Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:8955

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
3919837 CV EXPL 15-2214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid zorgverzekeraar in rechtsvordering tegen verzekerde die door verjaring getroffen geacht wordt. Overwegingen ten overvloede over inhoudelijk tekortschietende formulering en onderbouwing van vorderingen bij gebruikmaking van een gebrekkige (modelmatigde) tekst van inleidend processtuk. Ook bij repliek heeft eisende partij de tekorten in de presentatie niet verholpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/1 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 3919837 CV EXPL 15-2214

Vonnis van de kantonrechter van 28 oktober 2015

in de zaak

de naamloze vennootschap AVÉRO ACHMEA ZORGVERZEKERINGEN N.V.

gevestigd en kantoorhoudend te Utrecht, mede kantoorhoudend te Leiden

eisende partij

gemachtigde J.H. Vekemans, deurwaarder te Tilburg (“GGN”)

tegen

[gedaagde]

wonend te [woonplaats] de [adres]

gedaagde partij

in persoon procederend met bijstand van [naam] te Maastricht

Partijen zullen hierna aangeduid worden als “AVÉRO” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1 De procedure

AVÉRO heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 20 februari 2015 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding. Tegelijk met dit exploot zijn een als ‘productie 1’ aangemerkte specificatie (op briefpapier van de gemachtigde) alsmede een eveneens aan het exploot gehechte schriftelijke toelichting van de gemachtigde van AVÉRO op enige procedurele aspecten van de zaak betekend.

[gedaagde] heeft - na verkregen kort uitstel - voor de rolzitting van 8 april 2015 schriftelijk geantwoord en zich gemotiveerd (onder verwijzing naar drie producties en een vierde aanvullende productie) tegen de vordering verweerd.

Bij repliek d.d. 20 mei 2015 met vijf (deels meervoudige) producties heeft AVÉRO haar vordering nader toegelicht, waarop [gedaagde] ter rolzitting van 17 juni 2015 schriftelijk (dupliek) gereageerd heeft onder bijvoeging van twee gekopieerde betaalbewijzen.

Bij akte d.d. 22 juli 2015 (plus productie) heeft AVÉRO op die producties gereageerd.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

2 De vordering en het daartegen gerichte verweer

2.1

AVÉRO vordert veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van een bedrag van € 830,27, te vermeerderen met de wettelijke rente over het gehele als hoofdsom aangemerkte bedrag vanaf 20 september 2015 (datum dagvaarding) tot de datum van voldoening, alsmede tot betaling van de te liquideren proceskosten.

Volgens AVÉRO heeft [gedaagde] buiten rechte de vordering niet betwist. Zij verwachtte kennelijk eenzelfde opstelling van [gedaagde] in rechte. Mocht dit anders blijken te zijn (en mocht alsnog verweer gevoerd worden), dan - zo vermeldt zij in het exploot - ‘geeft eiseres om proceseconomische redenen de voorkeur aan het schriftelijk voortzetten (…….) boven het houden van een comparitie van partijen’.

2.2

AVÉRO baseerde haar oorspronkelijke hoofdvordering van € 1 029,44 op ‘één of meerdere’ overeenkomst(en) van verzekering tegen ziektekosten zonder te expliciteren of in het geval van [gedaagde] sprake was / is van zowel verzekering van een basispakket conform de Zorgverzekeringswet als een aanvullende verzekering. Aan de vermelding van hetgeen uit die overeenkomst(en) onbetaald gebleven was (volgens de aan het exploot gehechte specificatie een reeks van vier posten premie basisverzekering, vijf posten premie aanvullende verzekering en twee posten ‘onverschuldigd gedane uitkeringen’ dan wel ‘onbetaald gelaten eigen risico’) valt te ontlenen dat AVÉRO van beide typen verzekering uitgegaan is en dat het om meer dan alleen premiebetaling gaat.

2.3

AVÉRO stelt in een algemeen geformuleerde passage van het exploot, na vermelding van de soorten financiële verplichting die de overeenkomst voor de verzekerde kent, dat premie ‘verschuldigd (is) voor aanvang van de periode waarover premie verschuldigd is’ en dat ‘direct hierna’ verzuim intreedt. Ten aanzien van ‘eigen risico, eigen bijdrage en overige vorderingen’ hanteert zij evenwel ‘een verzuimtermijn van 30 dagen na factuurdatum’. Verdere uitleg of verbijzondering voor de situatie van [gedaagde] is na deze algemene stellingen achterwege gelaten. Onduidelijk is ook wat ‘direct hierna’ dan wel na ’30 dagen’ impliceert, nu AVÉRO in dit verband geen beroep doet op een formulering in een factuur of aanzegging. Zij laat zich evenmin uit omtrent eventueel voor het beweerde verzuim relevant geachte voorwaarden van verzekering, die zij bovendien niet bij exploot doch eerst bij repliek - en dan nog maar ten dele en zonder toespitsing op het concrete geval - in het geding gebracht heeft.

2.4

In het inleidende processtuk heeft AVÉRO ‘de brief/brieven’ van of namens haar - in de vorm van een aanmaning of sommatie - die kennelijk aan [gedaagde] geadresseerd was/waren, slechts genoemd of aangestipt. Of (en wanneer) die ‘brief/brieven’ door [gedaagde] daadwerkelijk ontvangen is / zijn, kan niet uit de door AVÉRO bij exploot ontplooide stellingen, noch uit het bedoelde stuk zelf afgeleid worden. AVÉRO heeft het - voor zover zij al een slechts naar datering verbijzonderd document in de tekst van het exploot aanduidt - slechts over het ‘verzenden’ of ‘versturen’ daarvan. AVÉRO heeft weliswaar bij repliek onder de productienummers 3 en 4 kopieën van een aantal op door haarzelf en/of haar gemachtigde op schrift gestelde herinneringen en aanmaningen ingebracht, maar volstaat er ook daar mee op te merken dat ‘de brief/brieven’ ofwel ‘(een) aanmaning(en)’ aan gedaagde partij ( [gedaagde] ) ‘verstuurd’, ‘verzonden’ of ‘gestuurd’ is /zijn. Ten dele stemt zelfs de adressering van de in kopie overgelegde brieven niet overeen met het woonadres waar [gedaagde] gedagvaard is, maar in ieder geval is gesteld noch anderszins gebleken dat de originele bescheiden [gedaagde] omstreeks de opmaak- en/of verzenddatumdatum daadwerkelijk bereikt hebben.

2.5

Uit de overeenkomst(en) met [gedaagde] en op grond van een of meer onverschuldigde betaling(en) zegt AVÉRO aldus een bedrag van € 1 029,44 ‘van gedaagde opeisbaar te vorderen gekregen’ te hebben. Ondanks (herhaalde) aanmaning had zij ‘geen betaling van voormeld verschuldigd (totaal)bedrag kunnen verkrijgen’. Op basis hiervan concludeerde AVÉRO dat op een ongenoemd moment en op een niet geëxpliciteerde grond sprake was van ‘betalingsverzuim’ ter zake van deze som. AVÉRO heeft zich verder ‘genoodzaakt gezien haar vordering op gedaagde ter incasso uit handen te geven aan GGN, haar incassotussenpersoon’. Het moment van overdracht aan ‘GGN’ is bij exploot vermeld noch van documentatie voorzien. Eventuele acties die de incassogemachtigde ondernomen heeft, zijn niet beschreven of toegelicht, zelfs niet in de repliek, hoewel toen wel zonder inhoudelijke toelichting onder productienummer 4 enkele brieven met ‘GGN Incasso B.V.’ als vermelde afzender in het geding gebracht zijn. Bij exploot was te dien aanzien volstaan met vermelding van enige data waarop brieven in de vorm van ‘sommaties’ uitgegaan dan wel geredigeerd zouden zijn, zonder ook daar de ontvangst door de geadresseerde met zoveel woorden te stellen, laat staan te adstrueren.

2.6 ‘

Door de wanbetaling van gedaagde en/of het hierdoor uit handen geven van haar vordering’ zegt AVÉRO vermogensschade te lijden. Die schade is volgens haar samengesteld uit ‘de buitengerechtelijke incassokosten (berekend als overeengekomen dan wel conform gebruikelijk en billijk tarief)’ enerzijds en ‘de wettelijke rente vanaf de verzuimdatum’ anderzijds. Wat deze primaire verwijzing naar een ‘overeenkomst’ moet betekenen, is onduidelijk, temeer waar AVÉRO voor de uitwerking van de beweerde vermogensschade zich slechts beroept op wettelijke bepalingen als art. 6:96 en art. 6:119 BW (of zelfs het hier niet toepasselijke ‘6:119a B.W.’).

2.7

Volgens AVÉRO komt dit erop neer dat zij naast de oorspronkelijke hoofdsom recht kon / kan doen gelden op bedragen van € 181,50 aan (vergoeding van) buitengerechtelijke incassokosten met inbegrip van omzetbelasting (btw) en van € 3,58 aan ‘rente tot vandaag’ (d.w.z. tot de datum van dagvaarding). Gevolg van deze laatste formulering is dat de dagvaardingsdatum zelf, nu verdere rente eerst ‘vanaf’ 20 februari 2015 en dus met ingang van 21 februari 2015 gevorderd is, hoe dan ook buiten het renteonderdeel in het petitum valt. Van de optelsom van posten, € 1 214,52, trekt AVÉRO nog wel € 384,25 af als ‘in mindering voldaan en/of verrekend aan/door eiseres’, maar zij zegt niet of dit gebeurd is krachtens nadere betalingsafspraak, noch hoe en wanneer dit door [gedaagde] betaald dan wel door AVÉRO zelf verrekend is.

2.8

In voortgezet debat heeft AVÉRO bestreden dat er van verjaring van (een deel van) haar vordering sprake is met het argument dat zulke verjaring ‘vele malen gestuit is’ (die tegenwerping is niet verder uitgewerkt). Dat [gedaagde] voor de kosten dient op te komen, verdedigt AVÉRO met verwijzing naar het ‘toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van haar verplichtingen’ zonder dat voor [gedaagde] een wettelijke grond tot opschorting of ontslag van een dergelijke verplichting bestond. AVÉRO bestrijdt de ontvangst door haar of haar gemachtigde van brieven waarbij [gedaagde] de vordering betwist zou hebben. Bij de premie voor de basisverzekering ging het destijds om een maandbedrag van € 97,16, voor de aanvullende verzekering werd € 20,31 per maand berekend. Persoonlijke en financiële omstandigheden die namens [gedaagde] in dit geding naar voren gebracht zijn, doen niet af aan het recht van AVÉRO haar aanspraken in rechte geldend te maken. AVÉRO is zelf van mening dat zij een (veel) hoger bedrag aan vervallen wettelijke rente (namelijk € 100,32) had kunnen claimen, maar ziet er uit coulance van af de vordering op dit onderdeel te verhogen. In haar laatste akte heeft AVÉRO de ontvangst van bedragen van € 447,00 en € 117,00 in september en november 2009 bevestigd. Het eerste bedrag zegt zij ‘geboekt’ te hebben op ‘de premie van februari 2009 tot en met juli 2009’. Die betaling ziet dus volgens haar niet op de in deze procedure aan de orde zijnde vordering. Het bedrag van € 117,00 is volgens haar in mindering gebracht op (een deel van) de premies voor juli en augustus 2009.

2.9

Met haar verweer richt [gedaagde] talrijke pijlen op AVÉRO en haar beslissing over te gaan tot gerechtelijke invordering van een bedrag ter zake waarvan jarenlang geen actie ondernomen is, terwijl ook niet gereageerd is op verzoeken per e-mail om opheldering en op eerder in 2010 verzonden brieven aan de gemachtigde van AVÉRO waarin op onderbouwing van een beweerde vordering aangedrongen is. Als tweede en derde productie zijn bij antwoord kopieën overgelegd van briefjes van 17 mei en 22 juli 2010 aan de ‘GGN’-vestiging in ’s-Hertogenbosch. Het ‘dossier’ is aan de kant van [gedaagde] ‘door haar ziekte en zwaar revalidatieproces’ in het ongerede geraakt, maar tussentijds had nog wel een buurman van [gedaagde] bij vergissing een voor haar bestemde brief geopend en met ‘GGN’ gebeld om nadere opheldering te geven, waarna de zaak als afgedaan beschouwd is. Namens [gedaagde] die zichzelf niet tot verschijning in rechte capabel acht, treedt nu [naam] in het krijt om de vordering te betwisten. Hij vraagt zich allereerst af of de rechtsvordering niet door verjaring getroffen is. In het exploot wordt als laatste datum van ondernomen actie immers 25 juni 2012 genoemd. Daarenboven heeft [gedaagde] met haar brieven wel degelijk de vordering betwist. De vordering kan ook niet kloppen, zowel naar hoofdsom als de bijkomende vorderingen. Onderbouwing en bewijs ontbreken, zowel ten aanzien van de aan [gedaagde] berekende als de te haren gunste in mindering gebrachte bedragen.

2.10

Bij dupliek heeft [gedaagde] ( [naam] namens haar) volhard bij het tegen de vordering ingebrachte verweer. Verwezen is ook naar bij haar ingetreden geheugenverlies en afasie. Polissen zijn nog steeds niet overgelegd en [gedaagde] heeft die niet (meer) in bezit. Zij herinnert zich vaag dat haar ex-echtgenoot deelnam aan een collectieve verzekering bij zijn werkgever, maar ook langs die weg kan zij geen informatie verkrijgen (deze ‘ex’ is na mishandeling van zijn echtgenote ‘door de politie uit huis gezet’). Nota’s met betrekking tot zorgkosten vallen nu niet meer te beoordelen. Onderbouwing ontbreekt nog steeds. Het zogenaamde overzicht dat met productie 2 ingebracht is, roept alleen maar meer vragen op. Betalingen van [gedaagde] uit de tweede helft van 2009 zijn niet verwerkt (zie aanvullende producties van haar kant). Fouten worden verdoezeld. Aan de substantiëringsplicht bij dagvaarding is niet voldaan. De hoofdsom is kennelijk aangepast om meer incassokosten te genereren. Aanmaningen waar AVÉRO zich op beroept, zien op andere perioden van verzekering en op andere vorderingen. Of ‘GGN’ brieven waarvan kopieën zonder naam en handtekening van de opsteller overgelegd zijn, ook daadwerkelijk verzonden heeft, valt niet te beoordelen. Men had echter moeten weten dat [gedaagde] wegens hersenbloeding en infarct in ziekenhuis en revalidatiekliniek verbleef en er geen kennis van kon nemen. Concreet bewijs is niet geleverd, noch aangeboden. Omdat [gedaagde] op haar leeftijd en met haar geringe inkomsten (weggevallen alimentatie!) weinig financiële ruimte heeft, zegt haar gemachtigde dat hij - in het belang van het creëren van rust en het voorkomen van extra druk op de gezondheid van [gedaagde] - voorstelt de zaak voor € 100,00 tegen finale kwijting te (doen) schikken, waarbij partijen ieder de eigen kosten dragen (in haar akte d.d. 22 juli 2015 is AVÉRO hier geheel aan voorbijgegaan).

3 De beoordeling

3.1

Hoewel deze zaak tal van vragen oproept (zie onder 2) waar AVÉRO zorgvuldig omheen manoeuvreert, is het vooral en in eerste instantie de vraag of [gedaagde] zich op goede gronden op verjaring van de hier aan de orde gestelde rechtsvordering beroept. Die kwestie moet beoordeeld worden aan de hand van hetgeen AVÉRO bij inleidend processtuk en in voortgezet debat omtrent de vordering en beweerde stuiting van haar rechtsvordering naar voren gebracht heeft, afgezet tegen de wettelijke regeling zoals die in het bijzonder te vinden is in de toepasselijke artikelen 3:307/3:308/3:313 BW (termijn van vijf jaren voor geldvordering als de onderhavige, aanvangend op datum opeisbaarheid) en 3:316/3:317/ 3:318 BW (de condities waaronder van stuiting van de verjaring sprake kan zijn).

3.2

Uit het aan het exploot van dagvaarding gehechte overzicht van volgens AVÉRO van [gedaagde] te vorderen posten (periodieke premiebedragen en periodieke restituties of vergoedingen van eigen risico) kan opgemaakt worden dat het uiterste moment waarop de afzonderlijke bedragen opeisbaar werden, op 1 januari 2010 te stellen is, namelijk bij het einde van de periode waarvoor twee bedragen aan premie in rekening gebracht zijn. Alle andere opgesomde bedragen waren al eerder van [gedaagde] opeisbaar. Bijgevolg zou het geheel van de rechtsvorderingen die AVÉRO in deze procedure wenst te effectueren, door verjaring getroffen zijn op het moment, 20 februari 2015, dat zij de zaak in rechte aanhangig maakte tenzij AVÉRO doeltreffend de tussentijdse stuiting van de verjaring zou aantonen. Het spreekt immers vanzelf dat volgens de normale regels van bewijsrecht de gemotiveerde stelplicht en de verplichting tot bewijslevering ten aanzien van het beroep op onderbreking van de verjaring langs de weg van stuiting op AVÉRO rusten.

3.3

AVÉRO komt wat dat betreft, niet veel verder dan dat zij in reactie op het verjaringsverweer van [gedaagde] zoals dit bij antwoord opgeworpen was, heeft doen opmerken: “(….) kan worden gemeld dat, gezien de door eiseres overgelegde correspondentie van haar en haar incassogemachtigde GGN, er geen sprake is van verjaring. De verjaring is vele malen gestuit.” Die ‘correspondentie’ moet dan kennelijk gezocht en gevonden worden in de producties 3 en 4 bij repliek, waaromtrent AVÉRO in dat processtuk zelf niet meer aan toelichting gegeven heeft dan het volgende:

- ( prod.3) “Doordat gedaagde de premies en zorgkostennota’s niet heeft voldaan, heeft eiseres gedaagde herhaaldelijk gemaand.”;

- ( prod.4) “Ook sommatie en aanmaning zijdens GGN heeft niet tot betaling van de verschuldigde premies door gedaagde geleid en eiseres is genoodzaakt geweest gedaagde in rechte te betrekken. De correspondentie is naar het adres [adres] te [woonplaats] gezonden, het adres waar gedaagde op dat moment volgens de Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven stond. Van gedaagde is ook nimmer bericht ontvangen dat ze destijds ergens anders woonachtig zou zijn.”

3.4

Eerstens valt op dat AVÉRO ten aanzien van geen van de onderdelen van de ‘correspondentie’ de stelling naar voren brengt dat [gedaagde] het bewuste stuk daadwerkelijk ontvangen heeft of dat ergens uit afgeleid moet worden dat zij de inhoud ervan tot zich genomen heeft, zodat de behouden ontvangst verondersteld zou mogen worden. Minstens zo opmerkelijk in relatie tot haar beroep op tijdige en meervoudige stuiting van de verjaring - anders dan door een daad van rechtsvervolging - is dat AVÉRO niet alleen nalaat de brief of brieven waarin zij een stuitingshandeling meent te kunnen aanwijzen, concreet te noemen, maar ook geen passage(s) aanwijst die beantwoorden aan de voor rechtsgeldige stuiting geformuleerde wettelijke eis van het zich ‘ondubbelzinnig voorbehouden van haar recht op nakoming’. Zelfs als de kantonrechter desondanks met een welwillende blik naar de inhoud van de aldus niet in de processuele stellingen zelf betrokken brieven kijkt, schieten deze tekort als AVÉRO er het oogmerk mee had een eventuele verjaring te stuiten. Voor een deel van de als prod.3 ingebrachte eigen brieven van de verzekeraar heeft [gedaagde] al terecht de vinger gelegd op het feit dat daarin (in ieder geval in de derde brief) sprake is van een veronderstelde schuld van een andere periode dan die waarvoor de huidige procedure aanhangig gemaakt is. Voor het overige geldt dat de brieven van AVÉRO slechts vriendelijk geformuleerde herinneringen behelzen (‘wellicht is de betaling aan uw aandacht ontsnapt’), zodat hier - zelfs als van de ontvangst ervan uitgegaan zou mogen worden - geen stuitingseffect aan toegekend mag worden. De in prod.4 bijeengebrachte brieven van ‘GGN’ zijn weliswaar straffer geformuleerd en soms zelfs dreigend van toon, maar vertonen desondanks in geen enkel opzicht het kenmerk van een ondubbelzinnig voorbehouden van rechten ter onderbreking / stuiting van mogelijke verjaring, hoezeer AVÉRO dit ook anders meent te kunnen zien (doch niet nader opheldert). Bijgevolg moet AVÉRO niet-ontvankelijk verklaard worden in haar door verjaring getroffen vorderingen, waarbij uiteraard de nevenvorderingen het lot van de hoofdvordering delen. Het navolgende wordt dan ook slechts ten overvloede aan dit oordeel toegevoegd.

3.5

De vergaand onvolledige presentatie van feiten die bijdragen aan het oordeel over mogelijke toewijsbaarheid van zowel de twee nevenvorderingen als de verlangde proceskostenveroordeling, had AVÉRO moeten opbreken voor zover haar hoofdvordering wel geheel of ten dele toegewezen had kunnen worden. Maar zelfs die hoofdvordering zou bij ontvankelijkheid van AVÉRO nog de nodige hoofdbrekens gekost hebben, nu AVÉRO in de onderbouwing en in de afbakening ten opzichte van andere beweerde schulden van [gedaagde] aan haar (zie de volstrekt oncontroleerbare ‘toedeling’ van betalingen aan premietekorten e.d. die op een andere periode betrekking hebben) flinke steken laat vallen. Zij hoort als repeat player met professionele rechtsbijstand de regels van behoorlijke procesvoering te kennen en moet dan ook afgerekend worden op schending daarvan voor zover tekorten in de presentatie van in het bijzonder de nevenvorderingen (ook na twee volle procesronden nog steeds) te wensen overlaat.

3.6

De in de exploottekst verborgen schending van verplichtingen ex art. 21, 85 en 111 Rv die in de wijze van procederen van AVÉRO waar te nemen valt, heeft voor een groot deel te maken met het hanteren van een in meer opzichten tekortschietende voorbeeldtekst van een dagvaardingsexploot. AVÉRO wordt daar niet voor het eerst op geattendeerd. Ook in deze zaak zou dit er bij (gedeeltelijke) toewijsbaarheid van de hoofdsom in geresulteerd hebben dat het restant van haar vorderingen (de nevenonderdelen van de gevorderde hoofdsom en de eis van AVÉRO om de kosten van procederen naar haar wederpartij te verleggen) niet voor toewijzing in aanmerking gebracht hadden kunnen worden.

3.7

Het inleidende processtuk van AVÉRO én de repliek geven de kantonrechter en de wederpartij van AVÉRO niet meer dan een gebrekkig en onvolledig (en daarmee deels onwaar) beeld van de feitelijke situatie en een op onderdelen ondeugdelijk geformuleerde feitelijke grondslag voor een toch al in abstracties gehulde vordering. Geconstateerd moet namelijk worden dat AVÉRO op ontoereikende wijze feiten en omstandigheden aanvoert die de conclusie zouden kunnen wettigen dat sprake is van aan de procesgang voorafgaand ondubbelzinnig betalingsverzuim van debiteur [gedaagde] . Het in casu ontbreken van verzuim in de buitengerechtelijke fase vloeit voort uit de afwezigheid in exploot en repliek van iedere referentie aan een concreet feit of een concrete handeling die verzuim van de schuldenaar [gedaagde] in de zin van boek 6 BW (artikelen 6:81 tot en met 6:87 BW) bewerkstelligd zou kunnen / moeten hebben. Die nalatigheid heeft tot gevolg dat eventueel verzuim pas door dagvaarding bewerkstelligd had kunnen worden en wel per 18 maart 2015 (de datum waartegen [gedaagde] in rechte opgeroepen is). Met alle gevolgen van dien voor de

zijdens AVÉRO verlangde doorberekening van vervallen geachte rente en kosten van incasso, die dan immers niet van een behoorlijke feitelijke grondslag voorzien zijn (in casu posten van € 181,50 aan volgens AVÉRO te vergoeden incassokosten en € 3,58 of zelfs in ‘werkelijkheid’ - volgens de repliek - € 100,32 aan vervallen geachte rente). Van voorafgaand aan dagvaarding ingetreden en naar ontstaansmoment en oorzaak aanwijsbaar verzuim van rechtswege was in de stellingen / onderbouwende feiten van de zijde van AVÉRO immers geen sprake. Daarenboven kon AVÉRO zich evenmin met vrucht beroepen - al is het maar omdat de ontvangsttheorie van art. 3:37 lid 3 BW volledig genegeerd is - op een door ingebrekestelling buiten rechte ingetreden verzuim.

3.8

Extra implicatie van het vertraagde betalingsverzuim zou ook dan geweest zijn dat [gedaagde] om die reden geacht zou zijn rauwelijks gedagvaard te zijn, zodat zij nimmer in de proceskosten verwezen had kunnen worden.

3.9

Na deze overwegingen ten overvloede, moet in het licht van de uit te spreken niet-ontvankelijkheid nog geoordeeld worden over de toedeling van de proceskosten. Het spreekt vanzelf dat AVÉRO veroordeeld zal worden tot betaling van die kosten, die aan de zijde van [gedaagde] begroot worden op een bedrag van € 25,00 aan tegemoetkoming in de kosten van de haar verleende bijstand in de vorm van advies en correspondentie.

4 De beslissing

De kantonrechter komt aldus tot het volgende oordeel:

- AVÉRO wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en deswege veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde] bepaald zijn op een bedrag van € 25,00 (binnen veertien dagen na heden over te maken op een bij AVÉRO bekend te veronderstellen bankrekening ten name van [gedaagde] ).

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS