Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:8476

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
03/700125-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak poging doodslag/zwaar lichamelijk letsel toebrengen. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, beschadiging en handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700125-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 oktober 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [Geboortedatum en plaats] ,

wonende te [adres en woonplaats] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.A.W. Graus, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 23 september 2015. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben elk hun standpunt kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Deze houdt kort en feitelijk weergegeven in dat de verdachte ervan wordt verdacht:

feit 1: geprobeerd te hebben [slachtoffer 1] te doden, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel dat hij hem heeft bedreigd

feit 2: een personenauto van [slachtoffer 1] te hebben beschadigd

feit 3: geprobeerd te hebben [slachtoffer 2] te doden, dan wel aan hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel dat hij hem heeft bedreigd

feit 4: een wapen te hebben gedragen dat voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of daarmee te dreigen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde poging doodslag onder 1. en onder 3. bewezen en heeft voor de bewijsmiddelen verwezen naar de aangiften, het proces-verbaal van bevindingen en de getuigenverklaringen. Het tenlastegelegde onder 2. is eveneens bewezen, is het oordeel van de officier van justitie, gelet op de aangifte en de bekennende verklaring, zoals deze door de verdachte ter terechtzitting werd afgelegd. Tenslotte acht de officier van justitie het tenlastegelegde onder 4. bewezen, gelet op het aantreffen van het mes in de woning van de verdachte, de verklaringen van getuigen, waarin wordt beschreven dat zij de verdachte hebben waargenomen terwijl deze in het bezit was van een soortgelijk voorwerp en de camerabeelden, waarop te zien is dat de verdachte iets in een hand heeft.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ten aanzien van het onder 2. en onder 4. tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsvrouw is van oordeel dat de verdachte van het onder 1. primair en onder 1. subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte met een mes stekende bewegingen in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer 1] heeft gemaakt. Het onder 1. meer subsidiair tenlastegelegde is wel bewezen, aldus de raadsvrouw van de verdachte.

Van het onder 3. primair en onder 3. subsidiair tenlastegelegde dient de verdachte eveneens te worden vrijgesproken. De raadsvrouw van de verdachte heeft daartoe aangevoerd dat de camerabeelden niet overeen komen met de verklaring van de aangever. Ook de verklaring van [getuige 1] komt niet overeen met de verklaring zoals afgelegd door de aangever. Gelet op het vorenstaande concludeert de raadsvrouw dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring van het primair en subsidiair tenlastegelegde te komen. Het onder 3. meer subsidiair tenlastegelegde is wel bewezen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feiten 1 en 2

Op 14 maart 2015 doet de [slachtoffer 1] aangifte van poging doodslag en vernieling van zijn personenauto, zijnde een Mitsubishi, type Outlander. Hij verklaart dat hij daarmee op 14 maart 2015 omstreeks 18:28 uur over de [straat] te Sittard reed. In deze auto zaten verder zijn echtgenote en zijn drie kinderen. Hij zag de verdachte op zijn weg. Hij reed vervolgens stapvoets langs de verdachte. Op het moment dat hij rechts langs de verdachte reed, zag hij dat de verdachte met kracht tegen de linker zijkant van zijn auto trapte. Hij hoorde een harde klap. Aangever is uitgestapt en heeft naar de linker zijkant van zijn auto gekeken. Hij zag daar een lichte beschadiging. De schade bestond uit een deuk en een beschadiging van de lak aan het linkerspatbord aan de voorzijde. De verdachte bleek een zogenoemd steakmes in zijn hand te houden. De verdachte riep daarbij: “Ik steek je kapot” en stak diverse malen met genoemd mes in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1] . Aanvankelijk bevond de verdachte zich op ongeveer één meter afstand van [slachtoffer 1] . Wederom zei hij in de richting van [slachtoffer 1] : “Ik steek je kapot”. [slachtoffer 1] voelde zich op dat moment ernstig bedreigd.2

Op 14 maart 2015 legt de vrouw van [slachtoffer 1] , [getuige 2] , een verklaring af tegenover ambtenaren van de politie. Zij verklaart dat zij op 14 maart 2015 samen met haar man en twee zonen in de auto zat te Sittard. Ze hoorde een onbekende persoon schelden en zag een persoon met kracht tegen de auto trappen. Deze persoon had een mes in zijn rechterhand en maakte stekende bewegingen naar haar man, genaamd [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] zei meerdere keren dat de onbekende man het mes moest neer gooien en moest ophouden. Haar man en zonen waren al uit de auto gestapt. De onbekende persoon had nog steeds het mes vast en maakte daarmee stekende bewegingen in de richting van [slachtoffer 1] . Het was aan haar gebleken dat haar man de naam van deze onbekende persoon kent.3 Ter terechtzitting heeft de verdachte bekend dat hij een deuk in de auto van de aangever heeft getrapt en dat hij toen ook een mes bij zich had.4

Uit de bovenstaande aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaring van [getuige 2] en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, voor zover die verklaringen voor het bewijs worden gebezigd, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en ook de auto van [slachtoffer 1] heeft beschadigd.

De rechtbank is van oordeel dat is bewezen dat de verdachte stekende bewegingen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt terwijl hij een mes in zijn hand had. Uit het maken van stekende bewegingen met een mes in de hand in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1] kan geen ‘boos opzet’ worden afgeleid op de dood van [slachtoffer 1] of op het voornemen aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Om toch aan te nemen dat aan de zijde van de verdachte opzet bestond op de dood van [slachtoffer 1] of op het voornemen aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, moet op de eerste plaats komen vast staan dat als gevolg van de handelwijze van de verdachte een situatie is ontstaan waarbij een aanmerkelijke kans op de dood, dan wel dat zwaar lichamelijk letsel heeft bestaan. Op de tweede plaats moet uit het optreden van de verdachte kunnen worden afgeleid dat hij desondanks deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Voor die vaststellingen bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs. Niet is komen vast te staan op welke wijze de verdachte het mes in zijn hand heeft vast gehouden toen hij meergenoemde stekende bewegingen maakte en op welke afstand van - en in welke positie hij stond ten opzichte van [slachtoffer 1] . Naar het oordeel van de rechtbank is het bewijs niet toereikend voor de onder feit 1. ten laste gelegde poging tot doodslag en poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal de verdachte daarvan moeten vrijspreken.

Feiten 3 en 4

Op 13 maart 2015 doet de [slachtoffer 2] aangifte van een poging tot doodslag. Hij verklaart dat hij op 13 maart 2015, omstreeks 22:00 uur, op de [straat] te Sittard stond met enkele vrienden en dat er plotseling een negroïde man op een fiets kwam aangereden. Hij herkende deze man als de persoon met wie hij een week eerder ruzie heeft gehad. Deze man begon agressief te schelden en zei onder meer: “ik maak je dood, ik steek je kapot. Kom nu maar hier, ik weet je nog wel te vinden”. Vervolgens haalde de man uit de rugzak, die hij bij zich had, een dolk met boksbeugel als handvat. Het mes was ongeveer 30 cm groot, het lemmet had een zilveren kleur en het handvat was zwart van kleur. De man hield het in zijn rechterhand vast. De man liep naar [slachtoffer 2] totdat hij hem op ongeveer 1 1/2 meter was genaderd. Vervolgens maakte de man met het mes in zijn hand een stekende beweging in de richting van de romp van het lichaam van [slachtoffer 2] . De man heeft het mes weer in zijn rugzak gestopt en is vervolgens op zijn fiets weggereden.5

Op 25 maart 2015 legt de getuige genaamd [getuige 1] een verklaring af tegenover ambtenaren van de politie. Hij verklaarde dat hij gezien heeft dat zijn vriend, genaamd [slachtoffer 2] , op 13 maart 2015 werd bedreigd door een man met een mes. De man haalde uit de sporttas die hij bij zich droeg een mes. Het was een dolk en aan het handvat stak iets uit. De punt van het mes was een beetje krom. De punt van het mes werd gehouden in de richting gehouden van waar [slachtoffer 2] en [getuige 1] zich bevonden. Plotseling stond die man heel kort voor [slachtoffer 2] , te weten op een afstand van minder dan één meter. Die man maakte een steekbeweging naar [slachtoffer 2] .6

Bij het uitkijken van beelden, opgenomen met een ter plaatse waar volgens [slachtoffer 2] het delict heeft plaats gevonden aangebrachte bewakingscamera van de gemeente Sittard-Geleen, werd volgens een verklaring van een ambtenaar van de politie door hem waargenomen dat een man komt aangefietst. Volgens deze beelden is het op dat moment 13 maart 2015 omstreeks 22:03 uur. De man draagt een rugzak. Ter hoogte van de hoek [straat] te Sittard stopt de man en stapt hij van zijn fiets. Vervolgens ontstaat er een opstootje waarbij de man en enkele andere personen betrokken zijn.7 Op 16 maart 2015 werd in de woning van de verdachte een sierdolk met als handvat een boksbeugel aangetroffen8.9 Op 16 maart 2015 is dit mes onderzocht en werd door de onderzoeker geconcludeerd dat dit mes valt in de wapens aangeduid als categorie IV onder 7 van de Wet wapens en munitie.10 Ter terechtzitting van 23 september 2015 heeft de verdachte verklaard dat hij op 13 maart 2015 een mes in zijn rugzak had en dat hij ruzie heeft gehad met personen.11

Uit de bovenstaande aangifte van [slachtoffer 2] , de verklaring van [getuige 1] , de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, het aantreffen van het mes, het proces-verbaal onderzoek wapen voor zover die verklaringen voor het bewijs worden gebezigd, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat de verdachte [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en dat de verdachte een wapen van categorie IV heeft gedragen waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en dat dit wapen niet onder een van de andere categorieën genoemd in lid 2 Wet wapens en munitie valt.

De rechtbank is van oordeel dat bewezen is dat de verdachte met het dolkmes een stekende beweging in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gemaakt.

Uit het maken van stekende bewegingen met een mes in de hand in de richting van het lichaam van [slachtoffer 2] kan geen ‘boos opzet’ worden afgeleid op de dood van [slachtoffer 2] of op het voornemen aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Om toch aan te nemen dat aan de zijde van de verdachte opzet bestond op de dood van [slachtoffer 2] of op het voornemen aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, moet op de eerste plaats komen vast staan dat als gevolg van de handelwijze van de verdachte een situatie is ontstaan waarbij een aanmerkelijke kans op de dood, dan wel dat zwaar lichamelijk letsel heeft bestaan. Op de tweede plaats moet uit het optreden van de verdachte kunnen worden afgeleid dat hij desondanks deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Voor die vaststellingen bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs. Niet is komen vast te staan op welke wijze de verdachte het mes in zijn hand heeft vast gehouden toen hij meergenoemde stekende bewegingen maakte en op welke afstand van - en in welke positie hij stond ten opzichte van [slachtoffer 2] . Naar het oordeel van de rechtbank is het bewijs niet toereikend voor de onder feit 3. ten laste gelegde poging tot doodslag en poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal de verdachte daarvan moeten vrijspreken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

1. meer subsidiair

op 14 maart 2015 te Sittard [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door opzettelijk dreigend met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] en daarbij dreigend woorden toe te voegen van gelijke dreigende aard of strekking als "Ik steek je kapot";

2.

hij op 14 maart 2015 te Sittard, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Mitsubishi, type Outlander) toebehorende aan [slachtoffer 1] heeft beschadigd;

3. meer subsidiair:

hij op of omstreeks 13 maart 2015 te Sittard, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door opzettelijk dreigend met een dolkmes stekende bewegingen te maken in de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer 2] en daarbij woorden toe te voegen van gelijke dreigende aard of strekking als "Ik maak je dood, ik steek je kapot".

4.

hij op 13 maart 2015 te Sittard een wapen van categorie IV, te weten een voorwerp waarvan gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel, heeft gedragen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 meer subsidiair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort beschadigen.

Feit 3 meer subsidiair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 4:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen acht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en een geldboete van € 200,00 voor de overtreding. Voorts is gevorderd het mes verbeurd verklaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, zodat kan worden bepaald dat de verdachte begeleiding zal krijgen door reclassering.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich tot tweemaal toe schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Daartoe heeft de verdachte met een mes stekende bewegingen gemaakt. De verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen en heeft de slachtoffers angst aangejaagd. Tevens heeft de verdachte een verboden wapen in de vorm van een dolkmes in zijn bezit gehad en voorts een auto beschadigd.

Bij de bepaling van de strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf. Met het opleggen van een gevangenisstraf wordt ook bereikt dat de verdachte zich een tijd niet schuldig maakt aan het opnieuw plegen van strafbare feiten. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de vrijspraak van het onder 1. primair, 1. subsidiair, 3. primair en 3. subsidiair ten laste gelegde, een minder langdurige gevangenisstraf moet worden opgelegd, dan de gevangenisstraf die door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor de bewezenverklaarde feiten onder 1. meer subsidiair, 2. en 3. meer subsidiair tezamen zal een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden worden opgelegd.

Het bewezenverklaarde onder 4 betreft een overtreding. Gelet op het bepaalde in artikel onder 62, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht dient hiervoor apart straf te worden opgelegd. De rechtbank zal conform de oriëntatiepunten en LOVS-afspraken een boete van € 200,00 opleggen.

7 Het beslag

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven mes, volgens eigen opgave aan de verdachte toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp betreft:

met behulp waarvan het onder 3 bewezenverklaarde is begaan.

De rechtbank heeft bij deze beslissing rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 33, 33a, 57, 62, 63, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 27 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 1. primair, 1. subsidiair, 3. primair en 3. subsidiair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1. meer subsidiair, het onder 2., het onder 3. meer subsidiair en onder 4. tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert, zoals deze hierboven onder 4 zijn omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte daardoor strafbaar;

Straf

ten aanzien van de feiten onder 1., 2. en 3.:

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

ten aanzien van het feit onder 4.:

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een boete van € 200,00;

  • -

    beveelt dat, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal volgt, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van vier dagen;

- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen voorwerp:

één mes kleur zilver; type dolk (575160).

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. van Maanen Winters, voorzitter, mr. M.T.A.C. Russel en mr. I.P. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Berkers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2015.

Buiten staat

Mr. I.P. de Groot is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 14 maart 2015 te Sittard, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat oogmerk met een

mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die

Veenstra, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 14 maart 2015 te Sittard, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

oogmerk met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het

lichaam van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 14 maart 2015 te Sittard, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

dreigend met een mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van het

lichaam van die [slachtoffer 1] en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd:

"Ik steek je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 14 maart 2015 te Sittard, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk

Mitsubishi Outlander), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft beschadigd;

3.

hij op of omstreeks 13 maart 2015 te Sittard, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat oogmerk met

een (dolk)mes (een) stekende beweging(en) heeft gemaakt in de richting van het

(boven)lichaam van die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 13 maart 2015 te Sittard, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat oogmerk met een (dolk)mes (een) stekende beweging(en) heeft gemaakt in

de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 13 maart 2015 te Sittard, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte

opzettelijk dreigend met een (dolk)mes (een) stekende beweging(en) gemaakt in

de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer 2] en/of (daarbij) deze

dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood, ik steek je kapot", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 13 maart 2015 te Sittard, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, een wapen van categorie IV heeft gedragen, te weten een niet

opvouwbaar metalen mes, in elk geval een voorwerp, waarvan, gelet op de aard

of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs

kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel

aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere

categorieën viel;

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700125-15

Proces-verbaal van de openbare zitting van 7 oktober 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [Geboortedatum en plaats]

wonende te [adres en woonplaats]

Raadsvrouw is mr. M.A.W. Graus, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is wel/niet in de zittingzaal aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft aan de verdachte kennis dat hij daartegen binnen een termijn van veertien dagen na heden hoger beroep kan instellen.

Waarvan dit proces-verbaal, dat is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie district Zuid-West-Limburg proces-verbaalnummer PL2300-2015048226, gesloten d.d. 4 april 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 79.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 14 maart 2015, pag. 21 en 22.

3 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 14 maart 2015, pag. 28 en 29.

4 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting afgelegd op 23 september 2015.

5 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 13 maart 2015, pag. 49.

6 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d.25 maart 2015, pag. 51 en 52.

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 maart 2015, pag. 56.

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 maart 2015, pag. 71.

9 De kennisgeving van inbeslagname d.d. 16 maart 2015, pag. 72 en 73.

10 Het proces-verbaal onderzoek Wapen d.d. 16 maart 2015, pag. 76.

11 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting afgelegd op 23 september 2015.