Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:832

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
03/666102-14 en 99/000202-24
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Woninginbraak en diefstal auto; bloedspoor in woning matcht met verdachte; gevangenisstraf van 8 maanden en herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummers: 03/666102-14 en 99/000202-24 (vordering herroeping v.i.)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 februari 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsvrouw is mr. S. Splinter, advocate te Rotterdam, waarnemend voor mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 januari 2015, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: een woninginbraak heeft gepleegd in een woning aan de [adres] te Posterholt en daar goederen heeft weggenomen;

Feit 2: een auto heeft gestolen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat beide feiten bewezen kunnen worden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er in een kast in de betreffende woning een bloedspoor is aangetroffen. Daaruit verkregen DNA matcht met het DNA-profiel van de verdachte waarvoor de verdachte geen logische verklaring heeft kunnen geven. Bovendien is bij die woninginbraak een auto gestolen die vervolgens is aangetroffen op ongeveer 600 meter loopafstand van de woning van de verdachte.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van beide feiten vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de onder 1 tenlastegelegde woninginbraak heeft zij aangevoerd dat het DNA-spoor het enige bewijsmiddel is dat de verdachte aan de plaats delict linkt, hetgeen onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte heeft immers ter terechtzitting een alternatief scenario geschetst voor de aanwezigheid van zijn bloed op de kast. Verder is een kast een verplaatsbaar object, waarvan niet bekend is hoe lang/kort die kast in de woning stond. Evenmin is bekend of de bewoners de bloedveeg wellicht al eerder hebben waargenomen. Zodoende is niet vast te stellen hoe en wanneer het bloedspoor op de kast terecht is gekomen.

Daarbij komt dat geen van de gestolen goederen bij de verdachte is aangetroffen. Tenslotte is er geen onderzoek gedaan aan de enkelband die verdachte in het kader van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling droeg en is niet gekeken naar de daarbij behorende zendmastgegevens.

Met betrekking tot de onder 2 tenlastegelegde autodiefstal heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen, nu de enige aanwijzing voor betrokkenheid van verdacht is het aantreffen van die auto op 1,5 km afstand van diens woning.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 28 augustus 2014 heeft [benadeelde partij], wonende aan de [adres] te Posterholt, aangifte gedaan van een woninginbraak, gepleegd op diezelfde dag. Aangever heeft verklaard dat hij en zijn vrouw op die dag rond 15.15 uur een rondje gingen lopen. Toen ze omstreeks 15.45 uur terug kwamen bij hun woning zagen ze dat zijn personenauto van het merk BMW weg was. Vanuit de tuin zagen zij dat het raam van de woonkamer was ingegooid met een steen en dat er in de woonkamer en de keuken diverse kasten en lades waren geopend. Uit een schaaltje waren de autopapieren en de reservesleutel van de BMW weggenomen. Tevens zijn er horloges, portemonnees, geld, sieraden, tafelzilver, twee spaarpotten met inhoud, een sporttas, een trouwboekje en meerdere kistjes gestolen.2 Uit het verrichte sporenonderzoek is naar voren gekomen dat de dader met een klinker de ruit van de woonkamer heeft ingegooid en door het gat naar binnen is geklommen.

Op de slaapkamer is aan de binnenkant van een kastdeur bloed aangetroffen. Gelet op de specifieke plek waar dit bloed is gevonden wordt het beschouwd als een daderspoor.3 Aan het bloedspoor is DNA-onderzoek verricht waaruit naar voren is gekomen dat het DNA in het sporenmateriaal afkomstig kan zijn van de verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.4

Verdachte heeft ontkend in de betreffende woning te zijn geweest en de woninginbraak en autodiefstal te hebben gepleegd. Als verklaring voor de aanwezigheid van zijn bloed in de kast heeft hij aangevoerd dat zijn scooter in november 2013 is gestolen met daarin zijn werkhandschoenen. Zijn bloed zat op deze werkhandschoenen en deze werkhandschoenen zijn wellicht bij de onderhavige inbraak gebruikt.

Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen is de rechtbank toch van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de woninginbraak en de autodiefstal heeft gepleegd. Zij overweegt daartoe als volgt:

Het bloed van de verdachte is aangetroffen op de binnenkant van een kast die stond op de slaapkamer van het slachtoffer. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat het duidelijk zichtbare bloedspoor elders/anders op de kast is gekomen dan tijdens die inbraak. Zou dat bijvoorbeeld gebeurd zijn voordat de kast in het bezit van het slachtoffer was, dan ligt het toch voor de hand dat het slachtoffer dat bloedspoor inmiddels zou hebben verwijderd. Bovendien heeft verdachte in het geheel niet aangegeven waar hij dan met die kast in aanraking zou kunnen zijn gekomen.

Voor zover er al bloedsporen van de verdachte op de gestolen werkhandschoenen hebben gezeten, zouden deze sporen in 2014 geheel zijn ingedroogd en dus geen bloedspoor meer hebben kunnen achterlaten.

De verdachte heeft derhalve geen plausibele verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn bloed op de binnenzijde van de kast in de slaapkamer van de betreffende woning. Er blijft geen andere conclusie over dan dat hij dat bloedspoor heeft achtergelaten tijdens de door hem gepleegde inbraak.

Ten aanzien van de diefstal van de auto overweegt de rechtbank nog het volgende.

Zowel de woninginbraak als de diefstal van de BMW hebben plaatsgevonden op klaarlichte dag, binnen een tijdsbestek van 30 minuten. Uit het dossier blijkt niet dat de BMW braaksporen vertoonde, hetgeen erop duidt dat de BMW door middel van de meegenomen sleutels is geopend en gestart. De rechtbank vindt het al bijzonder onwaarschijnlijk dat in dat korte tijdsbestek van 30 minuten nog een andere inbreker dan verdachte de woning zou zijn binnengegaan, daar de autosleutel zou hebben weggenomen, en vervolgens de auto zou hebben gestolen.

Daar komt nog bij dat de gestolen BMW is aangetroffen in Hoensbroek, dat op een kleine 45 minuten rijden van Posterholt ligt. De auto stond op slechts 1,8 km afstand van de woning van de verdachte. Dit laatste steunt de rechtbank in haar overtuiging dat de verdachte zowel de woninginbraak als de autodiefstal heeft gepleegd. De rechtbank acht het namelijk volstrekt onwaarschijnlijk dat bij toeval een willekeurig andere dief een auto die hij in Posterholt heeft gestolen parkeert vlak bij de woning van de man (zijnde verdachte) die op precies dezelfde dag, binnen hetzelfde half uur, bij dezelfde woning (45 minuten rijden verderop) een woninginbraak heeft gepleegd.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 28 augustus 2014 te Posterholt, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een autosleutel en autopapieren en horloges en portemonnees en een hoeveelheid geld en een hoeveelheid sieraden en een hoeveelheid tafelzilver en 2 spaarpotten met inhoud en een sporttas en een trouwboekje en meerdere kisten toebehorende aan [benadeelde partij], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

2.

op 28 augustus 2014 te Posterholt, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk BMW), toebehorende aan [benadeelde partij], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

feit 2:

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

5.2

Het standpunt van de verdediging

In geval van een bewezenverklaring heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte zich welwillend toont om mee te werken aan hulpverlening, waardoor het opleggen van een deels voorwaardelijke straf in de rede ligt. Tevens heeft de raadsvrouw verzocht bij de onderhavige uitspraak het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft een woninginbraak gepleegd en met de daarbij gestolen autosleutel tevens een auto gestolen. Woninginbraken veroorzaken niet alleen emotionele en materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de bewoners. Het is voor hen vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht en gestolen. Dit brengt angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg, niet alleen bij de slachtoffers maar ook in de omgeving. Diefstal van een auto levert bovendien schade en ongemak op.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank mede gelet op de inhoud van zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij al meermalen is veroordeeld tot gevangenisstraffen voor diefstallen. Het pleit niet voor verdachte dat hij ondanks deze (langdurige) veroordelingen door blijft gaan met het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal daar dan ook ten nadele van verdachte rekening mee houden.

Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het omtrent de persoon van verdachte opgemaakte reclasseringsrapport, waarin de reclassering inschat dat veranderingen bij verdachte alleen haalbaar zijn op het praktische vlak. Op het psychische- en sociaal/emotionele vlak laat verdachte al jarenlang hetzelfde gedrag zien. Er is geen sprake van groei als gevolg van beïnvloeding door behandeling, waardoor gedragsverandering moeilijk realiseerbaar lijkt.

De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten en de ernst daarvan, in combinatie met het uitgebreide strafblad van verdachte, zonder meer een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het LOVS tot uitgangspunt genomen. Op basis hiervan geldt voor een woninginbraak in geval van recidive – de categorie waartoe verdachte gerekend kan worden – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden. Voor diefstal van een auto geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. De rechtbank heeft geen enkele reden om van genoemde uitgangspunten af te wijken.

In het reclasseringsrapport en het feit dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte zal worden herroepen (zoals hieronder onder punt 6 uiteen zal worden gezet) ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

Alles afwegende acht de rechtbank het passend om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest.

6 De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.)

Bij onherroepelijk geworden arrest van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch d.d. 4 juni 2012, gewezen onder parketnummer 20-001862/11 is [verdachte] (in dit kader verder: de veroordeelde) veroordeeld tot een onherroepelijke vrijheidsstraf met een v.i.-periode van 730 dagen.

Veroordeelde is, met toepassing van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, op 18 juli 2014 (krachtens een besluit van het Openbaar Ministerie van 17 juli 2014) voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de op 730 dagen bepaalde en op de datum van de invrijheidstelling ingaande proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling is op 18 juli 2014 aan de veroordeelde in persoon betekend.

Het Openbaar Ministerie heeft bij schriftelijke vordering van 14 oktober 2014 gevorderd dat

de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling herroept wegens het niet naleven van de daaraan verbonden algemene voorwaarde.

Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in haar vordering, nu de vordering onverwijld is ingediend en de grond bevat waarop zij berust.

De rechtbank stelt vast dat veroordeelde, door de thans bewezen verklaarde strafbare feiten te plegen, de algemene voorwaarde die aan de voorwaardelijke invrijheidstelling is verbonden niet heeft nageleefd. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling dan ook toewijzen. De rechtbank ziet geen reden tot afwijzing of slechts gedeeltelijke toewijzing van de vordering, zoals door de raadsvrouw bepleit is.

Veroordeelde heeft zich tijdens de proeftijd immers willens en wetens opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten en wist wat hem, in geval van een nieuwe veroordeling, boven het hoofd hing. De rechtbank overweegt in dit verband tevens dat de veroordeelde een omvangrijk strafblad heeft (18 pagina’s), dat hij in de laatste 10 jaar tot (in totaal) 14,5 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld en dat hij de nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd terwijl hij nog geen twee maanden (voorwaardelijk) in vrijheid was.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

- wijst de vordering van de officier van justitie toe en gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf (arrest van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch d.d. 4 juni 2012, gewezen onder parketnummer 20-001862/11) dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog geheel moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 730 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 februari 2015.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 28 augustus 2014 te Posterholt, in elk geval in de gemeente Roerdalen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een autosleutel en/of autopapieren en/of (een) horloge(s) en/of een portemonnee(s) en/of een hoeveelheid geld en/of een hoeveelheid sieraden en/of een hoeveelheid tafelzilver en/of 2 spaarpotten met inhoud en/of een sporttas en/of een trouwboekje en/of meerdere, althans een, kist(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 28 augustus 2014 te Posterholt, in elk geval in de gemeente Roerdalen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk BMW), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummers: 03/666102-14 en 99/000202-24 (vordering herroeping v.i.)

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 3 februari 2015 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman is mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

1 Voor zover de in het vonnis vermelde feiten en omstandigheden door de rechtbank redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde, wordt hierna in de voetnoten verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechtbank deze feiten en omstandigheden ontleent. Tenzij anders vermeld, maken deze bewijsmiddelen deel uit van het proces-verbaal van de Politie Eenheid Limburg, district Midden-Limburg, basiseenheid echt-susteren/roerdalen, met registratienummer PL 2300-2014074907. Het dossier is doorgenummerd van pagina 1 t/m 84.

2 Het proces-verbaal aangifte van [benadeelde partij], pagina 4-5 en de bijlage inhoudende een lijst van gestolen goederen, pagina 7-11.

3 Het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 28-29.

4 Het geschrift, inhoudende het aanvullend rapport naar aanleiding van een DNA-databank match van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 26 september 2014, pagina 46, en de bijlage, pagina 48.