Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:8505

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1343u
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar. Geen sprake van samenhang in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Samenvatting:

De rechtbank is van oordeel dat van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) geen sprake is. Aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van gelijktijdige of nagenoeg gelijktijdige behandeling behoeft niet te worden voldaan, nu in de onderhavige zaak geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Bepalend is of de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De gemachtigde van eisers heeft in beroep aangegeven dat elke WOZ-waarde door zijn kantoor individueel wordt beoordeeld, waarna een afzonderlijk bezwaarschrift wordt opgesteld met grieven die specifiek zien op de specifieke situatie van de onroerende zaak. De rechtbank hecht geloof aan voormelde verklaring, die wordt ondersteund door de inhoud van de bezwaarschriften. Daar waar in de onderhavige zaak de bezwaargronden met name zien op het verkoopcijfer van de onroerende zaak zelf, wordt in het bezwaarschrift van de andere onroerende zaak met name de vergelijkbaarheid van de referentieobjecten gemotiveerd bestreden. Bovendien gaat het om onroerende zaken van twee verschillende belastingplichtigen (natuurlijke personen). Dat sprake is van in – in verschillende wijken van – de gemeente gelegen geschakelde woningen acht de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat daarmee de werkzaamheden nagenoeg identiek konden zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2218
V-N 2015/65.24.6
FutD 2015-2556
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15 / 1343

Uitspraak van de meervoudige kamer van 9 oktober 2015 in de zaak tussen

de [naam erven] , eisers,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nederweert, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit met dagtekening 28 februari 2014 heeft verweerder krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 3] te Nederweert-Eind (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2013 vastgesteld op € 215.000,= voor het tijdvak 1 januari 2014 tot 1 januari 2015.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 februari 2015 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de waarde van de onroerende zaak verlaagd tot € 164.000,=.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Als gemachtigde heeft zich gesteld S. Smis-van Dijk, werkzaam bij WOZ-Consultants te Arnhem.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2015, waar eisers, vertegenwoordigd door A. Oosters, kantoorgenoot van hun gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.G.G. Hilkens en P.J.C.C. Jonkers, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting is in de onderhavige zaak enkel in geschil de hoogte van de proceskostenvergoeding voor het indienen van het bezwaarschrift.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de onderhavige zaak en de zaak die ziet op de [adres 2] te Nederweert samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) zijn. Verweerder heeft hiertoe redengevend geacht dat beide onroerende zaken in de gemeente Nederweert gelegen geschakelde woningen zijn. Verweerder heeft beide zaken dan ook beschouwd als één zaak en aan de gemachtigde van eisers voor het indienen van het bezwaarschrift in de onderscheiden zaken een proceskostenvergoeding van in totaal € 244,= toegekend.

3. Eisers hebben zich in beroep – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb geen sprake is. Aan de voorwaarden van gelijktijdige of nagenoeg gelijktijdige behandeling van de bezwaren en werkzaamheden die in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn, wordt in de optiek van eisers niet voldaan. Verweerder had dan ook voor het indienen van het bezwaarschrift in de onderhavige zaak een proceskostenvergoeding van € 244,= moeten toekennen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, voor zover hier van belang, kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb, voor zover hier van belang, wordt het bedrag van de kosten bij de uitspraak onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Bpb worden samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Bpb, zoals dat luidt sinds 1 januari 2015, zijn samenhangende zaken door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.

6. De Nota van toelichting bij het Besluit van 27 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verruiming van de regeling voor samenhangende zaken (Stb. 2014, 411) bevat de volgende passages:

In de praktijk komt het regelmatig voor dat verschillende zaken met eenzelfde rechtsbijstandverlener tegelijkertijd of volgtijdelijk worden behandeld op een zitting of hoorzitting. Daarbij wordt tijdens die (hoor)zitting in kort tijdsbestek een veelvoud van zaken behandeld die sterk op elkaar lijken. Een strikte toepassing van het Bpb kan dan onredelijk uitwerken. Dergelijke zittingen kunnen zelden worden aangemerkt als een samenhangende zaak in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Vaak is niet voldaan aan alle in die bepaling gestelde vereisten, namelijk dat de bezwaren onderscheidenlijk beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn gemaakt onderscheidenlijk ingesteld en dat het nagenoeg identieke besluiten betreft, waartegen op vergelijkbare gronden bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld. De Hoge Raad ziet in belastingzaken niet snel aanleiding om te spreken van nagenoeg identieke zaken, aangezien veelal per zaak afzonderlijk moet worden beoordeeld of aanslagen naar de juiste heffingsgrondslag zijn opgelegd (zie ook HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3090). Immers, bij veel aanslagen zullen de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in niet onbetekenende mate de individuele omstandigheden betreffen.

Om die reden is het wenselijk te komen tot een verruiming van het begrip «samenhangende zaak» in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Dit wordt bewerkstelligd door schrapping van de vereisten dat het moet gaan om nagenoeg identieke besluiten waartegen op vergelijkbare gronden bezwaar of gemaakt of beroep is ingesteld. Het vereiste dat de bezwaren of beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn ingediend, wil sprake kunnen zijn van samenhangende zaken, is vervangen door het criterium dat de bezwaren of beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn behandeld. Zo is men voor de vraag of sprake is van samenhangende zaken niet afhankelijk van de rechtsbijstandverlener en de vraag of deze de bezwaren of beroepen al dan niet gelijktijdig indient.

Leidend wordt de vraag of het bestuursorgaan onderscheidenlijk de bestuursrechter de bezwaren onderscheidenlijk beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandelt. Door deze verruiming van het tweede lid zal dus sneller sprake zijn van een samenhangende zaak waardoor het bestuursorgaan en de rechter vaker in situaties dat meerdere zaken gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig worden behandeld en dezelfde rechtsbijstandverlener nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak, voor de kosten de vergoeding voor één zaak (bij minder dan vier zaken) dan wel 1,5 zaak (bij vier of meer zaken) in aanmerking zal nemen. Dit heeft in zaken waarin een rechtsbijstandverlener (nagenoeg) identieke werkzaamheden verricht in diverse zaken tot gevolg dat de rechtsbijstandverlener niet langer voor ieder zaak apart een kostenvergoeding ontvangt, waarmee een onredelijk hoge vergoeding wordt ontvangen voor zijn werkzaamheden.

7. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. Aan die voorwaarde van de definitie van het begrip samenhangende zaken is derhalve voldaan. De voorwaarde van gelijktijdige of nagenoeg gelijktijdige behandeling ziet, zo leidt de rechtbank af uit de Nota van toelichting, op gelijktijdige of nagenoeg gelijktijdige behandeling tijdens een hoorzitting. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in (rechtsoverweging 4.1.18 van) de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juni 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:2676). Nu in de onderhavige zaak geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, behoeft voor het aannemen van samenhang in de zin van artikel 3 van het Bpb niet te worden voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van een gelijktijdige of nagenoeg gelijktijdige behandeling (op een hoorzitting).

8. Gelet op het vorenstaande is in het onderhavige geval voor de vraag of sprake is van een samenhangende zaken bepalend de aanwezigheid van werkzaamheden die in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De gemachtigde van eisers heeft in beroep aangegeven dat elke WOZ-waarde door zijn kantoor individueel wordt beoordeeld, waarna een afzonderlijk bezwaarschrift wordt opgesteld met grieven die specifiek zien op de specifieke situatie van de onroerende zaak. De rechtbank hecht geloof aan voormelde verklaring, die wordt ondersteund door de inhoud van de bezwaarschriften in de onderhavige zaak en de zaak die ziet op de [adres 2] . Daar waar in de onderhavige zaak de bezwaargronden met name zien op het verkoopcijfer van de onroerende zaak zelf, wordt in het bezwaarschrift van de [adres 2] met name de vergelijkbaarheid van de referentieobjecten gemotiveerd bestreden. Bovendien gaat het om onroerende zaken van twee verschillende belastingplichtigen (natuurlijke personen). De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn standpunt dat de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Dat sprake is van in – in verschillende wijken van – de gemeente Nederweert gelegen geschakelde woningen acht de rechtbank, anders dan verweerder, onvoldoende voor de conclusie dat daarmee de werkzaamheden nagenoeg identiek konden zijn.

9. Nu de rechtbank niet is gebleken van samenhangende zaken die op grond van artikel 3 van het Bpb moeten worden beschouwd als één zaak en verweerder derhalve in de onderhavige zaak een te lage proceskostenvergoeding voor het indienen van het bezwaarschrift heeft toegekend, is het beroep van eisers gegrond en dient het bestreden besluit op dit punt te worden vernietigd. De rechtbank zal op dit punt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en de proceskostenvergoeding in bezwaar vaststellen op € 244,=.

10. De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Bpb. Aan eisers is door derden beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandeling worden twee punten (voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen op zitting) met een waarde van € 490,= per punt, toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op licht, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 0,5, nu de procedure in beroep enkel de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar betreft. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 490,=. De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ad € 45,= volledig vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover de proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar is bepaald op € 122,= (€ 244,= / 2) en stelt deze vast op € 244,=;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder de kosten van deze beroepsprocedure bij de rechtbank, begroot op € 490,= (wegens kosten van rechtsbijstand), volledig vergoedt aan eisers;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht ten bedrage van € 45,= volledig vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, en mr. E.P.J. Rutten en mr. N.J.J. Derks-Voncken, leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2015.

w.g. D. Lechanteur w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 9 oktober 2015

Rechtsmiddel

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.