Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:8581

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
03/659308-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van het plegen van ontucht met een persoon die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/659308-14

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 oktober 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.F.M. Geeratz, advocaat kantoorhoudende

te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 september 2015. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: in de periode van 1 januari 2010 tot en met 23 juni 2012 met een meisje onder de

twaalf jaar ontuchtige handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, dan wel ontucht heeft gepleegd met een meisje beneden

de leeftijd van zestien jaren;

Feit 2: in de periode van 24 juni 2012 tot en met 24 augustus 2014 met een meisje dat

de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, dan wel ontucht heeft gepleegd met een meisje dat de leeftijd van zestien jaren

nog niet heeft bereikt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte vrij te spreken van de onder 1. primair en subsidiair tenlastegelegde feiten, omdat voor die feiten onvoldoende bewijs voorhanden is. Volgens de officier van justitie is door de bewijsmiddelen wel bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2. primair tenlastegelegde feit.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 1. primair en feit 1. subsidiair, alsmede van

feit 2. primair, omdat voor deze feiten onvoldoende bewijs voorhanden is.

Het onder 2. subsidiair tenlastegelegde feit is volgens de raadsman wel bewezen, met uitzondering van de ontuchtige handeling(en) die heeft/hebben bestaan uit het “trachten, althans doende zijn, zijn, verdachtes, penis, in de vagina van [slachtoffer] te duwen en/of te brengen”; daarvoor is het bewijs ontoereikend.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Feit 1

De rechtbank heeft niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat de verdachte het onder 1. primair dan wel onder 1. subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat de verdachte van deze feiten moet worden vrijgesproken.

3.3.2

Feit 2 1

De bewijsmiddelen

Op 24 augustus 2014 heeft [slachtoffer] - geboren op [geboortedag] 20002 - een “informatief gesprek zeden” gevoerd met twee ambtenaren van de politie. [slachtoffer] woonde op dat moment samen met haar moeder en haar stiefvader, zijnde de verdachte, op het adres [adres] te [woonplaats] . [slachtoffer] heeft tijdens dat gesprek verteld dat de verdachte eerder die dag, op haar slaapkamer, seksuele handelingen bij haar had verricht. De verdachte was naast haar

op bed komen zitten en had haar gestreeld. Vervolgens had hij haar broekje uitgetrokken

en met zijn vingers en ontblote penis over haar ontblote vagina gewreven.3

Op 26 augustus 2014 is [slachtoffer] door twee zedenrechercheurs als getuige gehoord. [slachtoffer] heeft tijdens dit getuigenverhoor verklaard dat de verdachte al vaker seksuele handelingen

bij haar had verricht en vice versa. Deze handelingen hadden telkens plaatsgevonden in de woning aan de [adres] te [woonplaats] , als haar moeder niet thuis was. Over de aard van de seksuele handelingen heeft [slachtoffer] onder meer verklaard dat zij meermalen met haar tong het kopje van de penis van de verdachte had gelikt. De verdachte duwde dan ook soms zijn penis in haar mond. De verdachte had ook een aantal keren haar vagina “afgelebberd”. Hij spreidde dan haar benen en likte met zijn tong aan haar vagina. Ook had de verdachte haar reeds meermalen gevingerd. Hij wreef dan met zijn vingers over haar ontblote vagina

en tussen haar schaamlippen. Dit was ook gebeurd op 24 augustus 2014.4

De verdachte heeft ter terechtzitting van 30 september 2015 erkend dat hij in de periode

van juli/augustus 2013 tot en met 24 augustus 2014 in de woning aan de [adres] te [woonplaats] meermaals ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer] . Deze handelingen bestonden onder meer uit het wrijven met zijn vingers en penis over

de ontblote vagina en tussen de schaamlippen van [slachtoffer] .

Tegenover de politie heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer] ook een keer zijn ontblote penis in haar mond had genomen en dat hij een keer met zijn mond bij haar vagina was geweest.5

Bewijsoverweging

De rechtbank acht op grond vorenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 24 augustus 2014 meermaals seksuele handelingen heeft verricht bij [slachtoffer] en vice versa, welke handelingen (mede) bestonden uit:

  • -

    het wrijven met zijn - verdachtes - vingers en penis tussen de schaamlippen van [slachtoffer] ,

  • -

    het oraal bevredigen van de penis van de verdachte door [slachtoffer] , waarbij de penis van

de verdachte ook in de mond van [slachtoffer] is geweest, en

- het likken van de vagina van [slachtoffer] door de verdachte.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze (seksuele) handelingen kunnen worden gekwalificeerd als “seksueel binnendringen van het lichaam” als bedoeld

in artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Onder “seksueel binnendringen van het lichaam” verstaat de rechtbank, in navolging van

de Hoge Raad en in aanmerking genomen de wetsgeschiedenis, elk binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking. Daaronder valt niet alleen genitale seks (penetratie), maar bijvoorbeeld ook orale seks. In zijn arrest van 18 mei 2010 (NJ 2010, 287) heeft de Hoge Raad aangenomen dat ook het wrijven tussen de schaamlippen “seksueel binnendringen van het lichaam” oplevert.

De rechtbank is - gelet op het vorenstaande - van oordeel dat bovengenoemde (seksuele) handelingen kunnen worden gekwalificeerd als “seksuele handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het binnendringen van het lichaam”, zoals bedoeld in artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht. Daardoor is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2. primair tenlastegelegde feit.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

2.

in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 24 augustus 2014 te Grubbenvorst, meermalen,

met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag] 2000), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van

die [slachtoffer] .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte

moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Feit 2. primair:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt buiten echt ontuchtige handelingen plegen, die bestaan of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Gezondheidszorgpsycholoog J.H.M. Gommans heeft de verdachte onderzocht en naar aanleiding daarvan een rapport, gedateerd 27 oktober 2014, uitgebracht. Hierin leest de rechtbank onder andere:

“ (…) betrokkene lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anderszins beschreven) met duidelijke ontwijkende/vermijdende kenmerken. Betrokkene is als kind emotioneel verwaarloosd, heeft daar een instandhoudende wijze van omgaan mee ontwikkeld die het leven met weinig ontvangen van affectie - ook in de vorm van seksuele liefde - als nog net acceptabel doet beleven, maar anderzijds draagt deze zorg voor een sterke vereenzelviging met andere (wellicht deels) verwaarloosde kinderen. Deze relatie krijgt waarschijnlijk een seksueel karakter door de lang noodzakelijke onderdrukking van seksuele verlangens binnen de volwassen relatie. Dit mechanisme kan uiteraard alleen binnen een lager durende relatie ontstaan en beperkt het risico van recidive. De gewetensfunctie is niet aangetast, betrokkene is er zich volledig van bewust dat zijn gedrag uit den boze is en hij lijdt erg onder de schade die hij bij [slachtoffer] heeft aangericht. (…) De stoornis beïnvloedde het gedrag van onderzochte dusdanig dat dit daaruit mede verklaard kan worden. (…) De toerekeningsvatbaarheid moet worden gezien als verminderd.”

De rechtbank begrijpt - gelet op de daarvoor in voornoemd rapport gegeven gronden - de conclusie van de psycholoog dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd en neemt deze conclusie over. De verdachte is overigens wel strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daarbij de bijzondere voorwaarden, zoals deze door de reclassering worden geadviseerd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om in geen geval aan de verdachte een gevangenisstraf op

te leggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel, de duur van het voorarrest overschrijdt, eventueel gecombineerd met een taakstraf. Aan een voorwaardelijke deel van deze gevangenisstraf bepleit de raadsman de bijzondere voorwaarden te verbinden, zoals deze door de reclassering worden geadviseerd, met uitzondering van het locatieverbod.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen

is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren

is gekomen.

De verdachte heeft in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 24 augustus 2014 meermalen ontucht gepleegd met zijn minderjarige stiefdochter. Uit het procesdossier en het onderzoek

ter terechtzitting is gebleken dat de seksuele handelingen van toenemende intensiteit waren

en dat deze (mede) hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer.

De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer meermalen en gedurende een lange periode geschonden. Het is algemeen bekend dat seksueel misbruik een grote impact heeft op de slachtoffers daarvan en, zeker bij kinderen, tot psychische en relationele problemen kan leiden op latere leeftijd. De gevolgen voor het slachtoffer kunnen, zoals ook is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring, uiterst ingrijpend zijn en de kwaliteit van leven in belangrijke mate negatief beïnvloeden. Hoewel dit niet aan de verdachte is tenlastegelegd, betrekt de rechtbank bij de beoordeling van de strafwaardigheid van het bewezenverklaarde feit dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van het overwicht dat hij als stiefvader op het slachtoffer heeft gehad. De verdachte behoorde als stiefvader en feitelijk verzorger juist een beschermende rol te vervullen, het slachtoffer een veilig thuis te bieden en iemand te zijn op wie het slachtoffer moet kunnen vertrouwen op haar weg naar volwassenheid. Die rol heeft de verdachte niet waargemaakt. Integendeel zelfs, hij heeft zijn eigen seksuele lustgevoelens vooropgesteld en het vertrouwen van zijn stiefdochter ernstig misbruikt. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan.

De rechtbank houdt bij de bepaling van de strafmaat verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die onder meer blijken uit de rapportage van de reclassering van 7 augustus 2015 en de psychologische rapportage van 29 oktober 2014, alsmede met de conclusie van de gezondheidszorgpsycholoog dat het bewezenverklaarde

feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank houdt ten voordele van de verdachte tot slot rekening met de omstandigheid

dat de verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

2 september 2015 - niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op de juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met een andersoortige straf dan een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de hoogte van deze straf heeft de rechtbank gelet op de straffen die door rechtbanken en gerechtshoven doorgaans voor vergelijkbare strafbare feiten worden opgelegd. Dat brengt dan ook mee dat niet volstaan kan worden met een gevangenisstraf van gelijke duur

als het voorarrest.

De rechtbank zal, alle elementen afwegende, aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten pleegt, zal de rechtbank aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarden verbinden die door de reclassering worden geadviseerd, met uitzondering van het locatieverbod.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2000, vordert wegens immateriële schade een vergoeding van € 15.000,- inzake de onder 1. en 2. tenlastegelegde feiten. De vordering is ingediend door mevrouw [moeder slachtoffer] , zijnde de moeder en wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] .

De moeder van [slachtoffer] heeft een vordering ingediend wegens eigen schade. Zij vordert een vergoeding van € 11.249,61 inzake de onder 1. en 2. tenlastegelegde feiten. De vordering bestaat uit € 10.000,- wegens immateriële schade en € 1.249,61 wegens materiële schade (te weten: medische kosten, reiskosten, telefoonkosten en kosten voor een nieuwe inrichting van de woonkamer van haar woning en de slaapkamer van [slachtoffer] ).

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [slachtoffer] , te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering van

de benadeelde partij [moeder slachtoffer] in zoverre deze ziet op materiële schade, aangezien deze schade geen rechtstreeks gevolg is van de tenlastegelegde feiten. De gevorderde immateriële schade kan naar het oordeel van de officier van justitie (deels) worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft, in het geval van (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, gevorderd aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] ter zake van

de materiële schade af te wijzen op grond van het feit dat deze schade niet als rechtstreeks gevolg kan worden gezien van enig aan de verdachte tenlastegelegd feit.

De raadsman heeft voorts bepleit dat [moeder slachtoffer] en [slachtoffer] niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen ter zake van de immateriële schade. Naar het oordeel van de raadsman is deze schade vooralsnog niet zodanig onderbouwd dat deze als vaststaand kan worden aangenomen, terwijl een gerechte behandeling van dit deel van die vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding zal opleveren.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de door [moeder slachtoffer] gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de reiskosten die [moeder slachtoffer] als wettelijk vertegenwoordiger van het slachtoffer [slachtoffer] heeft gemaakt, te weten: van en naar het politiebureau (30,4 km x € 0,29), het kantoor van de raadsvrouw (46 km x € 0,29)

en de rechtbank (200 km x € 0,29) voor vergoeding in aanmerking komen, nu deze kosten

als onkosten van het slachtoffer zelf gezien moeten worden en het om redelijke kosten gaat

ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

De rechtbank is van oordeel dat [moeder slachtoffer] niet-ontvankelijk is in de overige door haar gevorderde vergoeding wegens materiële schade, aangezien deze schade geen rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Ten aanzien van de door [slachtoffer] en [moeder slachtoffer] gevorderde vergoeding van immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt.

Immateriële schade kan - in het geval fysiek letsel niet aan de orde is - slechts in een beperkt aantal gevallen worden toegekend. Deze gevallen zijn limitatief opgesomd in de wet (artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek). Verhaal is alleen dan mogelijk als er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Dit is pas aan de orde als het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft.

De rechtbank stelt vast dat op basis van het door de benadeelde partij aangevoerde en ten bewijze daarvan overgelegde stukken thans onvoldoende duidelijk is dat het gaat om ernstige psychische schade, zoals hiervoor bedoeld. Nu de eventuele immateriële schade niet eenvoudig is vast te stellen, zal de rechtbank de benadeelde partijen [moeder slachtoffer] en [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren in (dit deel van) hun vorderingen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank op

de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van de reiskosten ad in totaal € 80,16 ten behoeve van

de benadeelde partij [moeder slachtoffer] .

De rechtbank zal de kosten van de procedure, die van de tenuitvoerlegging daaronder te begrijpen, hierna begroten en de verdachte veroordelen in die kosten van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] .

8 De voorlopige hechtenis

De verdachte is op 24 augustus 2014 in verzekering gesteld in verband met de thans tenlastegelegde feiten. Op 5 september 2014 heeft de rechtbank, bij afzonderlijke beslissing, de schorsing van de voorlopige hechtenis bevolen. Aan deze schorsing is onder andere de voorwaarde verbonden dat de verdachte zich, zo lang het bevel tot voorlopige hechtenis niet is opgeheven, niet zal begeven in de gemeente Horst aan de Maas. De rechtbank acht deze voorwaarde thans niet meer opportuun. Zij zal de voorwaarden die door de rechtbank zijn verbonden aan de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis derhalve ambtshalve wijzigen in die zin, dat met ingang van 14 oktober 2015 voornoemd locatieverbod komt

te vervallen.

De beslissing van de rechtbank, strekkende tot wijziging van de aan de schorsing verbonden voorwaarden, is apart geminuteerd.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder feit 1. primair en het onder feit 1. subsidiair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder feit 2. primair tenlastegelegde bewezen, zoals dat hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert, zoals dat hierboven onder

punt 4. is omschreven;

- verklaart de verdachte daardoor strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak

in voorarrest heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf

in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van negen maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat

de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die wordt gesteld op twee jaren:

  • -

    zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- de bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen, overtreedt:

  1. dat de veroordeelde binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis zich meldt bij Reclassering Nederland op het adres Bredeweg 28b te Roermond (0475-399120) en zich daar meldt zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  2. dat de veroordeelde zich laat behandelen voor seksueel overschrijdend gedrag bij GGzE “De Omslag” in Eindhoven of een soortgelijke ambulante (forensische) zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling of de behandelaar zullen worden gegeven;

  3. dat de veroordeelde zich onthoudt van direct of indirect contact met het slachtoffer [slachtoffer] , zolang de reclassering en behandelaar dit wenselijk achten.

Toezicht en begeleiding

- geeft aan de reclassering de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

- wijst de vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] , wonende te [woonplaats]

, [adres] , toe tot een bedrag van € 80,16 te vermeerderen met

de wettelijke rente, te rekenen over de periode vanaf 24 augustus 2014 tot aan de dag van volledige voldoening;

- verklaart de benadeelde partij [moeder slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk

in haar vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering bij de burgerlijk rechter

kan aanbrengen;

  • -

    legt aan de veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [moeder slachtoffer] , een bedrag van € 80,16 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 24 augustus 2014 tot aan de dag van volledige voldoening, bij niet betaling te vervangen door één dag hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [moeder slachtoffer] vervalt en omgekeerd;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze kosten aan de zijde van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] , wonende te [woonplaats] , [adres] , niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij de vordering bij

de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. van Maanen Winters, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster,

en mr. M.T.A.C. Russel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 oktober 2015.

Buiten staat

Mr. P.H.M. Kuster is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 23 juni 2012 te Grubbenvorst,

in de gemeente Horst aan de Maas, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag] 2000), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 23 juni 2012 te Grubbenvorst, in de gemeente Horst aan de Maas, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag] 2000), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- zich door die [slachtoffer] af laten trekken en/of

- laten likken van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] en/of

- bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of wrijven over de vagina en/of de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- betasten van de borsten en/of de benen van die [slachtoffer] en/of knijpen in de borsten van die [slachtoffer] en/of

- leggen en/of brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, (ontblote) penis op/tegen de (ontblote) vagina van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) met zijn, verdachtes, penis maken van rijdende bewegingen en/of wrijven over/tegen de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- zich in het bijzijn van die [slachtoffer] aftrekken en/of

- trachten, althans doende zijn, zijn, verdachtes, penis, in de vagina van die [slachtoffer] te duwen en/of te brengen;

2.

hij in of omstreeks de periode van [geboortedag] 2012 tot en met 24 augustus 2014 te Grubbenvorst, in de gemeente Horst aan de Maas, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag] 2000), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van [geboortedag] 2012 tot en met 24 augustus 2014 te Grubbenvorst, in de gemeente Horst aan de Maas, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag] 2000), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- zich door die [slachtoffer] af laten trekken en/of

- laten likken van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] en/of

- likken van de vagina en/of de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of wrijven over de vagina en/of de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- betasten van de borsten en/of de benen van die [slachtoffer] en/of knijpen in de borsten van die [slachtoffer] en/of

- leggen en/of brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, (ontblote) penis op/tegen de (ontblote) vagina van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) met zijn, verdachtes, penis maken van rijdende bewegingen en/of wrijven over/tegen de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- zich in het bijzijn van die [slachtoffer] aftrekken en/of

- trachten, althans doende zijn, zijn, verdachtes, penis, in de vagina van die [slachtoffer] te duwen en/of te brengen.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, regionale recherche, voorzien van registratienummer PL2300-2014073632, gesloten d.d. 2 december 2014 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 92.

2 Een geschrift, betreffende de akte van geboorte van [slachtoffer] , pagina 70.

3 Het proces-verbaal informatief gesprek zeden, pagina 59 en 60.

4 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer] , pagina 74-80.

5 Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, pagina 48.