Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:9051

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
C/03/211617 / KG ZA 15-500
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot verwijdering begroeiing op gevelmuur en scheidsmuur. Eigendom. Mandeligheid. Dreigende schade. Inbreuk op eigendomsrecht. Overhangende beplanting. Vordering tot verwijdering van fietsen die aan de gevelmuur van de woning van eiseres worden geplaatst. Onrechtmatige hinder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/211617 / KG ZA 15-500

Vonnis in kort geding van 22 oktober 2015

in de zaak van

[eiseres]

wonend te [woonplaats]

eiseres,

advocaat mr. drs. A.L. van den Bergh

tegen

1 [gedaagde sub 1]

en

2. [gedaagde sub 2]

beiden wonend te [woonplaats]

gedaagden

advocaat mr. T.J.A. Iding.

Partijen zullen hierna [eiseres] en (gezamenlijk in mannelijk enkelvoud) [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding en de door [eiseres] overgelegde 11 producties

  • -

    de mondelinge behandeling op 19 oktober 2015

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de wijzigingen van eis

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is eigenares van de gebouwde onroerende zaak (met aanhorigheden) aan het adres [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [woonplaats] . [eiseres] bewoont [adres 2] , [adres 3] is door haar verhuurd en [adres 1] is thans te huur aangeboden.

2.2.

[gedaagde] is eigenaar van de daarnaast gelegen woning aan het adres [adres 4] . De woning wordt door [gedaagde] en zijn zes kinderen bewoond.

2.3.

Bij vonnis in kort geding van 2 september 2013 is [gedaagde] op vordering van [eiseres] (samengevat) veroordeeld om zich (op straffe van verbeurte van een dwangsom) te onthouden van het gebruik van een deur en een bruine toegangspoort, alsmede van het zich (doen) onthouden van het betreden van het perceel van [eiseres] . Voorts is [gedaagde] in dat vonnis veroordeeld om (op straffe van verbeurte van een dwangsom) een door hem geboord gat in een scheidingsmuur te (doen) herstellen en is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

2.4.

Op 12 augustus 2015, 3 september 2015 en 14 september 2015 heeft [eiseres] aan [gedaagde] verzocht klimop te verwijderen die volgens [eiseres] groeit tegen de aan haar in eigendom toebehorende woning alsmede tegen de in het verlengde van die woning liggende muur die eveneens haar eigendom is.

2.5.

Aan de voorgevel van de woning van [gedaagde] zijn drie metalen ringen aangebracht, waaraan fietsen vastgelegd kunnen worden. Aan de linkerzijde van de voorgevel (bezien vanaf de straat) van de woning van [gedaagde] bevindt zich, vlakbij de rechterzijde van de voorgevel van de woning van [eiseres] , een regenpijp, alsmede een verkeersbord. Direct ter linkerzijde van de regenpijp en het verkeersbord bevinden zich twee aan de voorgevel van de woning van [eiseres] bevestigde brievenbussen die worden gebruikt door [eiseres] en haar huurders. Direct ter linkerzijde van die brievenbussen bevindt zich een aan [eiseres] in eigendom toebehorende poort die toegang geeft tot het aan [eiseres] in eigendom toebehorende perceel met parkeerplaatsen.

2.6.

[gedaagde] en/of de kinderen van [gedaagde] bevestigen hun fietsen regelmatig aan de regenpijp en het verkeersbord.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert (samengevat) [gedaagde] :

  1. primair: te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de klimop aan de muur te verwijderen en verwijderd te houden van de aan [eiseres] in eigendom toebehorende woning alsmede van de aan [eiseres] in eigendom toebehorende muur die in het verlengde van de woning ligt, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per (gedeelte van een) dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 10.000,00,

  2. subsidiair: te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis [eiseres] , althans een door haar ingeschakelde derde toegang te verlenen en te blijven verlenen tot het erf van [gedaagde] teneinde haar in staat te stellen de klimop van de woning en de muur te verwijderen een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per (gedeelte van een) dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 10.000,00,

  3. te gebieden om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis niet langer fietsen (of andere voertuigen) aan de linker- en rechterzijde van de voorgevel van het pand van [eiseres] te plaatsen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 10.000,00,

  4. te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, alsmede van de nakosten van het geding waarin op 2 september 2013 vonnis is gewezen.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ter onderbouwing van de primaire vordering heeft [eiseres] bij dagvaarding als productie 2 diverse foto’s overgelegd. Op die foto’s is een met klimop of een ander soort klimplant begroeide gevel te zien, tegen welke gevel een houtopslag is geplaatst. Op de foto’s is voorts te zien dat de begroeiing de dakpannen van het gebouw bereikt heeft.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de begroeiing haar oorsprong vindt op het perceel van [gedaagde] . Evenmin is in geschil dat de gevelmuur onderdeel uitmaakt van het aan [eiseres] in eigendom toebehorende gebouw en dat de gevelmuur grenst aan (althans zich bevindt op de grens van) het aan [gedaagde] in eigendom toebehorende perceel.

4.3.

Het verweer van [gedaagde] dat de gevelmuur mandelig is, moet worden verworpen. Dit verweer baseert [gedaagde] op een kadastrale tekening, maar uit een dergelijke tekening volgt op zichzelf niet dat er sprake is van mandeligheid, die immers door een rechtshandeling tot stand komt. Van mandeligheid op grond van de wet is gelet op de vaststelling onder 4.2. evenmin sprake. Voorshands moet het er derhalve voor gehouden worden dat de gevelmuur (uitsluitend) eigendom is van [eiseres] .

4.4.

Het verweer van [gedaagde] dat de begroeiing geen schade aan de gevelmuur van het aan [eiseres] in eigendom toebehorende gebouw berokkent, acht de voorzieningenrechter onvoldoende grond om de vordering van [eiseres] op dit punt niet toe te wijzen. [eiseres] hoeft de door die begroeiing gemaakte inbreuk op haar eigendom immers niet te dulden. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat [eiseres] voldoende heeft gesteld om spoedeisend belang aan haar zijde te veronderstellen. De begroeiing kan immers tot schade aan het dak leiden. Weliswaar heeft [gedaagde] de begroeiing aan de bewuste gevel deels verwijderd, maar op de overgelegde foto’s die de huidige situatie weergeven blijkt dat ook thans nog begroeiing op de muur van [eiseres] zit, niet ver van het dak van het gebouw verwijderd.

4.5.

De primaire vordering zal gelet op het vorenstaande derhalve in zoverre toegewezen worden dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de begroeiing op de bewuste gevelmuur volledig te verwijderen en verwijderd te houden. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 200,00 per dag dat [gedaagde] hier niet aan voldoet, tot een maximum van

€ 4.000,00.

4.6.

Ten aanzien van de begroeiing aan en over de muur die in het verlengde van de gevelmuur ligt wordt het volgende overwogen.

4.7.

Aan de hand van de door [eiseres] overgelegde foto’s en met name de tweede foto van productie 2 stelt de voorzieningenrechter vast dat het gaat om de muur die zich ter rechterzijde van voornoemde gevelmuur bevindt. Tussen partijen is niet in geschil dat die muur mandelig is. Er is geen grond om [gedaagde] te verbieden om vanaf zijn perceel de muur aan die zijde te laten begroeien, zodat zowel het primair als subsidiair gevorderde niet toewijsbaar is. Het is [eiseres] op grond van art. 5:44 BW wel toegestaan om begroeiing die over haar erf heen hangt te (laten) verwijderen.

4.8.

Ten aanzien van de vordering onder 3. wordt allereerst overwogen, dat het spoedeisend belang van [eiseres] bij opheffing van de door haar gestelde hinder voldoende aannemelijk is.

4.9.

[gedaagde] betwist niet dat hij en zijn gezin aan de linkerzijde van de voorgevel van de aan hem in eigendom toebehorende woning (en derhalve ter rechterzijde van het pand van [eiseres] ) fietsen vastleggen aan het verkeersbord en de regenpijp.

4.10.

Partijen hebben getwist over de vraag of de regenpijp (uitsluitend) eigendom van [gedaagde] , van [eiseres] dan wel mandelig is. Die vraag hoeft hier niet beantwoord te worden. Waar het om gaat is of fietsen die bij die regenpijp (en het verkeersbord) geplaatst worden op onrechtmatige wijze hinder voor [eiseres] veroorzaken. Ook zonder de vaststelling dat de regenpijp (mede) eigendom van [eiseres] is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat in een bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid geoordeeld zal worden dat van dergelijke hinder sprake is. Op grond van de overgelegde foto’s blijkt immers genoegzaam dat als op die plek door [gedaagde] c.s. fietsen vastgelegd worden aan de regenpijp en aan het verkeersbord dit (bijna onvermijdelijk) ertoe leidt dat de onderste van de twee brievenbussen van [eiseres] minder goed bereikbaar is. Ook zal enige beschadiging van de voorgevel van het aan [eiseres] toebehorende pand makkelijk ontstaan, zeker omdat ook kinderen (die nu eenmaal doorgaans minder gespitst zijn op het voorkomen van schade aan andermans eigendom dan volwassenen) van [gedaagde] hun fietsen aldaar vastleggen. Voorts blijkt uit de overgelegde foto’s dat op die plek geplaatste fietsen de toegang per auto via de aan [eiseres] toebehorende (smalle) poort kunnen bemoeilijken doordat een wiel uitsteekt over het straatoppervlak waar auto’s moeten kunnen rijden.

Op grond van het vorenstaande zal de vordering onder 3. toegewezen worden. Ook voor zover die vordering ziet op een verbod om fietsen aan de linkerzijde van de voorgevel van het pand van [eiseres] te plaatsen, zal zij toegewezen worden. Weliswaar staat vast dat thans (sedert geruime tijd) [gedaagde] op die plek geen fietsen meer plaatst, maar niet ondenkbaar is dat dit wel weer zal gebeuren indien het [gedaagde] alleen zal worden verboden fietsen ter rechterzijde van de gevel van [eiseres] te plaatsen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 100,00 voor elke keer dat [gedaagde] het verbod overtreedt, tot een maximum van € 1.000,00.

4.11.

De door [eiseres] gevorderde betaling van de nakosten in verband met het op 2 september 2013 tussen partijen gewezen vonnis zal worden afgewezen. [eiseres] heeft dit eerst ter zitting (bij vermeerdering van eis) gevorderd. Omdat van de zijde van [gedaagde] (onder meer) is gesteld dat de nakosten wel degelijk betaald zijn, valt thans niet vast te stellen of [gedaagde] die kosten nog aan [eiseres] verschuldigd is.

4.12.

Als de merendeels in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] veroordeeld worden tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 98,13

- griffierecht 285,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.199,13

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de begroeiing aan de muur van de aan [eiseres] in eigendom toebehorende woning die aan het perceel van [gedaagde] grenst te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per dag of gedeelte van een gedag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 4.000,00,

5.2.

verbiedt [gedaagde] om tegen en aan de linker- en rechterzijde van de voorgevel van het pand van [eiseres] fietsen of andere voertuigen te plaatsen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor elke keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt tot een maximum van € 1.000,00.

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.199,13,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2015.1

1 type: RW