Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:8908

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
23-10-2015
Zaaknummer
C/03/211823 / KG ZA 15/513
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geen materieel en spoedeisend belang. Gevorderde voorzieningen worden geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/211823 / KG ZA 15/513

MD

Vonnis in kort geding van 22 oktober 2015

in de zaak van:

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiseres sub 2],

wonend [adres 1] te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. M.J. Mookhram,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2] ,

wonend [adres 2] te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. S.E.G.N. Schnabel.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding met producties 1 tot en met 5;

- de producties 1 tot en met 4 van gedaagden;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 19 oktober 2015;

- de ter zitting door eisers overgelegde productie en de ter zitting door gedaagden overgelegde productie;

- de pleitnota van gedaagden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eisers zijn eigenaar van de onroerende zaak, staande en gelegen te [woonplaats 2] aan de [adres 3] . Eisers verhuren dit pand aan Wiertz Personeelsdiensten B.V.

2.2.

Gedaagden zijn eigenaar van het belendende pand, staande en gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats 2] . Gedaagden exploiteren in het pand een kledingwinkel en wonen boven hun kledingwinkel.

2.3.

In het verleden waren zowel de onroerende zaak aan de [adres 3] als die aan de [adres 2] eigendom van eisers. Tot 1 april 1996 waren deze onroerende zaken niet gesplitst.

2.4.

Op 1 april 1996 is de onroerende zaak [adres 2] door eisers in eigendom (ten titel van koop) overgedragen aan de heer en mevrouw [naam] . De onroerende zaak aan de [adres 3] bleef eigendom van eisers. De heer en mevrouw [naam] hebben de onroerende zaak aan de [adres 2] in 2001 in eigendom (ten titel van koop) overgedragen aan gedaagden.

2.5.

De relatie tussen eisers en gedaagden is al sinds enige tijd ernstig gebrouilleerd.

2.6.

Het pand van eisers aan de [adres 3] heeft een plat dak. Het boven dat platte dak uitstekende deel van de muur tussen de panden [adres 3] en [adres 2] is op 16 september 2015 door een daartoe door gedaagden ingeschakeld schildersbedrijf wit geverfd. In deze witte verf zit een speciale coating, die de muur beschermt tegen vocht, maar tegelijkertijd ook ademt. Er zijn twee lagen verf aangebracht. Het door gedaagden ingeschakelde schildersbedrijf heeft rubbers met daarop houten platen op het platte dak van eisers geplaatst. Op die houten platen heeft het schildersbedrijf vervolgens een of meerdere ladders geplaatst om zo de gehele zijmuur wit te verven.

2.7.

Voor het betreden van het platte dak van het pand van eisers en het wit verven van de muur hebben gedaagden geen toestemming aan eisers gevraagd. Eisers en de advocaat van eisers hebben op 16 september 2015 mondeling verzocht om het wit verven van de muur te stoppen. Gedaagden hebben daar geen gehoor aangegeven.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagden te bevelen om binnen 48 uur na het vonnis de verf van de gemeenschappelijke muur tussen perceel [adres 3] en perceel [adres 2] te [woonplaats 2] te verwijderen dan wel te bewerkstelligen dat zij verwijderd wordt en verwijderd te houden (het herstellen van de oude toestand), een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 1.000,-- voor iedere dag of dagdeel dat gedaagden daarmee in gebreke blijven, met een maximum van € 100.000,--;

II. gedaagden te verbieden om het platte dak van eisers op het perceel [adres 3] te [woonplaats 2] te betreden dan wel te doen betreden, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of dagdeel dat gedaagden daarmee in gebreke blijven, met een maximum van € 100.000,--;

III. gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag dat gedaagden na betekening van dit vonnis in gebreke blijven met betaling van de in dit vonnis vastgestelde proceskostenveroordeling tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

Eisers leggen aan hun vorderingen het navolgende ten grondslag. De hierboven beschreven muur is geheel (dus ook het deel dat uitsteekt boven het platte dak van het pand van eisers) gemeenschappelijk eigendom van eisers en gedaagden. In de leveringsakte d.d.
1 april 1996 (waarbij het pand aan de [adres 2] door eisers aan de heer en mevrouw [naam] is geleverd), is dit expliciet opgenomen. In de leveringsakte d.d. 23 mei 2001 (waarbij het pand aan de [adres 2] door de heer en mevrouw [naam] aan gedaagden is geleverd) is dit eveneens vermeld. Op grond van de leveringsakte van 1 april 1996 is er een mandelige muur ontstaan. Omdat zulks ook in de leveringsakte van 23 mei 2001 tussen de heer [naam] en gedaagden is opgenomen, geldt dat er ook tussen eisers en gedaagden sprake is van een muur die gemeenschappelijk eigendom van eisers en gedaagden is. Eisers hebben, onder verwijzing naar het bepaalde in art. 3:170 BW, betoogd dat gedaagden niet zelfstandig bevoegd waren om deze muur wit te laten verven. Daarvoor was toestemming van eisers vereist. Omdat die toestemming ontbreekt en er ook geen sprake is van één van de in art. 3:170 BW benoemde gevallen op grond waarvan dergelijke handelingen zelfstandig kunnen worden verricht, hebben gedaagden onrechtmatig jegens eisers gehandeld en dienen gedaagden de muur in de oude toestand te herstellen.

3.3.

Gedaagden voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Om een voorziening te kunnen treffen als gevorderd, moet worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat eisers het gelijk aan hun zijde zullen krijgen als één van de partijen een bodemprocedure begint, en moeten eisers er spoedeisend belang bij hebben dat op het oordeel in de bodemprocedure vooruit wordt gelopen. Daarbij dient de voorzieningenrechter uit te gaan van de feiten met de beperkte onderzoeksmogelijkheden die het kort geding hem biedt, aangezien formele bewijslevering in deze procedure in beginsel niet plaatsvindt en dient het zogenoemde restitutierisico te worden gewogen.

4.2.

Eisers hebben voorshands onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een materieel belang hebben bij verwijdering van de witte verf van de muur. Zelfs indien er vanuit moet worden gegaan dat de gehele muur een gemeenschappelijk goed in de zin van art. 3:170 BW is, miskennen eisers dat gedaagden voorshands voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een valide belang hebben bij het (wit) laten verven van de muur. Als onweersproken staat namelijk – in het hiervoor onder 4.1. geschetste toetsingskader van dit kort geding – vast dat gedaagden in hun woning en bedrijfsruimte vochtproblemen ondervinden en dat de witte verf is voorzien van een speciale coating die vochtwerend is en ademt, wat die problemen mogelijk kan (helpen) oplossen. De door eisers gestelde esthetische bezwaren wegen minder zwaar dan dit belang van gedaagden. Ook de weging van het restitutierisico valt uit in het voordeel van gedaagden. Eisers gaan eraan voorbij dat het tot een disproportionele uitkomst zou leiden wanneer gedaagden thans reeds zouden worden veroordeeld om de muur in de oude toestand te herstellen. Dit zou ook in feite al een definitief oordeel zijn, dat alleen in een bodemzaak kan worden gegeven. Het op een niet vaststaande gemeenschappelijk eigendomsclaim van eisers te baseren (esthetische) voordeel van herstel van de muur in de oorspronkelijke staat valt in het niet tegen de daarvan te verwachten (financiële en bouwkundige) nadelen voor gedaagden.

4.3.

Daar komt nog bij dat, indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat eisers voldoende materieel belang bij hun vorderingen in kort geding hebben, het spoedeisend belang ook niet aannemelijk is geworden. Bij dagvaarding hebben eisers gesteld dat de huurder van het pand van eisers, Wiertz Personeelsdiensten, naar alle waarschijnlijkheid (cursiveringen voorzieningenrechter) in de besprekingen met eisers herstel naar de oude situatie zal eisen en een huurverlaging zal verlangen. Ter zitting heeft eiseres sub 2 desgevraagd aangegeven dat bij haar alléén een e-mailbericht van de heer [naam commercieel manager] (commercieel manager bij Wiertz Personeelsdiensten) bekend is waarin laatstgenoemde om een gesprek met eisers vraagt over de voorwaarden van huur van het pand voor Wiertz Personeelsdiensten. Uit die e-mail blijkt volgens eiseres sub 2 niet dat [naam commercieel manager] met eisers wil praten omdat de muur wit is geverfd. Volgens mr. Mookhram zou uit dit e-mailbericht blijken dat [naam commercieel manager] niet blij zou zijn met het aanbrengen van wijzigingen aan het door haar gehuurde pand, omdat Wiertz Personeelsdiensten daar niet vooraf van in kennis is gesteld. [naam commercieel manager] zal dan ook zeker gaan aandringen op een verlaging van de huurprijs, aldus mr. Mookhram. Wat hier verder van zij: het hier bedoelde e-mailbericht is niet door eisers overgelegd. Bezien in het licht van het gemotiveerde verweer van gedaagden, had het op de weg van eisers gelegen om dit e-mailbericht over te leggen of anderszins aannemelijk te maken dat het wit verven van de muur voor eisers verslechtering van de huurvoorwaarden voor Wiertz Personeelsdiensten zal opleveren, hetgeen zij evenwel hebben nagelaten. Hierin kan dus ook geen spoedeisend belang worden ontwaard, zodat ook om deze reden vooruitlopen op de uitkomst van een eventuele bodemprocedure niet gerechtvaardigd is.

4.4.

De conclusie uit het vorenstaande is dat de voorzieningen moeten worden geweigerd.

4.5.

Eisers dienen als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

- griffierecht € 285,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.101,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter,

5.1.

weigert de gevorderde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt eisers in de aan de zijde van gedaagden gerezen proceskosten, welke tot op heden worden begroot op € 1.101,00 en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en is in het openbaar uitgesproken.