Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:9451

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-10-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
C/03/210511 / JE RK 15-2048
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

De GI acht thuisplaatsing van een mishandeld kind niet meer mogelijk terwijl de kinderrechter dat standpunt onvoldoende onderbouwd acht. De kinderrechter verlengt de machtiging uithuisplaatsing voor zes maanden met de opdracht om aan de hand van een duidelijk stappenplan aan thuisplaatsing te werken, bij voorkeur met wisseling van de gezinsvoogd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Maastricht

zaakgegevens : C/03/210511 / JE RK 15-2048

datum uitspraak: 23 oktober 2015

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

De Gecertificeerde Instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, hierna te noemen de GI, gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [2012] te [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende], hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. A. van den Eshoff, kantoorhoudende te Echt

en

[belanghebbende], hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats],

geen belanghebbende inzake het verzoek verlenging ondertoezichtstelling en wel belanghebbende inzake het verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing, samenwonende met de moeder.

Tevens worden als belanghebbenden inzake het verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing aangemerkt:

[belanghebbende] en

[belanghebbende], hierna te noemen de pleegouders dan wel de grootouders vaderszijde, beiden wonende te [woonplaats].

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 26 augustus 2015, ingekomen bij de griffie op 28 augustus 2015.

- het advies verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing na 2 jaar van de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen de raad, van 17 september 2015, ingekomen bij de griffie op 22 september 2015.

- het schrijven met bijlagen van de advocaat mr. A. van den Eshoff van 14 oktober 2015, ingekomen bij de griffie op 14 oktober 2015.

Op 15 oktober 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. . A. van den Eshoff;

- de pleegouders,

- een vertegenwoordigster van de GI.

Opgeroepen en niet verschenen is:

- de vader.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. [minderjarige] is erkend door de vader. [minderjarige] verblijft sinds 25 oktober 2012 bij de pleegouders, te weten de grootouders vaderszijde.

[minderjarige] staat sinds 25 oktober 2012 onder toezicht van de GI. Bij beschikking van 15 oktober 2014 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 oktober 2015.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 april 2015 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 25 oktober 2015.

Het verzoek en het verweer

De GI

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de uithuisplaatsing bij de pleegouders te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI verwezen naar het verzoekschrift en de daarin opgenomen motivering en daarbij gevoegde rapportages. Ter zitting heeft de GI verder nog – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Het laatste jaar is ingezet op terugkeer van [minderjarige] naar huis. De GI heeft echter vastgesteld dat de stappen die door de ouders gemaakt dienden te worden, te langzaam werden gedaan. Van de ouders werd verwacht dat ze voorstellen zouden doen om de bezoeken van [minderjarige] bij de ouders uit te breiden. Concrete voorstellen bleven echter uit. De overgang die gemaakt had moeten worden van verblijf bij de pleegouders naar verblijf bij de ouders is niet gemaakt. De GI heeft de conclusie moeten trekken dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de ouders ligt.

De raad

Op 17 september 2015 heeft de raad advies verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing na 2 jaar uitgebracht. De raad concludeert dat verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk is om de belangen van [minderjarige] te waarborgen en de daarbij noodzakelijke hulpverlening te kunnen garanderen.

De raad is van mening dat er tijd nodig is om de impact van het ontbreken van het perspectief op thuisplaatsing voor alle partijen te inventariseren en de hulp daarop af te stemmen. Daarna zal geconcludeerd kunnen worden of een onderzoek met betrekking tot een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is. Wanneer daarbij de onderzoekstermijn en de behandelingstermijn wordt opgeteld, is het reëel om te veronderstellen dat de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing met een periode van 12 maanden verlengd dient te worden.

De moeder

De advocaat van de moeder heeft ter zitting aangevoerd dat er vanuit de GI vaag gecommuniceerd is en dat voor de ouders niet duidelijk was wat er van hen verwacht werd. Er ontbreekt een plan van aanpak om naar de terugplaatsing van [minderjarige] bij de ouders te werken. De GI heeft in dit proces geen leiding genomen, terwijl dat wel van de GI verwacht mag worden. Uit niets blijkt dat de thuissituatie bij de ouders de afgelopen drie jaar niet veilig is geweest. Ook is niet gebleken hoe de momenten van [minderjarige] bij de ouders zouden zijn geweest zonder de aanwezigheid van de grootmoeder moederszijde (verder: de oma), die nu steeds in het kader van het Veiligheidsplan aanwezig moet zijn. Er is dan ook geen reden om de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing voor een langere periode dan drie maanden toe te wijzen, met de opdracht aan de GI om aan de hand van een duidelijk plan van aanpak te werken aan een terugkeer van [minderjarige] naar de ouders.

De moeder zelf heeft ter zitting nog aangevoerd dat ze het onbegrijpelijk vindt dat het zo lang moet duren. Ze is bang dat ze [minderjarige] nu helemaal kwijt raakt, terwijl hij net als zijn broertje [minderjarige] recht heeft op zijn ouders en hun liefde voor hem. De moeder ontkent dat ze de armbreuk bij [minderjarige] heeft veroorzaakt, ondanks dat ze schuldig is bevonden. Er is hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Het feit dat de grootouders vaderszijde haar wel verantwoordelijk houden voor de breuk, staat nog steeds tussen hen in en heeft invloed op hun onderlinge relatie. De moeder werkt nu tijdelijk niet om zich volledig op de zorg voor [minderjarige] en [minderjarige] te kunnen richten. De vader heeft binnenkort ook één dag per week vrij waardoor hij meer tijd kan steken in de verzorging en opvoeding van de kinderen.

De vader, hoewel correct opgeroepen, is niet ter zitting verschenen en heeft geen verweer gevoerd. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat de vader geen vrij kon krijgen van zijn werk en dat hij de moeder volledig steunt.

De pleegouders hebben ter zitting aangevoerd het te betreuren dat niemand de verantwoordelijkheid voor de armbreuk van [minderjarige] neemt. Zolang dat niet gebeurt en er geen spijt is betuigd, is het voor [minderjarige] niet veilig in de thuissituatie.

De pleegouders geven aan dat ze soms twijfelen aan het verantwoordelijkheidsgevoel van de ouders, nu ze wel eens te laat komen voor afspraken of als het hen uitkomt [minderjarige] eerder terug brengen naar de pleegouders. Ze staan achter het verzoek van de GI.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling telkens verlengen mits aan de gronden bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan. Uit artikel 1:255 lid 1 BW volgt dat een minderjarige onder toezicht kan worden gesteld indien deze zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.

Voorts kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265c lid 2 BW de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste één jaar verlengen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

Uit de stukken en de verklaringen ter zitting is het volgende gebleken.

De feiten

[minderjarige] heeft in 2012 een botbreuk opgelopen in de thuissituatie bij ouders waardoor de situatie als onvoldoende veilig is beoordeeld en [minderjarige] uithuisgeplaatst is bij de grootouders vaderszijde. [minderjarige] verblijft een keer per veertien dagen een weekend bij de ouders en de woensdag volgend op het weekendbezoek ook. De oma is hierbij aanwezig ingevolge het Veiligheidsplan dat is opgesteld. In juli 2015 is de moeder strafrechtelijk veroordeeld voor de botbreuk die [minderjarige] heeft opgelopen. Zij heeft hiertegen hoger beroep ingesteld, dat nog loopt. [minderjarige] zelf ontwikkelt zich goed op alle levensgebieden. Hij heeft zich aan de grootouders vaderszijde gehecht als primaire opvoeders. De relatie tussen de ouders en de grootouders vaderszijde is slecht. De grootouders vaderszijde beschuldigen de moeder ervan dat zij het letsel aan [minderjarige] heeft toegebracht en nemen de ouders kwalijk dat zij er niet voor uitkomen dat de moeder dit heeft gedaan. Zij hebben hierdoor geen vertrouwen in de ouders. De ouders nemen de grootouders vaderszijde kwalijk dat zij de moeder beschuldigen. Gesteld noch gebleken is dat er bij de ouders problematiek speelt anders dan de situatie rondom [minderjarige] of dat de ouders niet sensitief en responsief op [minderjarige] reageren. De ouders hebben in januari 2014 nog een zoon gekregen, die niet onder toezicht is gesteld. De GI heeft in de zomer van 2014 besloten in te zetten op thuisplaatsing van [minderjarige]. Inmiddels stelt de GI zich op het standpunt dat thuisplaatsing geen optie meer is.

De ondertoezichtstelling

De kinderrechter acht een ernstige ontwikkelingbedreiging van [minderjarige] gelegen in de slechte relatie tussen de grootouders vaderszijde en de ouders, de belangrijkste personen in zijn leven.

Ook is bij een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouders een ernstige ontwikkelingsbedreiging gelegen in het feit dat [minderjarige] primair gehecht is aan de grootouders vaderszijde als zijn belangrijkste opvoeders en verzorgers en dat hij hen dan zal moeten missen.

Deze laatste ontwikkelingsbedreiging is enkel weg te nemen door [minderjarige] ofwel niet thuis te plaatsen ofwel op zeer geleidelijke en zorgvuldige wijze thuis te plaatsen waarbij een goed en frequent contact met de grootouders vaderszijde gewaarborgd blijft.

Nu gesteld noch gebleken is dat er de afgelopen drie jaar problemen rondom de veiligheid van [minderjarige] zijn geweest in de thuissituatie bij de ouders, acht de kinderrechter dit niet langer een ontwikkelingsbedreiging. Kennelijk is er ook geen aanleiding geweest om de ondertoezichtstelling van het broertje van [minderjarige], [minderjarige], te verzoeken zodat de GI de situatie bij de ouders thuis blijkbaar inmiddels als veilig inschat.

De ouders zien de noodzaak tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet meer in en zij zouden hem zonder ondertoezichtstelling per direct bij hen thuis laten wonen. Gesteld noch gebleken is dat de ouders voor het overige hulpverlening onvoldoende aanvaarden.

Volgens de GI is er inmiddels geen perspectief meer op thuisplaatsing van [minderjarige], maar is het nog te vroeg om een gezagsbeëindigende maatregel in te zetten, welk standpunt wordt gedeeld door de raad. De kinderrechter is van oordeel dat de GI onvoldoende heeft onderbouwd dat er geen perspectief meer is op thuisplaatsing en zal in het navolgende (onder het kopje uithuisplaatsing) uiteenzetten waarom zij dat vindt. In het kader van het verzoek de ondertoezichtstelling te verlengen is van belang dat de kinderrechter de verwachting gerechtvaardigd acht dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn weer in staat zullen zijn zelf de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen.

Blijkens het bovenstaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de gronden voor een ondertoezichtstelling is voldaan, zodat het verzoek ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen.

Machtiging uithuisplaatsing

De GI legt aan haar oordeel dat thuisplaatsing niet meer aan de orde is ten grondslag dat:

  1. het de ouders zelf niet is gelukt de samenwerking met de grootouders vaderszijde te zoeken;

  2. dat de ouders niet kunnen invoelen hoe het voor [minderjarige] zal zijn om de overstap van de grootoudersvaderszijde naar de ouders te maken;

  3. dat er geen uitbreiding van het bezoekcontact van [minderjarige] met de ouders is gekomen;

  4. dat met de ouders gemaakte afspraken te weinig worden nagekomen;

  5. dat de ouders buiten het nakomen van de bezoekafspraken geen verbinding kunnen maken met de ontwikkeling van [minderjarige];

  6. dat de ouders zelf geen hulpvraag hebben;

  7. dat het gesprek over [minderjarige] onvoldoende plaatsvindt;

  8. dat de ouders pas actie ondernemen op instructie van de gezinsvoogd of pleegzorgmedewerker;

dat de ouders niet met de GI en met grootouders vaderszijde communiceren over wat het strafrechtelijk vonnis voor hen betekent.

Zoals reeds overwogen acht de kinderrechter het standpunt van de Gi onvoldoende onderbouwd en wel om de volgende redenen.

Ad A. Dat de relatie tussen de ouders en de grootouders vaderszijde moeilijk is, is gezien de omstandigheden alleszins te begrijpen. Aan de verbetering van deze relatie zal in het belang van [minderjarige] door zowel de ouders als de grootouders vaderszijde moeten worden gewerkt, of [minderjarige] nu thuis geplaatst wordt of niet. Het is aan de gezinsvoogd om hierop passende hulpverlening in te zetten in de vorm van bijvoorbeeld mediation. Gesteld noch gebleken is dat de GI dit heeft gedaan. Dit dient alsnog te gebeuren.

Ad B. De GI heeft niet onderbouwd althans niet voldoende gemotiveerd onderbouwd waarom de ouders volgens haar niet kunnen invoelen hoe het voor [minderjarige] zal zijn om de overstap van de grootouders vaderszijde naar de ouders te maken.

Ad C. De ouders hebben wel degelijk herhaaldelijk om uitbreiding van de bezoekcontacten van [minderjarige] gevraagd en ook het – naar het oordeel van de kinderrechter – constructieve voorstel gedaan om te beginnen met een verdubbeling van de bestaande bezoekcontacten. De gezinsvoogdijwerkster heeft dit voorstel afgewezen zonder zelf met een nieuw voorstel te komen. Verder is het niet helpend dat de gezinsvoogdijwerkster – ook al wordt de situatie bij de ouders inmiddels als veilig ingeschat – de eis blijft stellen dat de oma bij de bezoekcontacten aanwezig is. Zeker nu deze de zorg voor een zeer ernstig zieke echtgenoot heeft/had en daardoor uitbreiding van de bezoekcontacten bijna onmogelijk wordt/werd gemaakt, had het op de weg van de gezinsvoogdijwerkster gelegen om bezoekcontacten zonder aanwezigheid van oma mogelijk te maken.

Ad D. De GI heeft niet duidelijk kunnen maken welke afspraken de ouders allemaal niet zijn nagekomen, afgezien van een schriftje dat niet tussen de ouders en de grootouders vaderszijde op en neer is gegaan.

Ad E. en G. De eis dat de ouders ‘verbinding maken met de onwikkeling van [minderjarige]’, is de kinderrechter zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet duidelijk. Welke gesprekken er over [minderjarige] hadden moeten plaatsvinden, die er niet zijn geweest, is de kinderrechter evenmin duidelijk.

Ad F. en I. Het is aan de GI om te bepalen welke hulpverlening de ouders nodig hebben, zowel voor wat betreft de verbetering van de relatie met de grootouders vaderszijde als voor wat betreft het leren omgaan met de strafrechtelijke veroordeling van de moeder en wat dit voor hen betekent. De GI heeft niet duidelijk gemaakt welke hulp hiervoor dient te worden ingezet. De eis dat de ouders met de gezinsvoogdijwerkster en met de grootouders moeten praten over wat het strafrechtelijk vonnis voor hen betekent, is een onterechte eis.

Ad H. De GI heeft niet voldoende duidelijk gemaakt welke actie ouders op eigen initiatief hadden moeten nemen, nog daargelaten de vraag of de ouders dat wel hadden moeten doen of dat de GI hen duidelijke instructies had moeten geven.

De kinderrechter acht op grond van het vorenstaande een uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders vaderszijde nog voor zes maanden noodzakelijk. Binnen deze periode zal aan de hand van een duidelijk stappenplan dat door de GI is opgesteld, moeten worden toegewerkt aan een geleidelijke thuisplaatsing van [minderjarige] waarbij een regelmatig en frequent contact met de grootouders vaderszijde wordt gewaarborgd. Dit dient bij voorkeur door een andere gezinsvoogdijwerker dan de huidige gezinsvoogdijwerkster te gebeuren nu de relatie tussen de gezinsvoogdijwerkster en de ouders inmiddels belast is. Het stappenplan dient duidelijk aan te geven en op te leggen wanneer [minderjarige] bij de ouders en de grootouders vaderszijde verblijft, waarbij de kinderrechter geen aanleiding ziet om de oma bij de bezoekcontacten van [minderjarige] en de ouders aanwezig te laten zijn. Ook dient het stappenplan te vermelden welke hulpverlening zal worden ingezet om de relatie tussen de ouders en de grootouders vaderszijde te verbeteren en welke hulpverlening de ouders dienen te accepterren, bijvoorbeeld van een psycholoog, om de strafrechtelijke veroordeling en de gebeurtenissen rondom de botbreuk van [minderjarige] een plek te geven.

De beslissing


De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 25 oktober 2016;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor verblijf gedurende dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg, tot uiterlijk 25 april 2016;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Koster-van der Linden, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G.E. Wolters als griffier en in het openbaar uitgesproken op

23 oktober 2015.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch