Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:8996

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
03/661125-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:5189, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettendheid in de zin van artikel 6 WVW. Aanrijding tussen taxi en fietser met dodelijke afloop. Veroordeling tot een maximale taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor één jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/661125-14

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 oktober 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats en datum]

wonende te [adres verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.H.M. Nijsten, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 oktober 2015. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

primair: met zijn personenauto een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij een ander om het leven is gekomen;

subsidiair: met zijn personenauto gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt, waarbij een ander om het leven is gekomen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. Er is daarbij sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), met de dood van [slachtoffer] tot gevolg. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen. Verdachte heeft op een donkere, slecht verlichte weg met slechte weersomstandigheden de snelheid die ter plaatste was toegestaan zodanig fors overschreden dat hij niet meer in staat was de door hem bestuurde auto tijdig tot stilstand te brengen binnen een afstand dat hij het slachtoffer, dat midden op de weg reed, in de schijnwerpers van zijn auto had moeten zien. Hiermee is sprake van een grove verkeersfout. Op basis van de getuigenverklaringen kan voorts worden geconstateerd dat het slachtoffer zijn verlichting voerde. Bovendien was zijn fiets voorzien van reflectoren. Verder heeft de officier van justitie gewezen op het feit dat van een professionele bestuurder als verdachte, zijnde een taxichauffeur, meer alertheid in het verkeer verwacht mag worden (de zogenaamde “Garantenstellung”).

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit. Het ongeval heeft plaatsgevonden op een niet goed verlichte weg waarbij verdachte uit het niets werd geconfronteerd met een fietser. Verdachte heeft zich gehouden aan de aldaar geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur. Verder heeft de raadsman betoogd dat niet mag worden uitgegaan van de Verkeersongevallenanalyse (hierna: VOA) omdat het ongeval op een ándere plek, te weten op een eerder moment, heeft plaatsgevonden dan de plek waar de VOA vanuit is gegaan. Voorts is onvoldoende onderzocht of de aangetroffen remsporen, wel de remsporen zijn van de auto van verdachte. Verdachte heeft de auto na de aanrijding nog verplaatst en ook de fiets is nadien nog verplaatst. De conclusie van de VOA op basis van de aangetroffen sporen dat verdachte met minimaal 90,9 kilometer per uur heeft gereden kan dan ook niet overeind blijven.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De feiten

Op dinsdag 24 december 2013 omstreeks 02:46 uur heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op de Sint Joosterweg te Maasbracht.2

Verdachte reed als bestuurder (taxichauffeur) van zijn personenauto (een taxi van het merk Mercedes, type E) over de Sint Joosterweg te Maasbracht, komende uit de richting van de Molenweg te Maasbracht. De rijbaan van de Sint Joosterweg had, gezien de rijrichting van verdachte, ter plaatse een breedte van circa 10 meter en was door middel van onderbroken witte strepen verdeeld in drie rijstroken. Naast de hoofdrijbaan lag aan de rechterzijde een parallelweg die door middel van een grasberm was gescheiden van de hoofdrijbaan. Aan de linkerzijde van de rijbaan lag een fiets/bromfietspad dat eveneens door middel van een berm met haag van de hoofdrijbaan was gescheiden.

[slachtoffer] fietste met zijn fiets over de hoofdrijbaan Sint Joosterberg te Maasbracht, eveneens komende uit de richting van de Molenweg. Hij wilde rechtsaf de Stevensweerterweg in fietsen en werd hierbij in de flank geraakt door de auto van verdachte.3 [slachtoffer] raakte als gevolg van de aanrijding ernstig gewond, als gevolg waarvan hij op

25 december 2013 overleed.4

Ter plaatse was de maximale snelheid van 50 kilometer per uur toegestaan.5

Uit de VOA6 blijkt dat op basis van de op het wegdek aangetroffen voertuigdelen gesteld kan worden dat de botsplaats gezien de rijrichting van de Mercedes kort vóór, dan wel juist op de oversteekplaats voor de fietsers moet zijn gelegen.

Getuige [getuige ]7 heeft verklaard dat hij die avond samen met [slachtoffer] was uitgegaan en dat ze vanaf het café naar huis zijn gefietst. De getuige fietste over het naast de Sint Joosterweg gelegen fietspad. [slachtoffer] fietste over het midden van de Sint Joosterweg. [slachtoffer] wilde naar rechts afslaan op de Stevensweerterweg en toen kwam die taxi en volgde een soort t-botsing, aldus de getuige.

In de VOA staat vermeldt dat er, gezien de rijrichting van de Mercedes, aan de linkerzijde van de hoofdrijbaan straatverlichting was geplaatst welke op het moment van het ongeval in werking was. Ervan uitgaande dat de Mercedes heeft gereden met in werking zijnde verlichting zal de lichtbundel van de koplampen een op de rijbaan rijdende fietser in ieder geval hebben aangestraald en was deze zichtbaar geweest voor de bestuurder van de Mercedes.8 Verder blijkt uit de VOA9 dat de fiets was voorzien van een rode retroreflector aan de achterzijde, vier ambergele retroreflectoren aan de trappers en witte retroreflectorstrepen op de banden.

Uit de VOA10 blijkt ook dat in de rijrichting die de Mercedes vlak vóór het ongeval gehad moet hebben, op het wegdek recente remregelsporen aangetroffen zijn met een grootste gemeten lengte van ongeveer 37,3 meter. Deze remregelsporen hadden hun verloop tot onder de banden van de voorwielen van de Mercedes op diens eindpositie. Er zijn geen andere recente (banden) sporen aangetroffen die op dit ongeval van toepassing waren. Aan de hand van de aangetroffen remregelsporen werd een snelheidsberekening gemaakt. Uit deze berekening blijkt dat de Mercedes heeft gereden met een snelheid van minimaal 90,9 kilometer per uur en maximaal 92,3 kilometer per uur.

In de VOA11 staat verder vermeld dat indien de bestuurder van de Mercedes met de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur had gereden, hij in alle berekende scenario’s zijn voertuig op een afstand van minimaal 9,87 en maximaal 23,05 meter voor het waarschijnlijke botspunt tot stilstand had kunnen brengen en er geen ongeval zou hebben plaatsgevonden.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zijn verlichting voerde.12 Ter terechtzitting verklaarde hij dat hij vaker heeft gereden op de Sint Joosterweg te Maasbracht en dat hij die avond klanten had opgehaald bij een café.

Overwegingen:

Voor de vraag of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen moet gekeken worden naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank merkt hierbij op dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Gelet op het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting kan de volgende ten laste gelegde gedraging wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte reed met zijn personenauto over de Sint Joosterweg te Maasbracht in de richting van de Rijksweg A2. Verdachte reed met een snelheid van minimaal 90,9 kilometer per uur en maximaal 92,3 kilometer per uur, terwijl de aldaar ter plaatse geldende snelheid maximaal 50 kilometer per uur was. Kort vóór, dan wel op de oversteekplaats reed verdachte het slachtoffer op zijn fiets

aan. Het slachtoffer overleed korte tijd later aan de verwondingen opgelopen door dit ongeval.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is of deze gedraging schuld in de zin van artikel 6 WVW oplevert. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de snelheid van de personenauto van verdachte op zijn minst genomen 90,9 kilometer per uur bedroeg. Verdachte heeft de snelheid die ter plaatse was toegestaan zodanig fors overschreden dat hij niet meer kon anticiperen op het verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers. Van een bestuurder van een personenauto mag verwacht worden dat hij in staat is om zijn auto tijdig tot stilstand te brengen binnen een afstand dat hij de weg kan overzien en deze vrij is. Reeds uit de omstandigheid dat hij het slachtoffer heeft aangereden blijkt dat hij daartoe niet in staat was. Dit is verwijtbaar, tenzij bijzondere omstandigheden hieraan in de weg staan. Van dergelijke omstandigheden is hier niet gebleken.

Het enkele feit dat het slachtoffer niet op de hoofdrijbaan mocht fietsen, maar op het naastgelegen fietspad had moeten fietsen, is hiervoor niet voldoende.

Verdachte kwam met zijn taxi midden in de nacht vanaf een café en had daar klanten opgehaald. Verdachte had erop bedacht moeten zijn dat er op dat tijdstip ook andere mensen op de fiets onderweg naar huis waren. Fietsers zijn zwakkere verkeersdeelnemer en van een bestuurder van een personenauto mag verwacht worden dat hij de grootst mogelijke zorg in acht neemt in situaties waarin hij fietsers op of in de nabijheid van de rijbaan kan verwachten. Uit de aangetroffen sporen op het wegdek en de verklaring van getuige Van Oost volgt dat de aanrijding vlak voor of op de oversteekplaats heeft plaatsgevonden. Verdachte was naar eigen zeggen ter plaatse bekend en wist dus dat die oversteekplaats daar lag en dat hij daar overstekende fietsers kon verwachten. Verdachte heeft de fietser ook op de weg kunnen zien fietsen gelet op de reflectoren op de fiets en het feit dat de taxi verlichting voerde. Dat verdachte de fietser niet heeft gezien dan wel pas op het allerlaatste moment heeft gezien en niet meer in staat was zijn auto tijdig tot stilstand te brengen, is te wijten aan het feit dat verdachte bijna twee keer zo hard heeft gereden als ter plaatse was toegestaan. Als verdachte zich aan de snelheid had gehouden, had het ongeval niet plaatsgevonden en was [slachtoffer] niet overleden.

De rechtbank is gelet op de aard en ernst van de gedraging in combinatie met de overige omstandigheden van het geval van oordeel dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval daarom aan de schuld van verdachte als bedoeld in artikel 6 WVW is te wijten en dat het slachtoffer als gevolg daarvan is komen te overlijden.

Ten aanzien van het betoog van de raadsman dat niet uitgegaan dient te worden van de conclusies van de VOA met betrekking tot de gereden snelheid, omdat zowel de auto als de fiets na de aanrijding zijn verplaatst, verdachte niet geremd zou hebben, er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de remsporen en de botsplaats waar vanuit wordt gegaan in de VOA niet klopt, overweegt de rechtbank als volgt.

De door de VOA berekende snelheid is gebaseerd op het aantreffen van de auto van verdachte en de aangetroffen remregelsporen op het wegdek die precies hun verloop hadden tot onder de banden van de voorwielen van de Mercedes op de aangetroffen eindpositie. Op het wegdek zijn geen andere sporen aangetroffen die met deze aanrijding in verband gebracht kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van verdachte dat de aangetroffen remregelsporen niet van zijn auto afkomstig kunnen zijn, omdat hij niet hard geremd zou hebben en de stelling dat hij zijn auto kort na de aanrijding heeft verplaatst en toen precies op en in lijn met die aangetroffen sporen heeft neergezet, onaannemelijk zijn.

Ook de enkele stelling van verdachte dat de botsplaats niet vlak voor dan wel op de oversteekplaats was, maar verder terug ter hoogte van het verdrijvingsvlak is gelegen, acht de rechtbank onaannemelijk. Weliswaar blijkt uit de VOA niet de exacte botsplaats, maar op basis van het aangetroffen sporenbeeld kan wel gesteld worden dat de botsplaats in ieder geval kort vóór, dan wel juist op de oversteekplaats voor de fietsers moet zijn gelegen. Ook getuige Van Oost heeft verklaard dat de fietser rechtsaf wilde slaan naar de Stevensweerterweg en dat er op dat moment een aanrijding volgde in een soort t-botsing. De rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de conclusies van de VOA of de getuige. Om deze reden gaat de rechtbank uit van de VOA en de daarin vermelde snelheidsberekening. Dat de fiets van het slachtoffer mogelijk is verplaatst is hierbij niet van belang.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 24 december 2013 te Maasbracht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Sint Joosterweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, een vóór hem, verdachte, op die Sint Joosterweg, in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdende fietser van achteren te naderen met een snelheid van tenminste 90,9 km/u en ten hoogste 92,3 km/u en de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en niet voldoende te verminderen en niet behoorlijk uit te wijken om een aanrijding met die fietser te voorkomen, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in aanrijding is gekomen met die fietser, waardoor [slachtoffer] (zijnde die fietser) werd gedood.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander wordt gedood.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 240 uren te vervangen door 120 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 15 maanden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de geëiste taakstraf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de raadsman verzocht om deze geheel voorwaardelijk op te leggen, omdat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Verdachte heeft een eigen taxibedrijf en zonder zijn rijbewijs moet hij zijn bedrijf gaan sluiten en heeft hij geen inkomen meer. Verder heeft de raadsman gewezen op het tijdsverloop van bijna twee jaren.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Het oriëntatiepunt voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerwet 1994, waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout met de dood tot gevolg is 240 uur taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar. De vraag is of er in dit geval omstandigheden zijn die maken dat het passend is van dit vertrekpunt naar boven of naar beneden af te wijken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft midden in de nacht bij het wegreden van een café met klanten in zijn taxi bijna twee keer zo hard gereden dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur. Verdachte heeft hierdoor het slachtoffer dat op zijn fiets onderweg naar huis was niet dan wel te laat gezien en kon zijn taxi niet tijdig tot stilstand brengen waardoor een aanrijding is ontstaan. Het 17-jarige slachtoffer [slachtoffer] is hierdoor komen te overlijden.

Voor de nabestaanden van [slachtoffer] betekent dit een tragisch en onomkeerbaar verlies, zoals door de vader van [slachtoffer] ook treffend verwoord bij gelegenheid van het spreekrecht. De ouders en zus van [slachtoffer] moeten na dit verkeersongeval verder zonder hun geliefde zoon en broer.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenwel ook gebleken dat het ongeval niet alleen op de nabestaanden van [slachtoffer] een grote impact heeft gehad. Ook verdachte is zich terdege bewust van het feit dat ten gevolge van zíjn handelen een jongeman het leven heeft verloren en ook hij zal dit gegeven de rest van zijn leven met zich mee moeten dragen.

De rechtbank is van oordeel dat de hoge snelheid waarmee verdachte heeft gereden een omstandigheid is die maakt dat verdachte een hogere straf verdient dan het hierboven genoemde uitgangspunt. De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf echter ook rekening met het feit dat verdachte - hoewel uit hoofde van zijn beroep als taxichauffeur al jarenlang een intensief verkeersdeelnemer - niet eerder veroordeeld is voor een soortgelijk feit.

Voorts wil de rechtbank niet voorbij gaan aan het feit dat het slachtoffer in strijd met de aldaar geldende verkeersregels midden op de hoofdrijbaan reed in plaats van op het naast de hoofdrijbaan gelegen fietspad. Hoewel deze omstandigheid niet van invloed is op de schuldvraag speelt zij voor de rechtbank wel een matigende rol bij het bepalen van de hoogte van de straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een maximale taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar, zoals beschreven in de oriëntatiepunten, passend en geboden is. Weliswaar heeft verdachte zijn rijbewijs nodig voor zijn werk, echter gelet op de aard en de ernst van het feit kan niet worden volstaan met enkel een voorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid. Ook in hetgeen overigens is aangevoerd door de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om de straf verder te matigen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het primaire feit tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- veroordeelt verdachte tevens tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Iding, voorzitter, mr. A.K. Kleine en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Akkers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 oktober 2015.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 24 december 2013 te Maasbracht, in elk geval in de

gemeente Maasgouw, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Sint

Joosterweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend, een vóór hem, verdachte, op die Sint Joosterweg, in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdende fietser van achteren te naderen met een snelheid van tenminste 90,9 km/u en ten hoogste 92,3 km/u, in elk geval met een veel hogere

dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/u en/of

de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en

niet voldoende te verminderen en/of niet behoorlijk uit te wijken om een

aanrijding of botsing met die fietser te voorkomen, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing of aanrijding is gekomen met die fietser,

waardoor [slachtoffer] (zijnde die fietser) werd gedood;

(artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 24 december 2013, te Maasbracht, in elk geval in de

gemeente Maasgouw, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee

rijdende op de weg, de Sint Joosterweg, een vóór hem, verdachte, op die Sint Joosterweg, in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdende fietser van achteren is genaderd met een snelheid van tenminste 90,9 km/u en ten hoogste 92,3 km/u, in elk geval met een veel hogere

dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/u en/of de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en niet voldoende heeft verminderd en/of niet behoorlijk is uitgeweken om een aanrijding of botsing met die fietser te voorkomen,

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die

weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 5 Wegenverkeerswet 1994)

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/661125-14

Proces-verbaal van de openbare zitting van 27 oktober 2015 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats en datum]

wonende te [adres verdachte] .

Raadsman is mr. B.H.M. Nijsten, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is wel/niet in de zittingzaal aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie regio Limburg Noord, district Midden-Limburg, basiseenheid Leudal/Maasgouw, proces-verbaalnummer PL233E-2013114530-1, gesloten d.d. 22 januari 2014, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 80.

2 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, d.d. 22 januari 2014, pagina 2-6.

3 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, d.d. 22 januari 2014, pagina 2-6.

4 Proces-verbaal van onnatuurlijke dood d.d. 25 december 2013, pagina 40 en proces-verbaal van lijkschouw, d.d. 31 december 2013, pagina 41-49.

5 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, d.d. 30 april 2014, pagina 12.

6 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, d.d. 30 april 2014, pagina 25.

7 Proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 30 december 2013, pagina 64-65.

8 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, d.d. 30 april 2014, pagina 28.

9 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, d.d. 30 april 2014, pagina 24.

10 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, d.d. 30 april 2014, pagina 15, 35.

11 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, d.d. 30 april 2014, pagina 28-29 en 37-39.

12 Proces-vervaal verhoor verdachte d.d. 27 december 2013, pagina 50-52.