Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:925

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
12-02-2015
Zaaknummer
3548969 CV EXPL 14-11551
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ziektekostenverzekeraar maakt buiten rechte niet duidelijk dat en waarom een door Kredietbank bijgestane verzekerde over een concrete maand nog premie verschuldigd is.

Verzekerde (en mogelijk ook de Kredietbank) leeft tot en met het antwoord in de procedure in de veronderstelling dat basispremie (over 2014, althans de maand april en daarna) steeds correct en tijdig betaald is.

Pas uit (productie bij) repliek valt af te leiden dat het om de maand maart 2014 gaat. Verzekerde dupliceert niet meer (maar dit impliceert geen erkenning van de vordering).

Gevolg is dat kantonrechter slechts de hoofdvordering toewijst en proceskosten geheel compenseert. Rente pas vanaf moment van repliek toewijsbaar.

Overweging ten overvloede ten aanzien van gebrekkig procederen van verzekeraar als ‘repeatplayer’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 3548969 CV EXPL 14-11551

Vonnis van de kantonrechter van 11 februari 2015

in de zaak

ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ

CENTRALE ZORGVERZEKERAARS GROEP, ZORGVERZEKERAAR U.A.

gevestigd en kantoorhoudend te Tilburg

eisende partij

gemachtigde: J.H. Vekemans, deurwaarder te Tilburg (“GGN”)

tegen

[gedaagde]

wonend te [adres]

gedaagde partij

in persoon procederend

Partijen zullen hierna aangeduid worden als “CZ” respectievelijk “[gedaagde]”.

De procedure

CZ heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 25 oktober 2014 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee ten behoeve van [gedaagde] een niet gewaarmerkte noch genummerde kopie van een onvolledige brief (in het exploot aangeduid als ‘productie 1’) en een eveneens aan het exploot gehechte schriftelijke toelichting van de gemachtigde van CZ op procedurele aspecten van de zaak betekend zijn.

[gedaagde] heeft ter eerst dienende datum, 12 november 2014, mondeling geantwoord en een betalingsverweer gevoerd waarvoor verwezen is naar in kopie ingebrachte overzichten.

Bij repliek d.d. 17 december 2014 heeft CZ onder weerspreking van het door [gedaagde] gevoerde verweer in haar vordering volhard onder verwijzing naar twee extra producties, waaronder een geactualiseerd betalingsoverzicht.

Daartoe naar behoren uitgenodigd en in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] in voortgezet debat niet meer gereageerd, zodat het recht om te dupliceren vervallen verklaard is.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak op vandaag gesteld is.

De vordering (inclusief de wijze van presentatie) en het daartegen gerichte deelverweer

CZ vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van een bedrag van € 137,42, te vermeerderen met de wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 95,90 vanaf 25 oktober 2014 (de datum van dagvaarding) tot de datum van volledige voldoening, alsmede tot betaling van de aan haar zijde te liquideren proceskosten.

CZ baseert haar hoofdvordering van € 95,90 op ‘één of meerdere’ overeenkomst(en) van verzekering tegen ziektekosten (‘zorgverzekering’), zonder duidelijk te maken of hier sprake is van zowel de verzekering van een basispakket conform de Zorgverzekeringswet als een aanvullende verzekering. Aan de vermelding van hetgeen uit die overeenkomst(en) onbetaald gebleven is (een enkelvoudig bedrag van € 95,90 over het tijdvak 1 april 2014 tot en met 30 april 2014), valt slechts te ontlenen dat het daarbij gaat om een bedrag aan basispremie, hetgeen niet uitsluit dat [gedaagde] beide typen verzekering bij CZ ondergebracht heeft.

Er is geen afzonderlijke factuur ingebracht. Wel is bij repliek een betalingsherinnering van 22 mei 2014 van CZ in fotokopievorm overgelegd waarin (onder bijvoeging van een acceptgirokaart) wegens ‘een betalingsachterstand’ om de betaling van € 95,90 verzocht is en waaraan tevens een specificatie gehecht is die refereert aan de verzekeringsmaand april 2014.

Weliswaar stelt CZ verder in een algemeen geformuleerde passage van het exploot dat (in de regel) ‘direct’ verzuim intreedt omdat de premie voorafgaand aan een premieperiode ‘verschuldigd’ is, maar zij adstrueert noch concretiseert dit ten aanzien van [gedaagde].

Zelfs de datering van de (eventueel) aan [gedaagde] gezonden (en al dan niet door hem ontvangen) oorspronkelijke factuur of nota is niet vermeld. De inhoudelijk zonder toelichting gebleven productie bij exploot, een kopie van een gehalveerde brief / een concept van 19 juni 2014 van ‘Debiteurenbeheer’ (zonder verdere naamsvermelding) te Tilburg aan ‘De heer [gedaagde]’, zou volgens CZ beantwoorden aan de eisen van een zogeheten ‘veertiendagenbrief’ in de zin van art. 6:96 lid 6 BW. Het exploot stelt echter niet de ontvangst van de bewuste van CZ - en dus niet van de incassogemachtigde - afkomstige ‘aanmaning’ door [gedaagde] voorop, doch volstaat ermee op te merken dat dit stuk (aan hem) ‘verstuurd’ of ‘gestuurd’ is. Ook ten aanzien van de brief van 22 mei 2014 van CZ die bij repliek aan de orde gesteld is, is de (veronderstelde) ontvangst door [gedaagde] niet met zoveel woorden gesteld.

CZ stelt uit de overeenkomst of overeenkomsten met [gedaagde] aldus een bedrag van € 95,90 ‘van gedaagde opeisbaar te vorderen gekregen’ te hebben. Ondanks (herhaalde) aanmaning, zo poneert zij verder, heeft zij ‘geen betaling van voormeld verschuldigd (totaal)bedrag kunnen verkrijgen’. Op basis hiervan constateert CZ dat op een ongenoemd gebleven moment en op een niet geëxpliciteerde grond sprake was van ‘betalingsverzuim’ ter zake van deze post. Zij heeft zich ‘genoodzaakt gezien haar vordering op gedaagde ter incasso uit handen te geven aan GGN, haar incassotussenpersoon’. Het moment van overdracht aan ‘GGN’ is vermeld noch van documentatie voorzien en eventuele concrete acties die de incassogemachtigde ondernomen heeft, zijn in het geheel niet beschreven / toegelicht. Ook bij repliek is de rol van de incassogemachtigde niet nader ingevuld. De twee in kopie overgelegde stukken (de verminkte brief van 19 juni 2014 als bijlage van het exploot en de bij de repliek toegevoegde betalingsherinnering van 22 mei 2014 vermelden CZ als opsteller / afzender.

‘Door de wanbetaling van gedaagde (hier handelend als consument) en/of het hierdoor uit handen geven van haar vordering’, zo vervolgt het exploot, lijdt CZ vermogensschade. Die schade is samengesteld uit ‘de buitengerechtelijke incassokosten (berekend als overeengekomen dan wel conform gebruikelijk en billijk tarief)’ enerzijds en ‘de wettelijke rente vanaf de verzuimdatum’ anderzijds.

Volgens CZ komt dit erop neer dat zij naast de hoofdsom recht kan doen gelden op bedragen van € 40,00 aan (vergoeding van) buitengerechtelijke incassokosten met inbegrip van omzetbelasting (btw) en op € 1,52 aan ‘rente tot vandaag’ (d.w.z. tot de datum van dagvaarding). Onder de tussenkop ‘Verweer’ vermeldt CZ dat [gedaagde] buiten rechte de vordering niet betwist heeft, aangevuld met de door / namens haar uitgesproken wens tot schriftelijke voortzetting van de procedure als [gedaagde] zich alsnog in rechte mocht verweren.

Het verweer van [gedaagde] is er op gericht dat naar zijn overtuiging alle verschuldigde premie reeds aan CZ betaald is, in verband waarmee hij bij antwoord fotokopieën van betalingsgegevens ingebracht heeft die kennelijk verzameld zijn door de Kredietbank Limburg (getuige het papier waarop de prints gemaakt zijn). Uit de stukken valt ook af te leiden dat [gedaagde] in het beheer van zijn financiën door deze Kredietbank begeleid wordt. Hoewel [gedaagde] dit niet uitdrukkelijk kenbaar maakt, moet uit zijn opstelling in rechte (en ook het zwijgen in voortgezet debat) opgemaakt worden dat hij zich zowel voor de eventueel nog verschuldigde hoofdsom als voor de nevenvorderingen verder aan het oordeel van de kantonrechter refereert, hetgeen betekent dat de totale vordering van CZ getoetst wordt aan maatstaven van rechtmatigheid, redelijkheid en rechtvaardigheid.

De beoordeling

CZ heeft door de gekozen inrichting van het exploot van dagvaarding nagelaten onderdelen van haar vordering van een behoorlijke feitelijke grondslag te voorzien. Het mag dan wellicht zo zijn dat [gedaagde] buiten rechte de hoofdvordering niet uitdrukkelijk betwist heeft, dat wil niet zeggen dat hij bijvoorbeeld niet kenbaar gemaakt heeft dat premiebetalingen via de Kredietbank Limburg liepen of dat CZ dit niet had kunnen weten. In dat geval had het op de weg van CZ of haar incassogemachtigde gelegen aldaar navraag te doen naar het (mogelijk bij vergissing) uitblijven of onvindbaar zijn van één maandbetaling, want daar komt het dispuut van partijen op neer. Waar bij [gedaagde] tot en met het moment van antwoord in deze procedure de overtuiging bestond dat alles correct betaald was (en dat mogelijk ook buiten rechte aan CZ heeft laten weten), had CZ ook zonder uitdrukkelijk verzoek van [gedaagde] of de Kredietbank betaalgegevens kunnen vergelijken. CZ doet dat nu pas bij repliek, na eerst [gedaagde] gedagvaard te hebben en diens reactie een maandlang te hebben kunnen onderzoeken en geeft er geen blijk van dat die check (ook) vooraf gepleegd is.

Uit die bij repliek gepleegde check - en meer speciaal uit het betaaloverzicht dat CZ als prod.2 bijvoegde - blijkt dat het verschil in uitgangspunt van verzekerde betaler en verzekeraar / schuldeiser voortvloeit uit de wijze van boeken van ontvangen bedragen: waar de Kredietbank Limburg een afschrijving (mutatie) van € 95,90 van de (voor [gedaagde]) aangehouden rekening naar CZ per 15 april 2014 voorzag van de vermelding ‘Ziekenfonds - april 2014’, merkt CZ deze betaling aan als de voldoening van premie voor de maand maart 2014. Klaarblijkelijk hing dit laatste samen (CZ legt dit echter nog steeds niet uit!) met het sedert 1 januari 2014 ontstaan zijn van een premieachterstand, want het op dit punt niet toegelichte overzicht vermeldt per 24 maart 2014 de ontvangst van een bedrag van € 192,07 van [gedaagde] (Kredietbank) dat geboekt is als premie voor januari en februari 2014 plus een bedragje van € 0,27 aan rente. Daaruit valt met enige goede wil inderdaad af te leiden dat er over één maand geen premie betaald is, zij het dat het dan over de maand maart 2014 en niet april 2014 gaat. Als CZ die conclusie nu trekt, had zij deze echter onder verwijzing naar een overzicht als het onderhavige (waarvan de juistheid en volledigheid bij gebreke van verweer in tweede ronde door [gedaagde] niet betwist zijn) voorafgaand aan dagvaarding onder aandacht van [gedaagde] (en de Kredietbank) moeten brengen om iedere mogelijkheid van een vergissing te ecarteren. Nu niet gebleken is dat zulks met enige precisie gedaan is (eerder is van het tegendeel sprake omdat slechts gerefereerd is aan onbetaalde premie over april 2014!), en ook overigens niet heeft kunnen blijken van het buiten rechte intreden van betalingsverzuim aan de zijde van [gedaagde], moet ervan uitgegaan worden dat van zulk verzuim pas sedert de datum van repliek, 17 december 2014, sprake kan zijn. Te gelden heeft immers dat op dat moment duidelijk geworden is dat nagelaten is de basispremie ZKV over één maand (maart 2014) te voldoen tot het genoemde bedrag van € 95,90, zodat het ook in de lijn ligt om [gedaagde] vanaf die datum aan te slaan voor verschuldigde wettelijke rente. Voor zover CZ bij exploot extra claims ter zake van eerder vervallen geachte wettelijke rente over de hoofdsom en een vergoeding van buitengerechtelijke kosten onderdeel van haar vordering gemaakt heeft, komen deze reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking. [gedaagde] is in het licht van het voorgaande zelfs als rauwelijks gedagvaard te beschouwen. Ook overigens moet vastgesteld worden (en niet voor het eerst) dat CZ die nevenvorderingen zowel bij exploot als aanvullend bij repliek van een onvoldoende feitelijk fundament voorzien heeft. Van naar moment en oorzaak duidelijk aanwijsbaar verzuim van rechtswege is in de uiteenzettingen van CZ geen sprake, terwijl zij zich - al is het maar omdat de ontvangsttheorie van art. 3:37 lid 3 BW volledig genegeerd is - evenmin kan beroepen op een door ingebrekestelling buiten rechte ingetreden betalingsverzuim van [gedaagde].

Van CZ als ‘repeatplayer’ in incassoprocedures mogen een zorgvuldige/volledige inhoud en een deugdelijke opbouw van het exploot verwacht worden, waarvan zij in deze zaak (wederom) geen blijk geeft, zodat niet voldaan is aan de bedoelingen van de wetgever met de regels in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (artikelen 21, 111 lid 3 en 85 Rv). Door essentiële stellingen en informatie in haar toelichting en onderbouwing van de (neven)vorderingen achterwege te laten en de noodzaak van verbindende schakels te verwaarlozen, doet CZ afbreuk aan de plicht efficiënt en correct te procederen. Delen van de vordering die niet of onvoldoende van een feitelijke grondslag voorzien zijn, komen in beginsel niet voor toewijzing in aanmerking. Dit is zelfs het geval als de gedaagde partij zich te dien aanzien tot een referte beperkt of louter vragen opwerpt, althans zich - zoals hier - beperkt tot summier verweer (door zich te beroepen op algehele betaling).

De argumentatie van [gedaagde] wijst erop dat hij zich niet (of onvoldoende) realiseerde dat het dringend noodzakelijk was een concrete achterstand aan te zuiveren. Omdat het hier evident gaat om een verzekerde in een moeilijke financiële (en mogelijk ook sociale) positie, had CZ zich wel iets meer aan zijn belang gelegen mogen laten liggen door de processuele weg en zelfs de reguliere - niet op het concrete geval toegespitste - incassoweg alleen in het uiterste geval te bewandelen. Het negeren van de bijzondere aspecten van deze zaak door CZ rechtvaardigt te meer om - in weerwil van de gedeeltelijke veroordeling van [gedaagde] - de proceskosten in het geheel te compenseren.

De beslissing

De kantonrechter komt aldus tot het volgende oordeel:

- [gedaagde] wordt veroordeeld om aan CZ tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 95,90 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2014 tot de datum van algehele voldoening.

- De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

- Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

- Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: hs