Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:8177

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
4073670 CV EXPL 15-3859
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gecedeerde vordering energieleverancier jegens consument op alle onderdelen voor kritiek en correctie vatbaar.

Gebrekkig procederen mondt uit in beperkte toewijzing hoofdsom, afwijzing van twee nevenvorderingen en compensatie van proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 4073670 CV EXPL 15-3859

Vonnis van de kantonrechter van 30 september 2015 (bij vervroeging)

in de zaak

de rechtspersoon naar buitenlands (Zweeds) recht HOIST KREDIT AB

gevestigd te Stockholm (Zweden) en mede kantoorhoudend te Amsterdam

eisende partij

gemachtigde J.H. Vekemans, deurwaarder te Tilburg (“GGN”)

tegen

[gedaagde]

wonend te [woonplaats] aan het [adres 1]

gedaagde partij

in rechte verschenen bij M.T.P. Verhoeven, accountant te Maastricht (zonder schriftelijke procesvolmacht)

Partijen zullen hierna als “Hoist” respectievelijk “ [gedaagde] ” aangeduid worden.

De procedure

Hoist heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 13 april 2015 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee één productie (fotokopie van een brief met bijlage) alsmede een voor [gedaagde] bestemd informatieblad dat gegevens bevat over een aantal processuele zaken, betekend zijn.

[gedaagde] heeft - na verleend uitstel - ter rolzitting van 10 juni 2015, schriftelijk en onder bijvoeging van zeven of acht gefotokopieerde producties doen antwoorden (gemakshalve aannemend dat hij M.T.P Verhoeven daartoe in ieder geval mondeling gemachtigd had).

Bij die gelegenheid is uitdrukkelijk verweer gevoerd en is gemotiveerd bezwaar aangetekend tegen een gedeelte van de hoofdvordering en tegen de nevenvorderingen.

Bij repliek d.d. 19 augustus 2015 heeft Hoist alsnog een grote hoeveelheid stukken (in fotokopievorm bijeengebracht onder productienummers 2 tot en met 8) overgelegd.

Nadat aan [gedaagde] gelegenheid geboden was om ter rolzitting van 16 september 2015 te dupliceren, is van hem niets meer vernomen (ook niet in de vorm van een gemotiveerd verzoek om uitstel), zodat het recht om alsnog te reageren vervallen verklaard is.

Met een naderhand op 23 september 2015 ingezonden en op 24 september 2015 ter griffie ontvangen schriftelijke reactie kan dan ook geen rekening meer gehouden worden: [gedaagde] heeft geen deugdelijke verklaring voor deze vertraging kunnen verschaffen.

Hierna is vonnis bepaald, zodat heden - bij vervroeging - uitspraak gedaan wordt.

Het geschil

(de wijze van presentatie van) de vordering

Hoist vordert veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 3 842,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 3 328,64 vanaf 13 april 2015 (datum van dagvaarding) tot de datum van volledige voldoening, alsmede tot betaling van de aan haar kant te liquideren proceskosten.

Bij repliek heeft zij bij die eis ten volle volhard.

Hoist presenteert zich in deze zaak als de aan [gedaagde] bekende cessionaris van een jegens hem bestaande vordering van Essent Retail Energie B.V. (verder: ‘Essent’), een onderneming op het gebied van de levering en/of het transport van nutsvoorzieningen (energie) via een netwerk. Volgens Hoist is [gedaagde] met Essent op een ongenoemd gebleven datum (een) overeenkomst(en) tot energielevering onder de verplichting tot voldoening van maandelijkse voorschotbedragen aangegaan voor het perceel aan het [adres 1] te Maastricht, het woonadres waar [gedaagde] ook gedagvaard is. Het ging bij de leveringen, blijkens de latere toelichting in voortgezet debat, om zowel gas als elektriciteit, doch niet aan het [adres 1] maar aan het adres [adres 2] te [woonplaats] .

Volgens Hoist waren op die overeenkomst of overeenkomsten - inmiddels beëindigd - algemene voorwaarden van toepassing. Zodanige voorwaarden zijn echter niet overgelegd noch op relevante onderdelen geciteerd, zodat het belang voor enig onderdeel van de vordering niet vastgesteld kan worden. Overigens is / zijn ook de overeenkomst(en) zelf niet ingebracht, noch op onderdelen geciteerd. Hoist heeft volstaan met de bewering dat de overeengekomen nutsvoorzieningen geleverd en afgenomen zijn, doch dat [gedaagde] ‘in gebreke gebleven is’ met tijdige en/of volledige betaling van ‘de voorschoten en/of afrekeningen’. Zij trekt hieruit de conclusie dat Essent ‘van gedaagde opeisbaar te vorderen gekregen (heeft) een bedrag van € 3 238,64’. Het betreft hier vijf ten dele in het exploot weergegeven facturen uit de periode februari 2014 tot en met juni 2014 en één (eind)factuur van 20 augustus 2014 waarvan slechts nummers, een omschrijving als ‘voorschotten’ respectievelijk ‘facturatie’, alsmede data en bedragen opgesomd zijn. Opgeteld leveren de tussentijdse afrekeningen (voorschotten) van elk € 249,00 en de eindfactuur van € 1 993,64 inderdaad een beweerdelijk verschuldigd bedrag van € 3 238,64 op.

Bij repliek zijn alsnog - zonder inhoudelijke toelichting - aanschrijvingen en/of facturen van Essent ingebracht over het tijdvak 24 februari 2014 tot en met 21 november 2014 (prod.2 en prod.3, die tezamen tientallen pagina’s in print omvatten). Ten aanzien van geen enkel van deze slechts vaag aangeduide stukken is met zoveel woorden gesteld dat [gedaagde] destijds door ontvangst daadwerkelijk van de inhoud kennisgenomen heeft (althans heeft kunnen nemen). Hoist achtte zich bij exploot in navolging van Essent gerechtigd tot invordering van het genoemde bedrag in hoofdsom krachtens de aan haar gedane cessie (die evenmin in de procestukken toegelicht is en waarvoor slechts verwezen is naar art. 3:94 ‘B.W.’ ofwel BW).

Hoist repte bij exploot van ‘herhaalde aanmaning en aanzegging van incassomaatregelen’, doch maakte een en ander niet verder zichtbaar dan door overlegging van een kopie van een kennelijk van haar gemachtigde afkomstige brief met dagtekening 3 februari 2015 die gericht is aan ‘De heer en/of mevrouw [gedaagde] , [adres 1] , [woonplaats] ’. Op die brief zal hieronder nog nader ingegaan worden. Bij repliek heeft Hoist weliswaar onder productienummer 4 ook (incasso)brieven op naam van haar gemachtigde overgelegd die het tijdvak 24 februari 2015 tot en met 19 maart 2015 bestrijken, maar wederom zonder deze inhoudelijk toe te lichten en zonder zelfs maar te stellen dat [gedaagde] deze ontvangen heeft (en dus van de inhoud kennis heeft kunnen nemen). Hoist zag zich door het naar datum noch ontstaansgrond geconcretiseerde ‘betalingsverzuim van gedaagde’ genoodzaakt ‘haar vordering ter incasso uit handen te geven aan GGN, haar incassotussenpersoon’. Vervolgens bevat het exploot een aantal in zeer algemene bewoordingen gestelde passages, zoals: “Door de wanbetaling van gedaagde (hier handelend als consument) en/of het hierdoor uit handen geven van haar vordering, lijdt eiseres vermogensschade. Deze schade bestaat onder andere uit: - de buitengerechtelijke incassokosten (berekend als overeengekomen dan wel conform gebruikelijk en billijk tarief); - de wettelijke rente vanaf de verzuimdatum.” Van de hier genoemde ‘verzuimdatum’ ontbreekt wederom iedere uitleg, zoals ook niet duidelijk wordt waar Hoist op doelt als zij het over een ‘overeengekomen’ kostenvergoeding heeft, temeer omdat zij in een latere passage uitsluitend verwijst naar wettelijke bepalingen (wederom uit het ‘B.W.’) die zij relevant acht voor gehoudenheid tot vergoeding van de vermogensschade.

Omdat Hoist van oordeel is dat [gedaagde] ‘(na ingebrekestelling of van rechtswege)’ op enig moment ‘in verzuim was’ (zij refereert hier - zonder verdere uitleg - aan de mogelijkheid dat verzuim ’14 dagen na factuurdatum’ intreedt), heeft / hebben volgens het exploot ‘eiseres/haar incassotussenperso(o)n(en)’ aan [gedaagde] een of meer aanmaning(en)

‘verstuurd’ die aan te merken zou(den) zijn als ‘veertiendagenbrief’ in de zin van art. 6:96 lid 6 BW. De eerdergenoemde brief van 3 februari 2015 vermeldt Hoist in dit verband met zoveel woorden. Zij ontleent daaraan een aanspraak op vergoeding van incassokosten tot een bedrag van € 543,12. Dit kostenbedrag is inclusief btw omdat Hoist stelt, anders dan voor Essent het geval was, omzetbelasting niet in verrekening te kunnen brengen. Tot slot wordt in rechte aanspraak gemaakt op een bedrag van € 61,21 aan tot de datum van dagvaarding vervallen geachte wettelijke rente. Uitleg van de berekening van dit rentebedrag ontbreekt.

Omdat [gedaagde] - naar opgave van Hoist - tot de dagvaardingsdatum kennelijk niets in mindering op de schuld aan Essent / Hoist voldaan had, heeft Hoist haar totale vordering op een bedrag van € 3 842,97 doen uitkomen, waarbij zij over het hoofdsomgedeelte nog verdere wettelijke rente claimt vanaf de dag van dagvaarding. Onder het kopje ‘Verweer’ is in het exploot melding gemaakt van het geheel ontbreken van buitengerechtelijke betwisting van de vordering door [gedaagde] , doch zowel uit het antwoord in rechte (met producties) als uit nadere opmerkingen en stukken van Hoist zelf in voortgezet debat blijkt dat dit onwaar, althans vergaand onvolledig was. Hoist gaat er evenwel in haar repliek van uit dat zij desverlangd de eindafrekening aan de (geheel) aan de realiteit (door [gedaagde] verstrekte meterstanden) aangepast heeft (volstaan is hier met verwijzing naar producties 5, 6 en 7). Voor wat betreft de aanname dat in de eindafrekening betaling van de voorschotten verondersteld wordt, verwijst Hoist in de repliek nog naar prod.8, een factuur van 19 september 2014 waarmee een correctie op de factuur van 24 juni 2014 is gegeven. De eigen berekening van [gedaagde] acht Hoist onjuist omdat deze van een verkeerde ‘startdatum’ uitgaat.

Volgens Hoist heeft zij (op basis van een abstracte beschrijving van haar incasso-activiteiten die zij uitdrukkelijk onderscheiden wenst te zien van daden van procesvoorbereiding en instructie van deze zaak) recht op vergoeding van buitengerechtelijke kosten naar de gebruikelijke maatstaf.

Hoist memoreerde in het exploot tot slot dat zij - als betwisting in rechte alsnog zou volgen - om proceseconomische redenen wenste af te zien van een verschijning ter zitting voor een comparitie van partijen.

het tegen de vordering gerichte verweer

Het verweer van [gedaagde] concentreert zich op de eindafrekening, die hij overigens verwart met de periodieke ‘jaarafrekening’ (maar voor het geschil als zodanig maakt dit niets uit). Hij acht deze onjuist (veel te hoog) omdat niet van de werkelijke meetgegevens uitgegaan is. Dit is al per brief van 30 augustus 2014 (prod.1) onder de aandacht van Essent gebracht. Tegelijk met dit bezwaar heeft [gedaagde] de op 29 juni 2014 genoteerde meterstanden (95 588 voor elektriciteit en 69 827 voor gas) doorgegeven en heeft hij op ‘betalingsuitstel’ in afwachting van een correctie aangedrongen (hetgeen een beroep op opschorting impliceerde). Naar aanleiding van e-mailverkeer heeft vervolgens in september 2014 nog telefooncontact tussen [gedaagde] en Essent plaatsgevonden, waarna [gedaagde] tevens netbeheerder Enexis met het oog op bijstelling van de elektrarekening geïnformeerd heeft (producties 2, 3 en 4). Omdat Essent volgens [gedaagde] (tevens) van onjuiste beginstanden uitging, zijn de volgens [gedaagde] correcte beginstanden van 90 880 voor elektra respectievelijk 69 377 voor gas (prod.5) in herinnering gegeven. Na 10 september 2014 heeft Essent echter niet meer van zich laten horen omtrent de verzoeken tot correctie van de twee energieposten, zodat een en ander bij brief van 12 december 2014 nog eens onder de aandacht van Essent gebracht is (prod.6).

[gedaagde] heeft een ‘eigen’ berekening doen opmaken (eveneens van het nummer 6 voorzien) die op een verschuldigd saldo van € 162,23 uitkomt en waarbij dan nog onbetaald gelaten voorschotten (tot een totaal van € 1 494,00?) opgeteld moeten worden. [gedaagde] blijft erbij dat hij zijn betalingen kan opschorten tot het moment dat Essent / Hoist de juiste omvang van de eindafrekening bepaald heeft. Onder verwijzing naar prod.7, een kopie van een factuur van ‘ITC B.V.’ ten bedrage van € 453,75, ‘verzoekt’ [gedaagde] om de kosten van die herberekening (extra) in mindering te doen komen op het aldus door de rechter vast te stellen bedrag van zijn schuld aan Hoist / Essent. Hij is van oordeel dat hij aldus slechts € 1 203,18 aan

‘Essent’ (Hoist) verschuldigd zal blijken te zijn en dat de schuldeiser de verdere kosten geheel voor eigen rekening dient te nemen. Dit bedrag is inmiddels gereserveerd en zal voldaan worden zodra ‘Essent accoord gaat’ (bedoeld zal zijn: zodra cessionaris Hoist akkoord gaat dan wel zich bij een rechterlijk oordeel van die aard en strekking neerlegt).

De beoordeling

Hoist schiet bij het in rechte voorleggen van deze gecedeerde vordering van Essent jegens [gedaagde] in tal van opzichten ernstig tekort in het aandragen van belangrijke ondersteunende elementen, zowel op het vlak van haar gemotiveerde stelplicht als ten aanzien van terstond in te brengen dan wel concreet in het vooruitzicht te stellen bewijs. Zelfs haar bewijsaanbod is niet toereikend omdat zij er mee volstaat bewijs door ‘alle middelen rechtens’ aan te bieden zonder dit aanbod ook maar enigszins naar onderwerp en bewijsmiddel te specificeren. De wijze waarop Hoist stoeit met haar verplichting de gepresenteerde feiten volledig en naar waarheid voor te dragen (art. 21 Rv), is beneden niveau, al is het maar omdat zij bij het voorleggen van de zaak onwaarheid spreekt door boudweg te ontkennen dat [gedaagde] de vordering buiten rechte tot het eind toe betwist heeft. Waar zij dan vervolgens in de repliek de indruk wekt volledig aan de wensen van [gedaagde] tot correctie van de eindrekening voldaan te hebben, negeert zij het gegeven dat zij slechts tot (een zekere) bijstelling van de gasafname maar niet van het in rekening gebrachte quotum elektriciteit overgegaan is.

De haar geboden herkansing bij repliek heeft Hoist weliswaar benut door veel stukken in te brengen, maar de toelichting daarop is minimaal (en in ieder geval op onderdelen lacuneus) en soms halfhartig (waar het gaat om de genegeerde onvolledigheid van haar reactie op bezwaren van [gedaagde] die zowel de kosten van gas als die van elektriciteit betroffen).

Het feit dat [gedaagde] met zijn dupliek te laat op de proppen kwam, betekent niet dat de aanvullende stellingen van Hoist bij repliek onweersproken gebleven zijn, nu aangenomen mag en zelfs moet worden dat [gedaagde] volhardt bij zijn bij antwoord geleverde verweer, dat op diverse onderdelen door de nadere stellingname van Hoist bepaaldelijk niet weerlegd is. Mede omdat van Hoist als repeat player en ook van haar professionele gemachtigde beter mag worden verwacht én verlangd, wordt haar de ontwijkende en ondoorzichtige processuele opstelling in die zin euvel geduid, dat daaraan gevolgen voor de beoordeling van de vordering als zodanig én de kostenaspecten verbonden zullen worden.

De informeel gemachtigde van [gedaagde] heeft bij antwoord weliswaar de indruk gewekt alsof Essent de schuldeiser te dezen is, maar omdat de bij exploot uitdrukkelijk gestelde cessie van de vorderingen van Essent jegens [gedaagde] aan Hoist in het geheel niet betwist is, zal van de rechtsgeldige overdracht van de vordering aan Hoist uitgegaan kunnen worden.

Niet ter discussie staat dat [gedaagde] voorschotten tot een totaalbedrag van € 1 245,00 jegens Essent onbetaald gelaten heeft en dus thans beginsel nog aan Hoist verschuldigd is: de vijf bij exploot opgesomde voorschotten van € 294,00 elk. Hoewel [gedaagde] het in zijn antwoord over een bedrag van € 1 494,00 aan voorschotten had (hetgeen zou neerkomen op zes maandbedragen), strookt dit niet met de opstelling van de vordering zoals Hoist die formuleert, zodat van een schuld van € 1 245,00 ter zake uitgegaan moet worden.

Of de eindafrekening 2014 resulteert in een (extra) verschuldigd bedrag van € 2 954,79 (aanvankelijke eindfactuur d.d. 20 augustus 2014), van € 1 993,64 (door de op 19 september 2014 toegepaste correctie van € 961,15 op uitsluitend de geregistreerde afname van gas), van € 162,23 (op basis van de eigen berekening van [gedaagde] of ‘ITC B.V.’) dan wel een totaal ander bedrag (misschien wel negatief of nihil) als ook de verminderde afname van elektriciteit in de berekening betrokken zou worden, valt niet met voldoende mate van precisie uit te maken. De eerste optie vervalt omdat Hoist die ook niet langer onderschrijft, terwijl de tweede onhoudbaar is omdat daarin slechts de gasafname in m³ gecorrigeerd werd, terwijl dit evident niet voldoende is. Tegen de derde optie pleit dat [gedaagde] niet uitdrukkelijk weersproken heeft dat hij al vanaf 4 januari 2014 energie van Essent is gaan afnemen, maar desondanks de twee beginstanden in zijn eigen berekening op 27 februari 2014 gesteld heeft. Dat laatste zal te maken hebben met het feit dat [gedaagde] op die datum (naar aanleiding van een verzoek d.d. 24 februari 2014 van Enexis) de standen van gas- en stroommeter in m³ en kWh doorgaf, maar daarmee kan nog niet zonder meer voor juist gehouden worden dat hij de geleverde energie pas vanaf die datum voor zijn rekening moest nemen. Omdat echter iedere concrete aanwijzing ontbreekt voor een alternatieve berekening (een vierde of zelfs een vijfde optie) op basis van de juiste / gemeten aantallen kilowatturen en kubieke meters die eventueel tussen 4 januari 2014 en 27 februari 2014 aan het leveringsadres bezorgd zijn, zal de kantonrechter deze door Hoist niet of onvoldoende betwiste berekening van de kant van [gedaagde] toch voor juist (althans het meest de werkelijkheid benaderend) houden. Een extra argument daarvoor is te ontlenen aan het feit dat er ook geen voorschotfactuur van januari / februari 2014 in de processtukken voorkomt, want de eerste factuur is die van 24-02-2014 met de aanduiding ‘voorschot maart 2014’.

Dit heeft tot gevolg dat [gedaagde] nog in totaal € 1 407,23 (€ 1 245,00 aan volgens Hoist onbetaald gelaten voorschotten en € 162,23 voor de naar de meting van [gedaagde] gecorrigeerde eindafrekening) aan Hoist schuldig is. De door [gedaagde] zelf toegepaste extra aftrek wegens buiten rechte gemaakte kosten ontbeert een deugdelijke motivering, terwijl bovendien geen tegenvordering ingesteld is waarop eventueel afzonderlijk beslist had moeten worden. Omdat voor een succesvol beroep op verrekening van een bedrag van € 453,75 dat [gedaagde] meent van Essent/Hoist te goed te hebben, derhalve te weinig vaststaat, zodat de juistheid van het verweer op dit punt niet op eenvoudige wijze vast te stellen is, zal de kantonrechter daaraan voorbijgaan (art. 6:136 BW).

Mede omdat [gedaagde] op goede gronden betaling van de onjuist gebleken eindrekening opgeschort blijkt te hebben, maar in ieder geval ook omdat Hoist ten enenmale faalde in het met voldoende mate van precisie en logica stellen en onderbouwen van enig buiten rechte aanwijsbaar betalingsverzuim aan de zijde van [gedaagde] , komen de beide nevenvorderingen van Hoist niet voor toewijzing in aanmerking. Het gaat dan om beweerdelijk gemaakte incassokosten en om vervallen geachte rente, posten die beide afhankelijk waren van het intreden van betalingsverzuim van [gedaagde] en die bovendien berekend waren aan de hand van een foutief gebleken hoofdsom.

Hoist had ter rechtvaardiging van haar beide nevenvorderingen duidelijk moeten maken op basis van welke feitenconstellatie zij van mening kon zijn dat / wanneer / hoe [gedaagde] buiten rechte in een situatie van betalingsverzuim geraakt is. Hoist laat echter zelfs in het midden of zulk verzuim voortvloeit uit het bestaan van een fatale betalingstermijn in de zin van art. 6:83 aanhef en sub a. BW (‘van rechtswege’) dan wel een gevolg is van een concreet aan te duiden ingebrekestelling (de hoofdweg van art. 6:82 BW). Als zij de opvatting mocht huldigen (die niet met zoveel woorden naar voren gebracht is !) dat de zes door haar aan de orde gestelde facturen van Essent een vervaltermijn of fatale termijn voor betaling bevatten in de zin van het eerstgenoemde wetsartikel, had zij daarvoor nadere stellingen moeten ontwikkelen en bijvoorbeeld de inrichting van de factuur en van de overeenkomst (al dan niet aangevuld met algemene voorwaarden) moeten bespreken, liefst aangevuld met documentatie die daarvan bevestiging levert. Anders dan Hoist lijkt te menen, is het immers niet de wanbetaling of het nalaten van enige betaling van de zijde van de debiteur als zodanig die / dat zulk verzuim zonder meer meebrengt. Voor ander verzuim van rechtswege ontbreekt in haar stellingen iedere aanwijzing.

Ten overvloede zij verder gememoreerd dat aan de eerder genoemde brief van 3 februari 2015 niet de betekenis gehecht kan worden die Hoist eraan wenst toe te kennen. Eerstens al niet omdat het gestelde ‘versturen’ daarvan nog niet de ontvangst door [gedaagde] met zich brengt en Hoist nergens stelt dat [gedaagde] die brief kent en dus ontvangen heeft. Art. 3:37 lid 3 BW verleent - zoals Hoist hoort te weten - slechts rechtseffect aan een verzonden wilsuiting als bedoeld in art. 3:33 BW als deze door de geadresseerde ontvangen is en vanaf het moment dat die ontvangst vaststaat. Met de veel te gebrekkig onderbouwde vorderingen tot betaling van vervallen geachte wettelijke rente en tot vergoeding van incassokosten kan Hoist in gemoede niet volhouden recht te kunnen uitoefenen op voldoening van bedragen van € 61,21 respectievelijk € 543,12 die zij wel in haar cijferopstelling meeneemt, noch op bedragen die afgestemd zijn op de thans toe te wijzen aanzienlijk lagere hoofdsom. De in het voorgaande (onder het kopje de vordering) uitvoerig weergegeven stellingen van Hoist op die onderdelen zijn absoluut ontoereikend en moeten zelfs als inconsistent en deels onlogisch aangemerkt worden. Omdat bovenop het ontbreken van een deugdelijke feitelijke grondslag komt dat Hoist nalaat een op het intreden van betalingsverzuim gericht specifiek bewijsaanbod te doen, moeten de nevenvorderingen terstond afgewezen worden en kan Hoist hoogstens recht doen gelden op wettelijke rente over de resterende hoofdsom vanaf 6 mei 2015, de datum waartegen [gedaagde] gedagvaard is. Betalingsverzuim aan de kant van [gedaagde] wordt immers geacht pas door de daad van dagvaarding ontstaan te zijn en wel per de datum waartegen [gedaagde] in rechte opgeroepen is.

Nu partijen over en weer in het ongelijk gesteld zijn, zullen - hoewel in het voorgaande besloten ligt dat [gedaagde] in wezen rauwelijks gedagvaard is - de proceskosten in het geheel gecompenseerd worden. Er bestond immers ter zake van de onbetaald gelaten voorschotten wel degelijk een opeisbare vordering van Essent/Hoist waarop [gedaagde] bedacht had behoren te zien en met de aflossing waarvan hij op zijn minst een begin had kunnen maken, zodat de billijkheid zich er tegen verzet dat in rechte aan zijn kant gemaakte kosten door Hoist vergoed zouden moeten worden.

De beslissing

De kantonrechter komt aldus tot het volgende oordeel:

- [gedaagde] wordt veroordeeld om aan Hoist tegen bewijs van kwijting een bedrag van in totaal € 1 407,23 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 7 mei 2015 tot de datum van volledige voldoening.

- De proceskosten worden in het geheel gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

- Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

- Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS