Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:8220

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
03/866119-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

11a Opiumwet. Growshop. Veroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866119-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 september 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. drs. G.A.C. Beckers, advocaat, kantoorhoudende te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 september 2015. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich, al dan niet met een of meer anderen, schuldig heeft gemaakt aan voorbereiding of vergemakkelijking van beroeps-, bedrijfsmatige dan wel grootschalige illegale hennepteelt door in zijn winkelpand te Maastricht stoffen, voorwerpen en/of gegevens te koop aan te bieden en/of voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat deze bestemd zijn voor die hennepteelt.

3 De voorvragen

3.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie in de vervolging van verdachte niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, nu door het Openbaar Ministeriede beginselen van een behoorlijke procesorde op ernstige en niet herstelbare wijze zijn geschonden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat:

  • -

    verdachte niet door het Openbaar Ministerie, de politie en/of de gemeente Maastricht is aangeschreven en geïnformeerd over de op handen zijnde wijziging van de Opiumwet en de gevolgen daarvan voor zijn bedrijfsvoering;

  • -

    een dag na inwerkingtreding van het nieuwe artikel 11a Opiumwet het winkelpand van verdachte door de politie is gecontroleerd en het Openbaar Ministerie tot opsporing en vervolging van verdachte is overgegaan;

  • -

    de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging door een onjuiste uitleg te geven aan de inhoud van artikel 11 lid 3 en lid 5 van de Opiumwet, een uitleg die voorbij gaat aan de wettelijke beperking van de reikwijdte van artikel 11a Opiumwet;

  • -

    op 2 maart 2015 door inbeslagname van voorwerpen en stoffen een forse en

onrechtmatige inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht (artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM) van verdachte, nu het voorhanden hebben en verkopen van stoffen en voorwerpen die niet bestemd zijn voor grootschalige of beroepsmatige hennepteelt niet strafbaar is.

De officier van justitie heeft gevorderd het verweer van de verdediging te verwerpen omdat geen enkel te respecteren strafvorderlijk belang van verdachte geschaad is.

De rechtbank stelt naar aanleiding van het verweer van de verdediging voorop dat niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging slechts kan volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Met de officier van justitie is de rechtbank evenwel van oordeel dat in deze zaak van een dergelijke situatie geen sprake is. Er is ten aanzien van verdachte geen enkel te respecteren strafvorderlijk belang geschonden.

Daartoe overweegt de rechtbank ten eerste dat de stelling van de verdediging dat het Openbaar Ministerie eerst tot vervolging mag overgaan nadat een waarschuwing is gegeven, in zijn algemeenheid geen steun vindt in het recht.

Verder overweegt de rechtbank, zoals zij ook hierna in dit vonnis verder zal beschrijven, dat verdachte in december 2012 per brief aan de gemeente Maastricht heeft medegedeeld dat hij de exploitatie van zijn growshop staakt. Op grond van deze mededeling heeft de gemeente Maastricht bij besluit van 15 februari 2013 aan verdachte meegedeeld dat de aan hem verleende vergunning voor de exploitatie van de growshop aan de [adres] te Maastricht is ingetrokken. Verdachte c.q. zijn handelsonderneming ‘ [naam bedrijf] ’ stond dus al sinds 15 februari 2013 niet meer als ‘growshop’ geregistreerd.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel degelijk op de hoogte was van de wijziging van de Opiumwet per 1 maart 2015, en van het feit dat hij als gevolg van die wetswijziging zijn handelswijze diende aan te passen. Dat heeft hij namelijk zelf ter terechtzitting verklaard. Hij had daartoe ook vooraf advies ingewonnen bij zijn raadsman. Ook de medewerkers van [naam bedrijf] hebben tijdens hun verhoren te kennen gegeven dat zowel verdachte als zijzelf al op de hoogte waren van de wetswijziging.

Gelet op deze feiten en omstandigheden kan niet gezegd worden dat het Openbaar Ministerie een ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde heeft gemaakt, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Verder vermag de rechtbank niet in te zien waarom de opsporingsdiensten de wettelijke regeling, opgenomen in artikel 11a van de Opiumwet, te ruim zouden hebben ingezet bij de controle van [naam bedrijf] op 2 maart 2015. De onderbouwing die de verdediging ten aanzien van die stelling geeft, getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een onjuiste lezing en toepassing van artikel 11a van de Opiumwet en de daaraan te grondslag liggende parlementaire stukken.

Op grond van bovenstaande komt verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, evenmin een succesvol beroep op een schending van enig te respecteren strafvorderlijk belang toe.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het beroep op schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM niet slaagt, nu de inbeslagname op 2 maart 2015 van goederen die aan [naam bedrijf] toebehoren rechtmatig was en in die zin inbreuk mag worden gemaakt op eigendomsrechten.

De rechtbank concludeert dan ook dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging ter zake het aan verdachte tenlastegelegde feit.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Inleiding1

Op 1 maart 2015 is de Opiumwet gewijzigd en zijn handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van de illegale hennepteelt in artikel 11a strafbaar gesteld.

Op 2 maart 2015 heeft de politie in het pand van handelsonderneming [naam bedrijf] , gevestigd aan de [adres] te Maastricht, een controle uitgevoerd op naleving van de voorschriften van de Opiumwet. Verbalisant [verbalisant] relateert in zijn proces-verbaal dat hij bij het betreden van de winkel zag dat deze was ingericht met diverse goederen, zoals flacons met groei- en bloeimiddelen, droogrekken, een growtent, dompelpompen, bloempotten, fancontrollers, kachels en ventilatoren.2 Door [verbalisant] zijn lijsten opgemaakt van de door hem in het voor publiek toegankelijke deel van de winkel aangetroffen en in beslag genomen goederen.3

Met toestemming van drie personen, die verklaarden te werken in de winkel, heeft verbalisant [verbalisant] het pand verder bekeken. [verbalisant] relateert dat hij in de kelder een grote hoeveelheid voornamelijk gebruikt materiaal aantrof, zoals assimilatielampen, armaturen, bloempotten, koolstoffilters, schakelborden, transformatoren, zwart folie4, koolstoffilters, dozen met pluggen en flacons met groeimiddelen.5 Deze goederen zijn in beslag genomen en vermeld op lijsten, die horen bij de kennisgeving van inbeslagneming.6

In de ruimte achter de balie zag [verbalisant] dat er gebruikte maar ook nieuwe goederen lagen, zoals transformatoren, assimilatielampen, koolstoffilters, box-ventilatoren en strijkzakken.7 Deze goederen zijn eveneens in beslag genomen. Ook hiervan heeft [verbalisant] een lijst opgesteld.8

Achter de balie lagen volgens [verbalisant] diverse folders, zoals de ‘Highlife’ en een klapper met daarin afbeeldingen van diverse hennepplanten, alsmede folders van goederen die hij normaliter aantreft bij een hennepplantage. Ook hing hier een briefje met daarop de tekst dat [naam bedrijf] geen advies geeft met betrekking tot wietteelt en geen producten meer verkoopt/verhuurt met betrekking tot wietteelt. Voor meer informatie werd in dit briefje verwezen naar de bijlagen in de winkel. Deze bijlagen lagen op de balie en hadden betrekking op de wijziging van de Opiumwet per 1 maart 2015.9

In de ruimte bij de achteringang van de winkel zag [verbalisant] nieuwe zakken met potgrond en dozen met pluggen liggen10, waarvan hij eveneens een lijst van heeft opgesteld.11

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de in het bedrijfspand van verdachte aangetroffen goederen, stoffen en gegevens een strafbare bestemming hadden als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet en of verdachte van die strafbare bestemming wetenschap heeft gehad, dan wel ernstige redenen had om dat te vermoeden, en zich aldus heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit bewezen, gelet op de bevindingen van verbalisant [verbalisant] . Verdachte heeft de in de tenlastegelegging genoemde voorwerpen, stoffen en gegevens in zijn winkel aan de [adres] te Maastricht voorhanden gehad en te koop aangeboden.

De officier van justitie meent voorts dat, gelet op de zeer grote hoeveelheid en uit de combinatie van de diverse voorhanden zijnde en te koop aangeboden goederen, het niet anders kan zijn dan dat die goederen bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet. Daar was verdachte’s opzet ook op gerichten daartoe heeft de officier van justitie gewezen op de omstandigheid dat uit controles in juli 2013 en juli 2014 bleek dat verdachte, ondanks dat zijn exploitatievergunning voor een growshop reeds in februari 2013 door de gemeente Maastricht was ingetrokken, willens en wetens de verkoop van hennepkwekerijbenodigdheden heeft voortgezet. Alle goederen, ook die in de kelder, waren gerangschikt en per productsoort opgeslagen. Verdachte had daarnaast tijdschriften en catalogi die zagen op hennepkweek en benodigdheden voor hennepteelt in zijn pand aanwezig. Tot slot hebben zowel verdachte, als zijn medewerkers verklaard dat zij op de hoogte waren van de wijziging van de Opiumwet per 1 maart 2015.

Op grond van het vorenstaande komt de officier van justitie tot de conclusie dat verdachte heeft geweten dat de door hem aangeboden goederen dienden ter voorbereiding of vergemakkelijking van de illegale hennepteelt, zodat hij zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij verdachte de criminele intentie ontbreekt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat enkel de goederen die in het voor publiek toegankelijke deel van de winkel werden aangetroffen voor verkoop bestemd waren. Deze goederen kunnen echter voor diverse doeleinden worden gebruikt en niet uitsluitend ter voorbereiding of vergemakkelijking van de grootschalige, beroeps- of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Ten slotte heeft de verdediging de aanwezigheid van verschillende goederen, zoals door verbalisant [verbalisant] beschreven, betwist. Van diverse goederen zijn volgens de raadsman namelijk geen foto’s in het dossier aanwezig.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het vorenstaande, niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte wist dat de in zijn pand aangetroffen voorwerpen, stoffen en gegevens een strafbare bestemming hadden als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet, noch dat hij ernstige redenen had om dit te vermoeden.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

De parlementaire stukken

Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2010/11, 32 842, nr. 3) blijkt dat het op

1 maart 2015 in werking getreden nieuwe artikel 11a van de Opiumwet tot doel heeft om de bestrijding van de illegale hennepteelt te intensiveren en te optimaliseren. Bij de aanpak van illegale hennepteelt is het het kabinet steeds duidelijker geworden dat het enkele optreden tegen de hennepkwekerijen en tegen de bij de teelt direct betrokkenen niet toereikend is voor een daadwerkelijke terugdringing van de illegale hennepteelt. Daarom wordt het noodzakelijk geacht om ook op te treden tegen activiteiten van ondersteunende aard rond de illegale teelt, in het bijzonder die activiteiten die strekken ter voorbereiding of bevordering van die teelt.

De rechtbank heeft ten behoeve van de beoordeling in de onderhavige zaak in het bijzonder de volgende citaten uit deze Memorie van Toelichting meegewogen:

‘Bij de huidige wijze van functioneren van growshops zal er snel voldoende bewijs zijn voor het bestaan van de wetenschap bij de growshophouder of -medewerker. Immers, growshops e.d. bestaan bij de gratie van de illegale hennepteelt, hetgeen alleen al uit de door hen gekozen openbaarmakingen duidelijk blijkt. Verder worden het assortiment en de geboden informatie en expertise opzettelijk aangeboden met één doel: de hennepteelt. In dit verband kan worden gewezen op producten als de koolstoffilter en de zogenoemde «kniptrommel» en «ice-o-lator» die specifiek worden ingezet en aangeboden voor de hennepteelt.’12

‘Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht. Bij de producten die door een growshop verkocht worden, is er doorgaans geen sprake van twijfel over de bestemming ervan.’13

‘Ook teelt van vijf planten of minder kan worden aangemerkt als beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Dit geldt in situaties waarin aan twee of meer indicatoren voor professionele teelt, zoals opgenomen in een bijlage van de Aanwijzing, is voldaan en indien er sprake is van teelt voor geldelijk gewin.’14

‘Het gaat erom dat voorwerpen, of zo u wilt legale producten, ter beschikking worden gesteld terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen of legale producten strafbare handelingen zullen worden begaan.’15

‘De gekozen formulering zorgt er in dit verband juist voor dat niet het subjectieve oordeel(svermogen) van de verdachte bepalend is, maar dat het een objectiveerbare situatie betreft. Met andere woorden een situatie, waarin de betrokkene als gewoon denkend mens niet anders had kunnen doen dan moeten vermoeden dat hij voorbereidingsmiddelen ter beschikking stelde om bepaalde Opiumwetdelicten te plegen. Hieruit volgt tevens dat er geen sprake van een onderzoeksplicht (is).’16

‘Bij strafbare voorbereidingshandelingen moet er steeds sprake zijn van zowel de criminele intentie van de dader als de daaruit voortvloeiende handeling. De werking van deze bestanddelen is flexibel en valt het beste te vergelijken met die van communicerende vaten. Zo zal, indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt, de criminele intentie nagenoeg geheel kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling. Bij de verkoop in een growshop, waarbij alleen al uit het aanbod, de benaming van voorwerpen en/of uit de handleiding of gebruiksaanwijzing daarvan blijkt dat het bestemd is voor illegale hennepteelt, behoeft de criminele intentie van de verkoper nauwelijks nader bewijs.’17

Uit het voorgaande blijkt naar oordeel van de rechtbank dat het er bij de strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet om gaat dat voorwerpen ter beschikking worden gesteld, terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen strafbare handelingen (overtreding van artikel 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet) worden begaan. De keuze voor deze formulering brengt met zich mee dat het gaat om een objectiveerbare situatie en dat niet het subjectieve oordeelsvermogen van de verdachte bepalend is.

4.4.2

De beoordeling

De verklaring van verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij reeds vijftien jaar in het vak zit en sinds enkele jaren een growshop had aan de [adres] in Maastricht. Naar aanleiding van de op handen zijnde wetswijziging van artikel 11a van de Opiumwet heeft hij, al vóór de inwerkingtreding daarvan, contact opgenomen met zijn raadsman voor advies. Ook heeft hij met verschillende collega-growshophouders gesproken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte onder deze omstandigheden dan ook op de hoogte was van de waarschuwingen die de gemeente Maastricht aan vergunninghouders van een growshop had gestuurd.

Naar eigen zeggen bevond de winkel van verdachte zich in een overgangssituatie: verdachte verkocht nog slechts producten aan klanten die minder dan vijf hennepplanten teelden. Verder fungeerde hij als groothandel voor de verkoop van producten aan het buitenland. Die transitie was volgens verdachte in het voor publiek toegankelijke gedeelte van de winkel reeds doorgevoerd. In de overige ruimten van het pand stonden nog producten en goederen die nog afgevoerd dienden te worden. Deze werden volgens de verdachte dan ook niet (meer) verkocht. Ook de informatie (in klappers en ordners), die achter de toonbank lag, diende nog verwijderd te worden. Door zijn ruime ervaring wist verdachte wanneer een klant voor meer dan vijf planten goederen kwam kopen. In een dergelijk geval werd de klant geweigerd, aldus verdachte.

Ten slotte geeft verdachte aan dat hij betwist dat een aantal goederen, zoals opgenomen in de lijsten die horen bij de kennisgevingen van inbeslagneming, daadwerkelijk in zijn pand is aangetroffen. Over deze betwisting kan de rechtbank echter kort zijn. Verdachte heeft enkel de aanwezigheid van die goederen ontkend en zijn stelling niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld gegevens uit zijn voorraadadministratie. Bij die stand van zaken heeft de rechtbank geen behoefte aan, en ziet zij ook geen enkele noodzaak voor het horen van verbalisant [verbalisant] over de door hem aangetroffen en beschreven situatie. De rechtbank zal derhalve het (voorwaardelijke) verzoek van de raadsman van verdachte tot het horen van verbalisant [verbalisant] afwijzen.

De omstandigheden

Zoals reeds is genoemd, dient bij de vraag of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet onder andere gekeken te worden naar de omstandigheden waaronder de voorwerpen, stoffen en gegevens zijn aangetroffen.

Op 2 maart 2015 werd het bedrijf van verdachte, [naam bedrijf] , door de politie aan een controle onderworpen. Bij het betreden van de voor het publiek toegankelijke en geopende ruimte werd door verbalisant [verbalisant] geconstateerd dat in de winkel diverse goederen en producten die gebruikt kunnen worden voor de teelt van hennep in grote hoeveelheden aanwezig waren.. In de kelder werden soortgelijke goederen aangetroffen, waarvan een deel reeds bij eerdere hennepteelt gebruikt bleek te zijn. Ook elders in het pand werden vele aan hennepteelt gerelateerde goederen aangetroffen. Daarnaast lagen achter de toonbank in de winkel diverse tijdschriften, klappers en ordners met informatie en handleidingen over (leveranciers van) hennep, hennepteelt en teeltbenodigdheden.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het aanbod en de benaming van de diverse aangetroffen stoffen en voorwerpen, alsmede gelet op de aangetroffen schriftelijke informatie en handleidingen, de door verdachte geëxploiteerde winkel enkel en alleen bedoeld was om hennepkwekers met raad en daad bij te staan. Reeds gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank de verklaring van verdachte, dat hij na 1 maart 2015 in zijn winkel klanten die voor de teelt van meer dan vijf hennepplanten kwamen, weigerde, niet aannemelijk.

Ook de teelt van minder dan vijf planten kan daarbij onder omstandigheden aangemerkt worden als beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, zo blijkt uit de parlementaire stukken. Dit is het geval wanneer bij die teelt gebruik wordt gemaakt van technische hulpmiddelen en/of hoogwaardige technologie wordt toegepast ter vermeerdering van de opbrengst en de omstandigheden waaronder wordt gekweekt, bijvoorbeeld in loodsen of onder glas, met gebruik van zogeheten daglichtlampen of met behulp van temperatuur- en bevloeiingsregulering. Dergelijke apparatuur werd ook in de winkel van verdachte aangetroffen. Dat niet alles in het voor publiek toegankelijke gedeelte van de winkel werd aangetroffen, kan niet afdoen aan de conclusie dat verdachte die voorwerpen, stoffen en gegevens in ieder geval voorhanden heeft gehad. Uit niets blijkt daarbij dat verdachte het voornemen had om deze goederen niet te verkopen. Zo heeft verdachte geen correspondentie overgelegd met zijn leveranciers met daarin afspraken over het retourneren van goederen die vanaf 1 maart 2015 niet meer door verdachte verkocht mochten worden.

Wetenschap of redelijk vermoeden?

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de in zijn pand aanwezige stoffen, voorwerpen en gegevens bedoeld waren voor de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt, als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet. In dat verband is relevant dat verdachte, naar eigen zeggen, reeds eerder gedurende meerdere jaren een growshop heeft geëxploiteerd en aldus bekend mag worden verondersteld met de bestemming van de goederen die hij verkocht.

De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij wist dat de Opiumwet per 1 maart 2015 zou worden gewijzigd. Hij heeft daarover met zijn raadsman, zijn medewerkers en met collega-growshophouders gesproken. Naar aanleiding hiervan zou verdachte zijn bedrijfsvoering hebben aangepast. Verder zou verdachte geen goederen meer verkopen aan personen die beroeps- of bedrijfsmatig hennep telen. Verdachte zou zijn winkel richten op hobbymatige henneptelers en daarnaast zoeken naar een andere afzetmarkten, getuige de siervissen die hij eveneens in zijn winkel aanwezig had.

De rechtbank acht de stelling dat verdachte slechts aan de hobbymatige hennepteler goederen en producten verkocht ongeloofwaardig. In het pand van verdachte werden immers heel veel hennepteelt gerelateerde goederen en producten, netjes uitgestald en per productgroep gesorteerd, aangetroffen. Weliswaar stonden een deel goederen in de kelder en in ruimten achter het voor publiek toegankelijke deel van de winkel en derhalve niet direct in het zicht voor personen die het pand zouden betreden, maar gelet op de hiervoor beschreven wijze van opstellen kan er geen andere conclusie zijn dan dat verdachte de goederen zo heeft neergezet ten behoeve van de verkoop en voor dat doel de goederen en stoffen ook voorhanden heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank, en gelet op hiervoor aangehaalde parlementaire stukken, betroffen dit stoffen, voorwerpen en gegevens gericht op de grootschalige, dan wel beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Verdachte wist dat die stoffen, voorwerpen en gegevens bestemd waren tot het plegen van feiten als bedoeld in artikel 11 lid 3 en lid 5 van de Opiumwet. Zijn medewerkers verklaarden immers dat er (voor de datum van de wetswijziging) klanten kwamen die professioneel bezig waren met de hennepteelt en ook werden bonnen aangetroffen waaruit blijkt welke goederen verkocht werden; het ging daarbij om aanzienlijke hoeveelheden goederen – voor grootschalige hennepteelt derhalve. Het door verbalisant [verbalisant] aangetroffen briefje met de tekst dat er geen wietteelt gerelateerde informatie meer wordt verstrekt dan wel wietteelt gerelateerde producten worden verkocht, acht de rechtbank dan ook slechts een poging om te verdoezelen dat verdachte zich in zijn winkel schuldig maakte aan strafbare feiten. In dat kader kwalificeert de rechtbank eveneens de aanwezigheid van een aantal siervissen in de winkel. Buiten deze vissen zijn er immers geen andere producten aangetroffen die wijzen op een veranderde afzetmarkt.

De conclusie

Gelet op vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte op 2 maart 2015 in het pand aan de [adres] te Maastricht grote hoeveelheden stoffen, voorwerpen en gegevens te koop heeft aangeboden en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 2 maart 2015 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen, in een winkelpand aan de [adres] stoffen en voorwerpen en gegevens, te weten (onder meer):

(winkelgedeelte)

- een kleine groeitent (t.b.v. stekken) en

- twee growtenten en

- tien verpakkingen knipbenodigdheden en

- drie tijdschakelaars en

- drie dompelpompen en

- vijf dompelpompjes (klein) en

- (10 + 71 + 205=) 286 potten en

- een aansluitset sproei-installatie en

- 13 ventilatoren en

- 97 pluggen en

- 963 potjes t.b.v. stekken

- twee stektrays (Toprock, 60 stuks)

- 22 droogrekken en

- vier verpakkingen vernevelaar (Bio G Power) en

- zes rollen verduisteringsfolie en

- twee Ph-meters en

- vijf hygro-meters

- drie netten en

- een luchtafzuiger en

- een (grote) hoeveelheid flacon(s) bevattende groei- en bloeimiddelen (o.a.

merken HY-PRO, Plagron, Q-ING) en

('hok achter kassa')

- vijf Ph-meter(s) en

- 24 assimilatielampen en

- 53 trafo's en

- 9 koolstoffilters en

- 6 droognetten en

- een vernevelaar en

- (8+7=) 15 flacons groeimiddel en

('ruimte achter')

- 13 trafo's en

- (18+7=) 25 rekken met pluggen en

- 480 pluggen (cultilane)

- (33+100+3+53+6=) 195 zakken potgrond en

(kelder)

- vier knipbenodigdheden en

- twee koolstoffilters en

- twee 'cannacutters' en

- 50 flacons groeimiddel en

- 15 groeitenten en

- twee luchtafzuigers en

- drie sproei-installaties en

- een grote hoeveelheid potten,

alsmede klappers/ordners/tijdschriften betreffende (informatie met betrekking tot) hennepzaden en materialen voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepkweek,

bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet,

te weten:

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of

bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of

verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel

3a van die Wet en/of

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of

telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of

vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet,

heeft te koop aangeboden en voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die stoffen en voorwerpen en gegevens bestemd waren tot het plegen van die feiten.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

stoffen, voorwerpen en gegevens te koop aanbieden en voorhanden hebben, waarvan hij weet dat deze bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op te leggen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en geen standpunt ingenomen met betrekking tot de strafmaat.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft opzettelijk stoffen, voorwerpen en gegevens, die bestemd zijn voor de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt, in zijn winkel in Maastricht voorhanden gehad en te koop aangeboden. Hennep bevat de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennepteelt en de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaat met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving schade wordt berokkend. Verdachte heeft met zijn winkel een wezenlijke rol gehad in de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt, en daarbij kennelijk slechts zijn eigen geldelijk gewin voorop gesteld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte recent niet meer voor overtreding van de Opiumwet met politie of justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat bij een feit als het onderhavige in beginsel een gevangenisstraf van enige duur de enige passende straf is. Bij het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank de ernst van het feit in aanmerking genomen en de omstandigheid dat verdachte door het plegen van dit feit direct een bijdrage heeft geleverd aan het in stand houden van de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt.

De rechtbank kan echter niet haar ogen sluiten voor het feit dat het bedrijf van verdachte slechts een dag na inwerkingtreding van artikel 11a van de Opiumwet is gecontroleerd en verdachte daarbij tegen de lamp is gelopen. Dit, in combinatie met het feit dat op het strafblad van verdachte geen recente politie- en justitiecontacten prijken, maakt dat de rechtbank de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van drie maanden geheel voorwaardelijk zal opleggen, met een proeftijd van twee jaren. Deze straf is naar het oordeel van de rechtbank een duidelijk signaal voor verdachte en anderen om af te zien van het handelen in strijd met het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet.

8 Het beslag

De goederen die zijn vermeld op de lijsten, die als bijlagen zijn gevoegd bij de respectieve kennisgevingen van inbeslagneming (op de pagina’s 183, 192, 193 en 195 van het dossier), zijn naar oordeel van de rechtbank vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Met betrekking tot deze goederen is het feit begaan. De goederen zijn vermeld op de aan dit vonnis gehechte bijlage II.

De drie enveloppes en de zich daarin bevindende gelden (totaal ten bedrage van € 5.011,00), vermeld op de kennisgeving van inbeslagneming (op de pagina’s 198 t/m 201 van het dossier), dienen te worden teruggegeven aan de verdachte, nu dit bedrag betrekking heeft op omzet die is gegenereerd voor de wetswijziging van 1 maart 2015.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden;

  • -

    bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

Beslag

  • -

    onttrekt aan het verkeer de voorwerpen die zijn vermeld op de bij dit vonnis gevoegde lijsten (Bijlage II);

  • -

    gelast de teruggave aan verdachte van de drie inbeslaggenomen enveloppes en de zich in die enveloppes bevindende gelden, totaal ten bedrage van € 5.011,00 (vijfduizend elf euro).

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax , voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P.E. Mullers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 september 2015.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 2 maart 2015 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (in een (winkel)pand aan de [adres] ) stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens, te weten (onder meer):

(winkelgedeelte)

- een kleine groeitent (t.b.v. stekken) en/of

- twee, althans een of meer growtent(en) en/of

- tien, althans een of meer verpakkingen knipbenodigdheden en/of

- drie, althans een of meer tijdschakelaar(s) en/of

- drie, althans een of meer dompelpomp(en) en/of

- vijf, althans een of meer dompelpompje(s) (klein) en/of

- (10 + 71 + 205=) 286, althans een of meer pot(ten) en/of

- een aansluitset sproei-installatie en/of

- 13, althans een of meer ventilator(en) en/of

- 97, althans een of meer plug(gen) en/of

- 963, althans een of meer potje(s) t.b.v. stekken

- twee, althans een of meer stektray (Toprock, 60 stuks)

- 22, althans een of meer droogrek(ken) en/of

- vier, althans een of meer verpakking(en) vernevelaar (Bio G Power) en/of

- zes, althans een of meer rol(len) verduisteringsfolie en/of

- twee, althans een of meer Ph-meter(s) en/of

- vijf, althans een of meer hygro-meter(s)

- drie, althans een of meer net(ten) en/of

- een luchtafzuiger en/of

- een (grote) hoeveelheid flacon(s) bevattende groei- en bloeimiddelen (o.a.

merken HY-PRO, Plagron, Q-ING) en/of

('hok achter kassa')

- vijf, althans een of meer Ph-meter(s) en/of

- 24, althans een of meer assimilatielamp(en) en/of

- 53, althans een of meer trafo('s) en/of

- 9, althans een of meer koolstoffilter(s) en/of

- 6, althans een of meer droognet(ten) en/of

- een vernevelaar en/of

- (8+7=) 15, althans een of meer flacon(s) groeimiddel en/of

('ruimte achter')

- 13, althans een of meer trafo('s) en/of

- (18+7=) 25, althans een of meer rek(ken) met pluggen en/of

- 480, althans een of meer plug(gen) (cultilane)

- (33+100+3+53+6=) 195, althans een of meer zak(ken) potgrond en/of

(kelder)

- vier, althans een of meer verpakkingen knipbenodigdheden en/of

- twee, althans een of meer koolstoffilter(s) en/of

- twee, althans een of meer 'cannacutter'(s) en/of

- 50, althans een (grote) hoeveelhei flacons groeimiddel en/of

- 15, althans een of meer groeitent(en) en/of

- twee, althans een of meer luchtafzuiger(s) en/of

- drie, althans een of meer sproei-installatie(s) en/of

- een (grote) hoeveelheid pot(ten),

alsmede klappers/ordners/tijdschriften betreffende (informatie met betrekking tot hennepzaden en/of materialen voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepkweek,

bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet,

te weten:

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of

bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of

verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel

3a van die Wet en/of

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of

telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of

vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet,

heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of te koop aangeboden en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd en/of voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

Bijlage II: De inbeslaggenomen voorwerpen

Winkelgedeelte

De kennisgeving van inbeslagname, d.d. 2 maart 2015, met bijlagen, dossierpagina 183 t/m 189.

Ruimte achter Balie

De kennisgeving van inbeslagname, d.d. 2 maart 2015, met bijlage, dossierpagina 191 en 192.

Ruimte achter ingang

De kennisgeving van inbeslagname, d.d. 2 maart 2015, met bijlage, dossierpagina 193 en 194.

Kelder

De kennisgeving van inbeslagname, d.d. 2 maart 2015, met bijlagen dossierpagina 195 t/m 197.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2015039831, gesloten d.d. 19 maart 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 220.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2015, dossierpagina 7.

3 Kennisgevingen van inbeslagname (met de daarbij behorende lijsten als bijlagen) d.d. 2 maart 2015, dossierpagina 183 t/m 189.

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2015, dossierpagina 7.

5 Idem, dossierpagina 8.

6 Kennisgeving van inbeslagname (met de daarbij behorende lijsten als bijlagen) d.d. 2 maart 2015, dossierpagina 195 t/m 197.

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2015, dossierpagina 8.

8 Kennisgeving van inbeslagname (met de daarbij behorende lijsten als bijlagen) d.d. 2 maart 2015, dossierpagina 190 t/m 192.

9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2015, dossierpagina 8.

10 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2015, dossierpagina 8.

11 Kennisgeving van inbeslagname (met de daarbij behorende lijst als bijlagen) d.d. 2 maart 2015, dossierpagina 193 en 194.

12 Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2010/11, 32 842, nr. 3.) Pagina 8.

13 Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2010/11, 32 842, nr. 6) pagina 3.

14 Idem, pagina 3 en 4.

15 Brief van de minister van Veiligheid en Justitie (Kamerstukken II, 2010/11, 32 842, nr. 6) pagina 6.

16 Idem, pagina 7.

17 Memorie van antwoord Eerste kamer (Kamerstukken I, 2012/13, 32 842, B) pagina 8.