Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:841

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-02-2015
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
3699586 AZ VERZ 14-280
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever verzoekt om de arbeidsovereenkomst met werknemer voorwaardelijk te ontbinden. In deze procedure is niet voldoende aannemelijk geworden dat de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden moet worden ontbonden. Omdat het noodzakelijke vertrouwen voor een verdere vruchtbare samenwerking niet meer aanwezig is, wordt de arbeidsovereenkomst – voorwaardelijk – ontbonden. Geen ruimte voor toekenning van een vergoeding naar billijkheid aan werknemer, aangezien de reden voor de – voorwaardelijke – ontbinding van de arbeidsovereenkomst grotendeels aan zijn gedrag en opstelling te wijten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 3699586 AZ VERZ 14-280

MD

Beschikking van de kantonrechter van 4 februari 2015

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE SMID WIJNHEIJMER METAALBEWERKING B.V.,

statutair gevestigd te Margraten,

verzoekster,

gemachtigde mr. J. Schepers,

tegen:

[verweerder] ,

wonend [adres],

[woonplaats],

verweerder,

gemachtigde mr. M.P.M. Hogervorst.

Partijen zullen hierna De Smid en [verweerder] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met bijlagen 1 tot en met 12;

- het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 15;

- de aanvullende bijlagen 13 en 14 van de zijde van De Smid;

- de pleitnota van de zijde van [verweerder];

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 27 januari 2015.

1.2.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen staat vast dat [verweerder], geboren op [geboortedatum], sinds 30 november 2009 werkzaamheden bij De Smid als leerling/stagiair heeft verricht krachtens een overeenkomst met De Smid. [verweerder] volgde op dat moment de Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL). [verweerder] was vier dagen per week werkzaam bij De Smid en ging één dag per week naar school. Hij ontving bij het aangaan van deze overeenkomst voor zijn werkzaamheden bij De Smid een vergoeding van € 697,00 bruto per maand.

2.2.

Met ingang van 1 december 2012 is [verweerder] krachtens een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij De Smid werkzaam als medewerker werkplaats. Het laatstelijk door hem verdiende loon bedroeg € 1.695,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag.

2.3.

Op 29 april 2014 heeft [verweerder] een schriftelijke waarschuwing gekregen vanwege het “gooien van stuk hout naar medewerker (direct leidinggevende)”. De toenmalige leidinggevende van [verweerder] was dhr. [naam toenmalige leidinggevende]. [verweerder] heeft voor ontvangst van deze waarschuwing getekend.

2.4.

Op 18 juli 2014 heeft [verweerder] een schriftelijke waarschuwing gekregen vanwege het “schelden en met hamer op dreigende manier op direct leidinggevende (kantonrechter: inmiddels dhr. [naam leidinggevende]) aanlopen”. [verweerder] heeft deze waarschuwing eveneens voor ontvangst getekend.

2.5.

Op 30 september 2014 heeft [verweerder] zich ziek gemeld.

2.6.

Bij brief van 2 oktober 2014 heeft De Smid aan [verweerder] bericht dat de betaling van het loon wordt opgeschort aangezien hij niet op het geplande spreekuur van de bedrijfsarts is verschenen.

2.7.

Op 6 oktober, 24 oktober en 5 november 2014 is [verweerder] verschenen bij afspraken met bedrijfsarts dhr. M. Moonen. Moonen concludeert in zijn adviezen dat er op die momenten geen arbeidsmogelijkheden voor [verweerder] zijn.

2.8.

Op 6 november 2014 heeft Moonen een “beknopte probleemanalyse” opgesteld waarin hij concludeert dat er “geen aanmerkelijk te verkorten verzuimduur” is. Ook concludeert hij: “2-3 tal maanden via geleidelijk opbouwplan in uren en taken onder therapie voortzetting”. Verder is aangevinkt dat de beknopte probleemanalyse met werknemer is doorgesproken.

2.9.

Op 25 november 2014 heeft mevrouw [naam DGA] (DGA van De Smid) een gesprek met [verweerder]. Ook de moeder van [verweerder] is daarbij aanwezig.

2.10.

Op 27 november 2014 heeft er een vervolggesprek plaatsgevonden tussen [naam DGA] en [verweerder]. [verweerder] is in dat gesprek wederom vergezeld door zijn moeder.

2.11.

Bij brief van 27 november 2014 is [verweerder] op staande voet ontslagen. In die ontslagbrief schrijft De Smid:

“(…)

Mevrouw [naam DGA] gaf aan dat de arbo-arts als advies had gegeven dat er langzaam zou moeten worden begonnen met het re-integratie proces. U gaf aan dat u dit niet wilde en dat u niet in staat bent om te werken en dat u als ziek ontslagen wilde worden. Er is toen door mevrouw [naam DGA] aangegeven dat dit volgens Nederlands recht niet mogelijk is, dat het oordeel van de arbo-arts als leidend moet worden gezien en dat, als u het niet eens bent met de arbo-arts, u een second opinion kunt aanvragen bij het UWV.

U stond opeens op en viel mevrouw [naam DGA] uit het niets aan! Mevrouw [naam DGA] is hierop de kamer uitgevlucht. Na 1 minuut heeft zij haar hoofd om de hoek van de deur gestoken en gezegd dat het gesprek over enkele minuten zou worden voortgezet samen met iemand anders erbij. In afwachting hiervan komt u echter na enkele minuten de kamer uitgerend en probeert wederom mevrouw [naam DGA] aan te vallen. Hier zijn diverse getuigen van. Vervolgens stormt u door naar de hal waar u in bijzijn van diverse getuigen de ruit van de entree probeert in te slaan met uw vuist.

Dit gedrag kunnen wij geenszins tolereren! Bovenstaande geeft voor ons dan ook een dringende reden om u op staande voet te ontslaan. Onze teleurstelling is groot aangezien u hiervoor ook al meerdere keren in de fout bent gegaan en onze waarschuwingen d.d. 29 april 2014 en 18 juli 2014 aan uw laars lapt.

(…)”.

2.12.

Op 24 december 2014 heeft [verweerder] bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd over de re-integratie inspanningen van zijn werkgever. Het UWV heeft geoordeeld dat De Smid voldoende meewerkt aan de re-integratie van [verweerder]. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportage in het kader van het deskundigenoordeel blijkt dat de verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat [verweerder] op 27 november 2014 volledig arbeidsongeschikt was, maar dat hij op 27 november 2014 wel in staat was om deel te nemen aan een driegesprek.

3 Het geschil

3.1.

De Smid verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder], voor zover die nog bestaat, op een zo kort mogelijke termijn te ontbinden, primair wegens een dringende reden, subsidiair wegens een verandering in de omstandigheden. Voor toekenning van een vergoeding naar billijkheid aan [verweerder] is in de ogen van De Smid geen plaats. Voor de onderbouwing van dit verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst verwijst de kantonrechter naar het verzoekschrift met bijlagen, de aanvullende bijlagen en de ter zitting gegeven toelichting.

3.2.

[verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. Voor het geval de arbeidsovereenkomst, voor zover die nog bestaat, wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] subsidiair om aan hem een vergoeding conform de kantonrechtersformule toe te kennen, waarbij de correctiefactor wordt gemaximaliseerd en waarbij rekening wordt gehouden met de fictieve opzegtermijn. Blijkens de pleitnota maakt [verweerder] aanspraak op een vergoeding naar billijkheid van € 31.563,00. Op het verweerschrift met bijlagen, de pleitnota en de ter zitting gegeven toelichting zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Opzegverbod?

4.1.

In zijn verweerschrift heeft [verweerder] aangevoerd dat hij ziek is en dat de arbeidsovereenkomst daardoor niet ontbonden kan worden. De enkele omstandigheid dat het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst na de ziekmelding van [verweerder] op 30 september 2014 is ingediend, maakt nog niet dat het verzoek daarmee verband houdt. Ook het gegeven dat de verzekeringsarts van het UWV heeft geoordeeld dat [verweerder] op 27 november 2014 arbeidsongeschikt was, brengt niet mee dat het (voorwaardelijke) verzoek daarmee verband houdt. Immers het voormelde gedrag op 27 november 2014 is daartoe de directe aanleiding. Van reflexwerking van artikel 7:670 lid 1 BW – zo begrijpt de kantonrechter althans het verweer van [verweerder] – is dan ook geen sprake. Gelet op de gemotiveerde betwisting door De Smid ter zitting en de onvoldoende onderbouwing van dit verweer door [verweerder], is niet gebleken dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt verzocht vanwege de arbeidsongeschiktheid van [verweerder]. In dit verband weegt ook mee dat reeds op 29 april 2014 en 18 juli 2014 schriftelijke waarschuwingen aan [verweerder] zijn gegeven vanwege zijn gedrag. Die waarschuwingen zijn ruimschoots vóór zijn ziekmelding op 30 september 2014 gegeven. De conclusie uit het vorenstaande is dat het onderhavige verzoek geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [verweerder].

4.1.1.

De kantonrechter heeft zich er tevens van vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van enig ander opzegverbod.

Aard verzoek

4.2.

Het onderhavige verzoek betreft een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat er, in het kader van de beoordeling van het verzoek van De Smid, veronderstellenderwijs van moet worden uitgegaan dat het aan [verweerder] gegeven ontslag op staande voet geen stand houdt en de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt.

Dringende reden?

4.3.

Allereerst dient te worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat de door De Smid aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende reden, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, meebrengt dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren.

4.4.

De vraag of er sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 juncto artikel 7:678 BW, dient in beginsel niet in deze (voorwaardelijke) ontbindingsprocedure ex artikel 7:685 BW te worden beantwoord, maar in een dagvaardingprocedure. In de (voorwaardelijke) ontbindingsprocedure is in beginsel immers geen nadere bewijslevering mogelijk, bijvoorbeeld door het horen van getuigen. Ook staat tegen deze beschikking geen hoger beroep open. Om die redenen is de kantonrechter terughoudend om in een procedure als de onderhavige te oordelen dat er sprake is van een dringende reden.

4.5.

Eerst ter zitting heeft [verweerder] gesteld dat zijn gedragingen kunnen worden verklaard doordat bij hem ADHD is vastgesteld. Dat was volgens [verweerder] ook bij De Smid bekend. De Smid heeft zich niet afgevraagd of zijn gedrag kan duiden op psychische nood van [verweerder]. Deze door de ADHD veroorzaakte beperkingen worden nu tegen hem gebruikt, zo stelt hij. Ook stelt [verweerder] ter zitting dat hij onder behandeling van een psycholoog staat.

4.5.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde van [verweerder] een brief voorgedragen van een kennelijk aan Trajekt verbonden hulpverlener. Nog daargelaten dat deze brief niet is overgelegd, is die brief louter een weergave van hetgeen [verweerder] aan die hulpverlener zou hebben verteld. Nu De Smid heeft betwist dat [verweerder] ADHD heeft en een verdere onderbouwing daarvan geheel ontbreekt, is niet komen vast te staan dat bij [verweerder] de diagnose ADHD is gesteld. Ook is niet geconcretiseerd door welke psycholoog hij wordt behandeld, zodat evenmin is komen vast te staan dat hij onder behandeling van een psycholoog staat. Zelfs indien wel voldoende aannemelijk was geworden dat [verweerder] aan ADHD lijdt, dan had het op de weg van [verweerder] gelegen om te onderbouwen dat de gedragingen waarvoor hij tweemaal is gewaarschuwd en het voorval op 27 november 2014 dat voor De Smid aanleiding was om [verweerder] op staande voet te ontslaan, kunnen worden gerelateerd aan die ADHD. Dat heeft [verweerder] evenwel nagelaten. Bovendien weegt ten nadele van [verweerder] mee dat de verzekeringsarts van het UWV in zijn verzekeringsgeneeskundige rapportage in het kader van het deskundigenoordeel heeft geoordeeld dat [verweerder], ondanks zijn arbeidsongeschiktheid, op 27 november 2014 wel in staat was om deel te nemen aan een driegesprek.

4.6.

In de brief d.d. 27 november 2014 waarin [verweerder] op staande voet is ontslagen, wordt expliciet verwezen naar de waarschuwingen die [verweerder] op 29 april 2014 en 18 juli 2014 heeft gekregen.

4.6.1.

De eerste schriftelijke waarschuwing heeft betrekking op het gooien van een stuk hout naar [naam toenmalige leidinggevende]. [verweerder] kan erkennen dat hij een “stukje” hout heeft gegooid in de richting van [naam toenmalige leidinggevende], maar niet naar [naam toenmalige leidinggevende]. Daarmee staat in ieder geval vast dat [verweerder] een stukje hout in de richting van [naam toenmalige leidinggevende] heeft gegooid. De kantonrechter kan niet inzien waarom [verweerder], indien hij van mening was dat die waarschuwing onterecht was, dan toch die waarschuwing in ontvangst heeft genomen. [verweerder] heeft ter zitting verklaard dat hij nimmer schriftelijk bezwaren heeft geuit tegen deze waarschuwing. Ook dat bevreemdt de kantonrechter als [verweerder] van mening was dat die waarschuwing onterecht zou zijn gegeven.

4.6.2.

De tweede schriftelijke waarschuwing is aan [verweerder] gegeven wegens het schelden en met een hamer op dreigende manier “aanlopen” op dhr. [naam leidinggevende], de nieuwe leidinggevende van [verweerder]. [verweerder] heeft ten aanzien hiervan gesteld dat hij wel een hamer in zijn hand had (hij was immers aan het werk), maar dat er enkel sprake was van een verbale discussie. Dat er dus wel een discussie heeft plaatsgevonden terwijl [verweerder] een hamer in zijn hand had staat daarmee vast: de waarschuwing is dus in ieder geval niet volledig uit de lucht gegrepen. Bovendien geldt ook hier weer: [verweerder] heeft de waarschuwing voor ontvangst getekend en heeft nimmer (schriftelijk) laten weten dat hij het niet met die waarschuwing eens was.

4.7.

Op 27 november 2014 is [verweerder] op staande voet ontslagen omdat hij [naam DGA] uit het niets aanviel, waarop [naam DGA] de kamer is uitgevlucht. Nadat [naam DGA] enige tijd later terugkwam om aan te geven dat het gesprek met nog iemand anders zou worden voortgezet, is [verweerder] na enkele minuten de kamer uitgerend en heeft hij (wederom) geprobeerd om [naam DGA] aan te vallen. [verweerder] betwist dat hij [naam DGA] heeft aangevallen tijdens het gesprek en haar op de gang (wederom) is aangevlogen.

4.7.1.

Uit de door De Smid overgelegde verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], volgt in ieder geval dat die getuigen hebben gezien dat [naam DGA] overstuur / in paniek de kamer verliet waarin het gesprek met [verweerder] en zijn moeder op die 27e november 2014 plaatsvond. Niet kan worden ingezien waarom [naam DGA] hulp zou zijn gaan inroepen indien er – zoals [verweerder] en zijn moeder verklaren – tijdens dat gesprek helemaal niets zou zijn voorgevallen. Uit de door De Smid overgelegde verklaringen kan echter niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat [verweerder], zoals aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd, [naam DGA] tijdens het gesprek daadwerkelijk heeft aangevallen. Dat is ook niet verwonderlijk, aangezien vaststaat dat bij het gesprek alleen [naam DGA], [verweerder] en de moeder van [verweerder] aanwezig waren.

4.7.2.

[verweerder] heeft erkend dat hij, terwijl hij naar buiten liep, één keer op een ruit heeft geslagen. Of [verweerder], nadat [naam DGA] de kamer had verlaten, heeft geprobeerd haar aan te vallen, is niet voldoende aannemelijk geworden. Zo verklaart [getuige 1]: “vlak daarna heb ik [verweerder] (kantonrechter: [verweerder]) met zijn moeder vluchtig naar de deur zien lopen waarbij [verweerder] met een verheven stem reageerde (…) en daarbij op het glas sloeg. In de deuropening staande uitte hij een dreigement, ik weet echter niet meer precies wat dit was”. [getuige 4] verklaart dat hij zag dat “[verweerder] samen met zijn moeder zeer kwaad het kantoor van [naam DGA] (kantonrechter: [naam DGA]) uitkomen”. In ieder geval ondersteunen deze verklaringen niet de verklaring van [getuige 2] (die zag dat [verweerder] de kamer kwam uitstuiven en [naam DGA] aanvloog) en van [getuige 3] (die zag dat [verweerder] recht op zijn zus kwam afrennen, hij zijn zus opzij trok en tussenbeide sprong).

4.8.

Gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden is in deze procedure niet voldoende aannemelijk geworden dat [verweerder] op 27 november 2014 tijdens het gesprek [naam DGA] heeft aangevallen en [naam DGA] heeft proberen aan te vallen nadat zij de kamer had verlaten. Ook indien de gedragingen waarvoor [verweerder] op 29 april en 18 juli 2014 schriftelijk is gewaarschuwd worden meegewogen, is niet voldoende aannemelijk dat al die omstandigheden tezamen zo ernstig waren dat in deze procedure moet worden geoordeeld dat een ontslag op staande voet gerechtvaardigd was.

Verandering in omstandigheden?

4.9.

De kantonrechter heeft geconstateerd dat het noodzakelijke vertrouwen voor een verdere vruchtbare samenwerking bij De Smid vanwege de voorvallen met [verweerder] op 29 april, 18 juli en 27 november 2014 niet meer aanwezig is. Gelet hierop is er sprake van een verandering in de omstandigheden die een gewichtige reden vormt, van dien aard, dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op korte termijn behoort te eindigen. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst dan ook met ingang van 15 februari 2015 te ontbinden, zulks voorwaardelijk voor het geval dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet reeds op 27 november 2014 rechtsgeldig zal blijken te zijn geëindigd.

Vergoeding naar billijkheid?

4.10.

Ten slotte moet nog beoordeeld worden of aan [verweerder] ten laste van De Smid een vergoeding naar billijkheid dient te worden toegekend. Daarbij is met name van belang of en in hoeverre aan de thans ontstane situatie aan een van de partijen in overwegende mate een verwijt te maken valt, dan wel bepaald kan worden dat het risico daarvan meer bij de ene dan bij de andere partij ligt.

4.11.

Uit voorgaande overwegingen vloeit voort dat de thans ontstane situatie in de risicosfeer van [verweerder] ligt en, in ieder geval grotendeels, aan zijn gedrag en opstelling te wijten is. Mitsdien bestaat er geen aanleiding om aan [verweerder] een ten laste van De Smid komende vergoeding naar billijkheid toe te kennen en kan reeds thans een eindbeslissing worden gegeven.

Proceskosten

4.12.

De proceskosten worden aldus gecompenseerd dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter,

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en De Smid met ingang van

15 februari 2015, zulks voorwaardelijk voor het geval dat deze arbeidsovereenkomst niet reeds op 27 november 2014 rechtsgeldig zal blijken te zijn geëindigd;

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F.W. Huinen en is in het openbaar uitgesproken.