] ,

[naam] , [naam] en [naam] en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij besluit van 15 september 2015 heeft verweerder 1 aan Sitech Services B.V., naar aanleiding van een daartoe gedane aanvraag, een gedoogbeschikking verleend tot 15 maart 2016, of, indien eerder, tot de datum van inwerkingtreding van de eveneens door Sitech Services B.V. aangevraagde veranderingsvergunning op grond van de Waterwet, waarbij pyrazool houdend afvalwater mag worden geloosd volgens een norm van 100 µg/l in een volumeproportioneel etmaalmonster en 60 µg/l als voortschrijdend gemiddelde van

10 achtereenvolgende etmaalmonsters.

Bij besluit van 8 oktober 2015 heeft verweerder 2 voormeld besluit van 15 september 2015 ingetrokken, nu uit analyseresultaten is gebleken dat de norm voor pyrazool (gemeten in een volumeproportioneel etmaalmonster), zoals gesteld in de gedoogbeschikking van 15 september 2015, op 6 oktober 2015 ruimschoots (500 µg/l) is overschreden.

2. Bij separaat besluit van 8 oktober 2015 heeft verweerder 2 aan Sitech Services B.V. een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet. Hij stelt zich hierbij op het standpunt dat het (per direct) in zijn geheel doen stoppen van de lozing van pyrazool in dit geval betekent dat (mogelijk) een of meer fabrieken op het terrein van Chemelot geheel stil komen te liggen. Dit is gelet op de proportionaliteit niet reëel omdat, zoals ook in de (ingetrokken) gedoogbeschikking is vastgesteld, een beperkte pyrazoollozing op zichzelf legaliseerbaar is. Daarom heeft verweerder 2 besloten om Sitech Services B.V. niet te gelasten de gehele pyrazoollozing te beëindigen, maar alleen voor zover die meer is dan op dit moment aanvaardbaar wordt geacht. Daarbij is aansluiting gezocht bij de gehalten genoemd in de ingetrokken gedoogbeschikking. De last onder dwangsom houdt in dat Sitech Services B.V. met ingang van 9 oktober 2015 dient te bewerkstelligen dat het gehalte aan pyrazool in het afvalwater ter plaatse van het “lozingspunt effluent IAZI” niet meer bedraagt dan 100 µg/l, gemeten in een volumeproportioneel etmaalmonster, en niet meer bedraagt dan 60 µg/l, gemeten als voortschrijdend gemiddelde van 10 volumeproportionele etmaalmonsters. De last onder dwangsom is vastgesteld op € 50.000,- per geconstateerde overtreding van het gehalte aan pyrazool, gemeten in een volumeproportioneel etmaalmonster van meer dan 100 µg/l en op € 50.000,- per geconstateerde overtreding van het gehalte aan pyrazool, gemeten als voortschrijdend gemiddelde van 10 volumeproportionele etmaalwaarden van meer dan 60 µg/l. Dit handhavingsbesluit van 8 oktober 2015 geldt voor onbepaalde tijd.

3. Verzoekers 1 en 2 voeren aan dat de gedoogbeschikking van 15 september 2015 en het (partieel) handhavingsbesluit van 8 oktober 2015 zijn genomen in strijd met de in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde mogelijkheid om bedenkingen kenbaar te maken. Tevens zijn de bestreden besluiten in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel genomen. De bestreden besluiten ontberen iedere vorm van belangenafweging. De in de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 27 augustus 2015 genoemde concentratie van 15 µg/l gedurende maximaal twee jaar mag niet worden opgevat als een te vergunnen norm. Het bestreden besluit steunt ten onrechte op die brief, die als enige onderbouwing wordt gegeven voor het toestaan van de lozing. Die brief bevat evenwel geen vrijbrief om pyrazool te lozen, zolang deze onder het maximum van 15 µg/l blijft. De door de minister genoemde 15 µg/l is een absoluut maximum. Uit het advies van CET-MD, waarnaar de minister in die brief verwijst, blijkt dat over pyrazool en de mogelijke schadelijke effecten daarvan nog weinig bekend is. CET-MD komt, gezien de beperkte beschikbare informatie (weinig studies, geen kwantitatief kankerrisico van pyrazool en onduidelijkheid over de blootstellingsduur), nadrukkelijk tot een indicatieve waarde van 15 µg/l. Voorts wordt op geen enkele wijze rekening gehouden met verweerders zorgplicht en de wijze waarop deze zorgplicht zich verhoudt tot het besluit om de lozing van pyrazool in de Zijtak Ur, die uitmondt in de Maas, gedurende langere tijd te gedogen waardoor de inname door verzoekers 1 en 2 van Maaswater voor de drinkwatervoorziening gevaar loopt. Verder blijkt niet waarom verweerder genoodzaakt zou zijn om de lozing van pyrazool te gedogen en is niet duidelijk waarom de IAZI als die lozing wordt toegestaan volgens de best beschikbare technieken (BBT) werkzaam zou zijn, op welke BREF-documenten dit standpunt is gebaseerd en of een dergelijke lozing van pyrazool op het oppervlaktewater ook BBT is. Uit de bestreden besluiten blijkt voorts niet dat enige belangenafweging is gemaakt. Niet duidelijk wordt welk belang van Sitech Services B.V. precies is gemoeid met de bestreden besluiten en waarom dit belang het gedogen zou rechtvaardigen. Daarnaast wordt niet ingegaan op het algemene belang van een goede drinkwatervoorziening en de daarmee samenhangende belangen van de drinkwaterbedrijven en hun afnemers en overige relevante belangen, zoals het belang van de bescherming van de flora en fauna in het duin en de mogelijke effecten die de lozing daarop en op de Maas kan hebben. Zo wordt eraan voorbij gegaan dat verzoekers 1 en 2 een handhavingsrisico lopen op het moment dat zij, door water uit de Maas te blijven innemen, niet aan de in artikel 21 van de Drinkwaterwet neergelegde zorgplicht kunnen voldoen. Daarnaast wordt geen aandacht besteed aan de schade die verzoekers 1 en 2 als gevolg van het niet handhaven zullen lijden. Naast al het voorgaande is het de vraag hoe de besluitvorming van verweerder zich verhoudt tot de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU van 1 juli 2015 (zaak C-461/13), waaruit volgt dat de Kaderrichtlijn Water ertoe verplicht om alle projecten te weigeren die een achteruitgang van de toestand van een waterlichaam teweeg kunnen brengen. Hieraan wordt ten onrechte geen aandacht besteed.

4. Verzoekers 3 en 4 voeren tegen het handhavingsbesluit van 8 oktober 2015 aan dat geen sprake is van overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet, omdat de lozing van pyrazool in de vigerende vergunning van 23 februari 2006 is vergund via de parameters chemisch zuurstof verbruik (CZV) en totaal-stikstof (artikel 6, eerste lid, van de vergunning). Handhavend kan worden opgetreden indien sprake is van overschrijding van de CZV-waarden of de norm voor totaal-stikstof als gevolg van (onder meer) de lozing van pyrazool. Deze worden niet overschreden. Er bestaat derhalve geen bevoegdheid om aan verzoekers 3 en verzoeker 4 een last onder dwangsom op te leggen. In de Algemene beoordelingsmethodiek (ABM)-toetsen is voor de ACN-fabriek pyrazool expliciet als te lozen afvalstof opgenomen en getoetst. Naar aanleiding van de ABM-toetsresultaten heeft verweerder nooit enig signaal gegeven op basis waarvan verzoekers 3 en verzoeker 4 konden vermoeden dat de lozing van pyrazool niet vergund zou zijn. Er is vanuit het Waterschap Roer en Overmaas ook niet eerder aangegeven dat Sitech Services B.V. om een wijzigingsvergunning moest verzoeken of een melding zou moeten doen. Deze handelwijze is in strijd met de rechtszekerheid en het gerechtvaardigde vertrouwen dat Sitech Services B.V. op basis van de verleende vergunning en de gedragingen van verweerder tot de zomer van 2015 mocht hebben. Het stellen van een nieuwe, afzonderlijke lozingsnorm voor een stof, behoort te geschieden volgens de daartoe geëigende vergunningprocedure, met alle daarbij behorende mogelijkheden van inspraak en zienswijzen. Dat kan niet bij wijze van een last onder dwangsom, nota bene zonder dat een begunstigingstermijn is opgenomen.

Voor zover toch sprake zou zijn van overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet, dan beroepen verzoekers 3 en verzoeker 4 zich op een situatie van overmacht als gevolg van het incident op 30 september 2015. Op grond van artikel 5:5 van de Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur had in dit geval van handhaving moeten worden afgezien.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5. In artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

In artikel 6:19, zesde lid, van de Awb is bepaald dat intrekking of vervanging van het bestreden besluit niet in de weg staat aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

In artikel 8:81, vierde lid, van de Awb is bepaald dat artikel 6:19 van overeenkomstige toepassing is.

6. Bij besluit van 8 oktober 2015 is de gedoogbeschikking van 15 september 2015 ingetrokken. Dit besluit dient maar het oordeel van de voorzieningenrechter aangemerkt te worden als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Het besluit van 8 oktober 2015, waarin aan Sitech Services B.V. een last onder dwangsom wordt opgelegd, dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter, eveneens aangemerkt te worden als een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, nu dit besluit dient ter vervanging van de ingetrokken gedoogbeschikking van 15 september 2015 en valt binnen de feitelijke grondslag en de reikwijdte van het besluit van 15 september 2015. Deze last onder dwangsom bevat immers dezelfde concentraties van pyrazool als genoemd in het ingetrokken gedoogbesluit van 15 september 2015, waarboven verweerder 2 eerst zal overgaan tot handhavend optreden. In zoverre wijkt het nieuwe besluit van 8 oktober 2015, ook al is dat gericht op het gedeeltelijk handhaven, niet feitelijk af van het oorspronkelijke besluit, nu verweerder 2 in het besluit van 8 oktober 2015 nog steeds de lozing van pyrazool niet handhaaft (gedoogt), zolang de desbetreffende concentraties niet overschreden worden. Hierbij kan nog opgemerkt worden dat de bezwaren van verzoekers 1 en 2 gericht zijn op het niet (volledig) handhaven (gedogen) en de bezwaren van verzoekers 3 en verzoeker 4 zien op het wel (partieel) handhaven.

7. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

8. De voorzieningenrechter acht de vereiste onverwijlde spoed aanwezig, aangezien verzoekers 1 en 2 voldoende aannemelijk hebben gemaakt ten gevolge van het bestreden besluit de inname van water voor de drinkvoorziening niet langer zonder risico’s uit de Maas te kunnen betrekken, en genoodzaakt zijn gebruik te maken van de waterwinning via noodreserve-innamepunten, hetgeen een tijdelijke, kostbare mogelijkheid betreft.

Vanwege de samenhang met de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers 1 en 2 alsmede vanwege het feit dat in het onderhavige geval sprake is van een handhavingsbeschikking, acht de voorzieningenrechter de spoedeisendheid ook aanwezig voor de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers 3 en verzoeker 4.

9. De voorzieningenrechter ziet zich voorts gesteld voor de ambtshalve te beantwoorden vraag of verweerder 2 in het onderhavige geval bevoegd was om met toepassing van artikel 61, derde lid, in samenhang met artikel 96 van de Waterschapswet de gedoogbeschikking in te trekken en een last onder dwangsom op te leggen. In artikel 61, derde lid, van de Waterschapswet is bepaald dat de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend wordt door de voorzitter indien deze met gebruikmaking van de in artikel 96 omschreven bevoegdheid maatregelen neemt in gevallen van dringend of dreigend gevaar. Artikel 96, eerste lid, van de Waterschapswet bepaalt dat wanneer de omstandigheden geen voorafgaande bijeenroeping van het algemeen bestuur of van het dagelijks bestuur gedogen, de voorzitter bevoegd is bij omstandigheden waaronder de veiligheid van een of meer waterstaatswerken, of anderszins de goede staat daarvan, in onmiddellijk en ernstig gevaar is of dreigt te komen, al die maatregelen te treffen waartoe die besturen bevoegd zijn, zolang deze toestand voortduurt en totdat deze besturen van hun bevoegdheid gebruik maken.

Op de zitting van 5 november 2015 heeft de voorzieningenrechter aangegeven te twijfelen aan de bevoegdheid van verweerder 2 aangezien reeds vanaf medio juni 2015 een lozing van pyrazool via het effluent van de IAZI heeft plaatsgevonden en de in de last onder dwangsom opgenomen concentraties van pyrazool dezelfde zijn als de in het ingetrokken gedoogbesluit van 15 september 2015 genoemde hoeveelheden pyrazool. Dit (mogelijke) bevoegdheidsgebrek leidt echter niet tot toewijzing van de verzoeken om voorlopige voorziening, nu de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven dat, voor zover dit nodig zal zijn, verweerder 1 de beslissing op de bezwaren zal nemen en dit (mogelijk) bevoegdheidsgebrek derhalve geheeld zal worden, hetgeen overigens niet weersproken is door verzoekers.

10. Vervolgens ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de (eveneens ambtshalve) te beantwoorden vraag of verzoeker 4 belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb, bij het handhavingsbesluit van 8 oktober 2015. Om als belanghebbende in die zin te kunnen worden aangemerkt dient sprake te zijn van een voldoende objectief, actueel, eigen, persoonlijk belang dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het niet uitgesloten dat verzoeker 4 door het bestreden besluit in haar vermogensrechtelijke belangen wordt getroffen, nu in het onderhavige geval de bedrijfsvoering van verzoeker 4 (nagenoeg) volledig afhankelijk is van de activiteiten van verzoekers 3, en verzoeker 4 door de opgelegde concentraties wordt geraakt en daardoor tevens in haar eigendomsdomsbelangen. Hierin ziet de voorzieningenrechter een voldoende en rechtstreeks belang gelegen voor verzoeker 4 bij het bestreden besluit.

11. Ten aanzien van het betoog van verzoekers 3 en verzoeker 4 dat er geen sprake is van overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet, omdat de lozing van pyrazool in de vigerende vergunning is vergund via de in artikel 6, eerste lid, van die vergunning genoemde parameters CZV en totaal-stikstof, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Door partijen wordt niet betwist dat in de op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) op 20 februari 2006 afgegeven vergunning - deze is thans aan te merken als een vergunning op basis van de Waterwet -, noch in de wijzigingen van deze vergunning van 17 februari 2007, 21 augustus 2008, 16 december 2009, 1 februari 2011, 20 juni 2011 en 25 juli 2011, en noch in de aanvragen voor de betreffende (wijzigingen) van die vergunning, pyrazool wordt genoemd. Evenmin is een specifieke normering voor pyrazool opgenomen in de vergunning en wordt pyrazool niet genoemd als polaire stof. Gelet hierop is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de lozing van pyrazool expliciet is vergund. Evenmin gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat pyrazool impliciet via artikel 22 van de vergunning is toegestaan. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat het gegeven dat in de rapportage (aan verweerder) van DSM Manufacturing Center van 23 december 2008 aangaande de ABM-toets van stoffen regulier voorkomend in het afvalwater is aangegeven dat pyrazool wordt vermeld als aangetroffen in het afvalwater niet maakt dat een lozing van pyrazool is vergund. Middels deze rapportage wordt immers enkel invulling gegeven aan de in artikel 22 van de Wvo-vergunning van 20 februari 2006 opgenomen verplichting dat de grond- en hulpstoffen en eindproducten, die regulier in het afvalwater en op de site Chemelot worden gebruikt en geproduceerd, getoetst dienen te worden aan de ABM voor stoffen en preparaten. Voorts ziet die ABM-toets op Register 2 ACN, derhalve op de ACN-fabriek en niet op het effluent van de IAZI. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat voor het lozen van pyrazool geen vergunning is verleend. Nu het lozen van pyrazool zonder vergunning op basis van de Waterwet plaatsvond, overtrad Sitech Services B.V. artikel 6.2, eerste lid, onder a, van de Waterwet, waarin is bepaald dat het verboden is om stoffen te brengen in een oppervlaktewaterlichaam, tenzij een daartoe strekkende vergunning is verleend door Onze Minister of, ten aanzien van regionale wateren, het bestuur van het betrokken waterschap. Niet is gebleken dat er van de zijde van het (bestuur van) Waterschap Roer en Overmaas op een of andere wijze het vertrouwen is gewekt dan wel het standpunt is ingenomen dat de lozing van pyrazool (impliciet) vergund is. Van een situatie, zoals verzoekers 3 en verzoeker 4 hebben gesteld, namelijk dat er een nieuwe, afzonderlijke norm wordt opgelegd in het handhavingsbesluit van 8 oktober 2015, is in het licht van het vorenstaande eveneens geen sprake. Voorts is op basis van de gedingstukken en de behandeling ter zittingen voldoende komen vast te staan dat de lozingen van pyrazool en met name de pieklozing van 6 oktober 2015 geen (in dit verband relevante) overmachtsituatie betreft. Verweerder was dan ook bevoegd handhavend op te treden.

12. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

13. De voorzieningenrechter stelt vast dat het handhavingsbesluit van 8 oktober 2015 niet is gericht op (volledige) beëindiging van het lozen van pyrazool maar op het opnieuw toestaan (gedogen) van het lozen van pyrazool voor zover de dag- en gemiddelde grens van 100 µg/l respectievelijk 60 µg/l niet wordt overtreden. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 27 juli 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AU0141), overweegt de voorzieningenrechter dat als uitgangspunt dient te gelden dat een handhavingsbesluit is gericht op het volledig opheffen van de overtreding. De overtreding bestaat in dit geval uit het lozen van pyrazool in de Zijtak Ur zonder Waterwetvergunning. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan er aanleiding zijn bij afweging van de betrokken belangen van dit uitgangspunt af te wijken door een handhavingsbesluit te nemen dat betrekking heeft op het gedeeltelijk ongedaan maken van de overtreding. Bij de vaststelling of er sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is van belang of op korte termijn een mogelijkheid tot (partiële) legalisatie bestaat.

13.1.

De gedingstukken bevatten een aantal door verweerder gehanteerde nota’s inzake het handhavingsbeleid, waaronder de Gezamenlijke Sanctie- en Gedoogstrategie Limburg. Daarin wordt aangegeven (p. 13) dat ‘onverminderd de evidente noodzaak van een zorgvuldige belangenafweging per individueel geval - uitgaand van een restrictief gedoogbeleid - de volgende situaties in aanmerking komen voor het afzien van bestuursrechtelijk handhavend optreden: overmachtsituaties, overgangssituaties en situaties waarin sprake is van concreet zicht op legalisatie.’ Ten aanzien van de overgangssituaties wordt gesteld (p. 14) dat ‘de activiteit als zodanig en binnen afzienbare termijn legaliseerbaar is.’

13.2.

Uit de gedingstukken blijkt dat Sitech Services B.V. op 4 september 2015 een aanvraag voor wijziging van de vergunning op grond van de Waterwet heeft ingediend bij verweerder 1, waarin wordt verzocht om pyrazool te lozen middels een maximale piekconcentratie van 100 µg/l en een voortschrijdend gemiddelde van 60 µg/l (effluent IAZI). Ter zitting van 5 november 2015 heeft verweerder aangegeven dat die aanvraag nagenoeg voldoet aan de vereisten en dat het ontwerpbesluit naar verwachting komende week gereed zal zijn. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat nog niet duidelijk is welke norm voor pyrazool in het (ontwerp)besluit naar aanleiding van de aanvraag tot wijziging van de vergunning zal worden opgenomen.

14. Uit de gedingstukken en de behandeling ter zittingen volgt dat er voor de stof pyrazool beperkte toxicologische informatie beschikbaar is en er nog geen (lozings)norm is vastgesteld. Uit de desbetreffende brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat de in deze brief genoemde concentratie van 15 µg/l pyrazool, die geldt bij de innamepunten van drinkwater, zonder meer vergunbaar is op grond van de Waterwet. Genoemde concentratie is gericht tot de drinkwaterbedrijven en dient blijkens die brief uitsluitend om, indien dit noodzakelijk is, de drinkwatervoorziening voor dit moment veilig te stellen, zonder gevaar voor de volksgezondheid. De tijdelijke maximale concentratie van 15 µg/l betekent volgens de brief geenszins dat de lozing kan worden voortgezet tot een waarde van 15 µg/l bij het innamepunt. Blijkens de brief wordt ervan uit gegaan dat binnen een periode van twee jaar een meer structurele aanpak en norm kan worden bepaald. Tevens volgt volgens de minister uit de zorgplicht van de Drinkwaterwet en de Waterwet dat alles in het werk moet worden gesteld om de concentraties zo laag mogelijk te houden. Deze zorgplicht geldt zowel voor de drinkwaterbedrijven als voor het waterschap. De vaststelling van een tijdelijke norm heeft niet tot gevolg dat het belang om de lozing te verminderen afneemt. Het waterschap is in dit geval primair verantwoordelijk en dient er alles aan te doen om de lozing terug te dringen of te beëindigen, aldus de minister. De voorzieningenrechter ziet geen reden om dit standpunt van de minister niet te volgen.

14.1.

Ook overigens heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat zich bijzondere omstandigheden voordoen, die aan volledig handhavend optreden kunnen afdoen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom de in het bestreden besluit opgenomen concentraties, gelet op het voorzorgsbeginsel - zo zijn de lange termijn effecten ook bij lagere concentraties niet bekend - en in het kader van de verplichtingen op basis van de Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60EG), niet lager dienen of kunnen zijn. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat Sitech Services B.V. tot medio juni 2015 en vanaf eind augustus 2015 tot begin oktober 2015 in staat was een verwaarloosbaar laag gehalte aan pyrazool te lozen, waarbij de innameconcentratie rond de 1 µg/l lag, hetgeen de tot nu toe voor drinkwaterinname op basis van de Drinkwaterwet geldende norm is. Voorts is de voorzieningenrechter niet dan wel onvoldoende gebleken dat een dergelijk geringe lozing vanuit de IAZI niet volgens BBT (ingevolge artikel 6.26 van de Waterwet) vereist zou zijn. Voorts geeft het bestreden besluit er op geen enkele manier blijk van dat de (milieu)belangen die zijn betrokken bij handhaving zijn afgewogen tegen de belangen bij voortzetting van de lozing van pyrazool. Zo zijn de belangen van de drinkwaterbedrijven - zo is ter zitting door verzoekers 1 en 2 nader ingegaan op de onder rechtsoverweging 3 genoemde belangen en mogelijke schade - niet kenbaar betrokken bij de besluitvorming door verweerder. In het handhavingsbesluit van 8 oktober 2015 wordt enkel genoemd dat het (per direct) in zijn geheel doen stoppen van de lozing van pyrazool betekent dat (mogelijk) een of meer fabrieken op het Chemelot-terrein geheel stil komen te liggen. Tevens is ter zitting van 5 november 2015 gebleken dat er één maal een te hoge piekwaarde is geweest, waardoor aan de zijde van verzoekers 3 een dwangsom is verbeurd.

15. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van (concreet) zicht op legalisatie (binnen afzienbare termijn) dan wel dat handhaving gericht op volledige opheffing van de overtreding onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. In het licht van het vorenstaande en gezien het feit dat er al sinds juli 2015 sprake is van overtredingen van de Waterwetvergunning deelt de voorzieningenrechter voorts niet het standpunt van verzoekers 3 en verzoeker 4 dat een begunstigingstermijn vereist is. Derhalve ligt het in de rede dat verweerder op korte termijn tot volledige handhaving overgaat.

16. Verzoekers hebben om verschillende redenen verzocht om het handhavingsbesluit van 8 oktober 2015 te schorsen dan wel een voorlopige voorziening te treffen. Ter zitting hebben verzoekers desgevraagd verklaard dat zij, om tot een mogelijke oplossing te komen, het wenselijk achten dat de voorzieningenrechter bij wijze van een voorlopige voorziening een tijdelijke norm oplegt. Verzoekers hebben ter zitting allen een tijdelijke norm genoemd. Verweerder wil vooralsnog vasthouden aan de in het handhavingsbesluit van 8 oktober 2015 opgelegde gehalten. Verzoekers 3 en verzoeker 4 vinden een verder gaande versoepeling daarvan en met name de piekwaarden (tot 150 µg/l) aangewezen. Hoewel verzoekers 1 en 2 primair uitgaan van de voor drinkwaterinname geldende norm op basis van de Drinkwaterwet, vinden zij het in het licht van de belangen van verzoekers 3 en verzoeker 4 acceptabel (vooralsnog) aan te sluiten bij de (objectieve) normering zoals die in dit verband in Duitsland geldt.

De voorzieningenrechter ziet geen reden niet mee te gaan in het bij wijze van voorlopige voorziening opleggen van een tijdelijke norm en zal die norm - gezien het oordeel van de voorzieningenrechter, zoals aangegeven onder rechtsoverwegingen 14, 14.1 en 15 - in het handhavingsbesluit van 8 oktober 2015 tijdelijk wijzigen in de door verzoekers 1 en 2 voorgestelde gehalten van 50 µg/l, gemeten in een volumeproportioneel etmaalmonster, en 30 µg/l, gemeten als voortschrijdend gemiddelde van 10 volumeproportionele etmaalmonsters.

Voor het overige is er geen reden het bestreden besluit te wijzigen, hetgeen er in wezen op neerkomt dat er geen begunstigingstermijn geldt en de hoogte van de dwangsom ongewijzigd blijft.

Daarbij bepaalt de voorzieningenrechter dat de tijdelijke norm geldt tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op de bezwaren van verzoekers en als er gedurende die termijn tegen het besluit op bezwaar een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan totdat op dat verzoek is beslist.

Voorts wordt nog opgemerkt dat deze tijdelijke norm geldt vanaf het moment van in werking treden van de onderhavige uitspraak, te weten 1 dag na verzending van deze uitspraak, en derhalve niet met terugwerkende kracht en onverlet laat dat de overtreder een of meerdere dwangsommen verbeurd kan hebben vanwege de overtreding van de door verweerder 2 in het handhavingsbesluit van 8 oktober 2015 gehanteerde norm tot het moment van het in werking treden van deze tijdelijke norm. Vanaf dat moment dient de tijdelijke norm gehandhaafd te worden en kunnen op basis daarvan dwangsommen verbeurd worden.

17. Het voorgaande betekent dat de verzoeken van verzoekers 1 en 2 voor toewijzing in aanmerking komen en de verzoeken van verzoekers 3 en verzoeker 4 zullen worden afgewezen.

18. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken van verzoekers 1 en 2 toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers 1 en 2 het door hen betaalde griffierecht van € 662,- (2 maal € 331,-) vergoedt.

19. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker 1 en 2 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2450,- (2 punten voor het indienen van de verzoekschriften, 2 punten voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor verzoeker 2 voor het verschijnen ter (nadere) zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening van verzoekers 1 en 2 toe;

- wijzigt bij wijze van voorlopige voorziening de in het handhavingsbesluit van

8 oktober 2015 genoemde gehalten van 100 µg/l, gemeten in een volumeproportioneel etmaalmonster, en 60 µg/l, gemeten als voortschrijdend gemiddelde van 10 volumeproportionele etmaalmonsters, in: 50 µg/l respectievelijk 30 µg/l;

- bepaalt dat voormelde voorlopige voorziening geldt tot 6 weken na de

bekendmaking van de beslissing op de bezwaren van verzoekers en als er gedurende

die termijn een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan totdat op dat

verzoek is beslist;

-wijst de verzoeken om voorlopige voorziening van verzoekers 3 en verzoeker 4 af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan verzoeker 1 en

€ 331,- aan verzoeker 2 te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker 1 tot een bedrag van

€ 980,- en van verzoeker 2 tot een bedrag van € 1470,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. P.M. van den Brekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

18 november 2015.

w.g. P. van den Brekel,

griffier

w.g. Seerden,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 18 november 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.