Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:8125

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
4284065 CV EXPL 15-6515
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:2831
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kortgeding: loonvordering na ontslag op staande voet toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1807
AR-Updates.nl 2015-0943
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 4284065 CV EXPL 15-6515

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 28 september 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonend aan de [adres 1] , [woonplaats 1] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. P.G.J.M. Boonen,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [naam zaak],

wonend aan de [adres 2] , [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. R.A.J. van der Leeuw.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de op voorhand toegezonden producties van [gedaagde]

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 13 augustus 2015.

1.2.

Vervolgens is de zaak aangehouden om partijen de gelegenheid te geven tot een minnelijke oplossing te komen.

1.3.

Bij brief van 11 september 2015 en op 14 september 2015 alhier ter griffie ontvangen vraagt de gemachtigde van [eiser] om vonnis te wijzen aangezien partijen er niet in geslaagd zijn tot een minnelijke oplossing te komen.

1.4.

Daarop is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij schriftelijke overeenkomst van 15 november 2013 (productie 3 bij dagvaarding) zijn [eiser] en [gedaagde] met ingang van 18 november 2013 een samenwerking aangegaan in de rechtsvorm vennootschap onder firma, handelend onder de naam [naam zaak] , met als doel het voor gezamenlijke rekening exploiteren van een horecabedrijf. Partijen hebben in dat verband op 15 november 2013 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het horecapand (productie 4 bij dagvaarding). Ieder van de vennoten zou kennis, arbeid, relaties en vergunningen voor zover deze op de door de vennootschap te drijven onderneming betrekking hebben inbrengen.

2.2.

In 2014 is [eiser] uit de vennootschap onder firma getreden. De door [eiser] in de onderneming gedane investeringen zijn omgezet in een geldlening aan [gedaagde] (productie 5 bij dagvaarding).

2.3.

[eiser] verricht sedert september 2014 werkzaamheden voor [gedaagde] .

2.4.

Bij brief van 27 februari 2015 (productie 7 bij dagvaarding) heeft [gedaagde] [eiser] op staande voet ontslagen. In de brief staat - voor zover relevant - vermeld:

Ten gevolge van gisteravond 26 februari en het slaan naar mij, delen wij u mede dat het dienstverband met u, met onmiddellijke ingang is beëindigd, ontslag op staande voet.

Eindafrekening van het salaris, vakantiegeld en eventuele vakantiedagen zal terstond na beëindiging van het dienstverband plaatsvinden.”

2.5.

Blijkens daarvan opgemaakt proces-verbaal van aangifte (productie 1 van de zijde van [gedaagde] ) heeft [gedaagde] met betrekking tot hetgeen op 26 februari 2015 is voorgevallen bij de politie verklaard:

“(…) vanuit het niets kreeg ik een klap in mijn gezicht. Ik zag dat [naam vader eiser] met een tot vuist gebalde hand, mij aan de linkerzijde van mijn gezicht raakte. (…) Ik wens aangifte te doen tegen [naam vader eiser] , ik heb hem niet het recht gegeven om mij in mijn gezicht te slaan.”

2.6.

De zoon van [gedaagde] , [naam zoon gedaagde] , heeft bij de politie verklaard (productie 1 van de zijde van [gedaagde] ):

“(…) Ik zag dat [naam vader eiser] mijn moeder ook een vuistslag gaf tegen de linkerzijde van haar gelaat. (…)”

2.7.

Bij brief van 14 april 2015 van zijn gemachtigde (productie 10 bij dagvaarding) heeft [eiser] de nietigheid van het ontslag ingeroepen, zich beschikbaar gesteld de bedongen arbeid te verrichten en aanspraak gemaakt op doorbetaling van het loon.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

  • -

    het loon van € 869,00 netto per maand over de periode van 27 februari 2015 tot aan de datum dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is beëindigd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,

  • -

    de (maximale) wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het niet althans te laat betaalde loon, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,

  • -

    de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente, en de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna - voor zover relevant - worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld moet worden dat de vordering, die strekt tot betaling van (achterstallig) loon, naar haar aard voldoende spoedeisend is. Voorts heeft [gedaagde] ook niet bestreden dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.

4.2.

In het kader van deze procedure dient beoordeeld te worden of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat gerechtvaardigd is daarop door toewijzing van de vorderingen vooruit te lopen. Daarbij moet de kantonrechter thans uitgaan van de voorshands vaststaande feiten met de beperkte toetsing daarvan (zonder nadere bewijsvoering) die in deze procedure in beginsel slechts mogelijk is.

4.3.

Tussen partijen is in geschil - een door beide partijen ondertekende schriftelijke overeenkomst ontbreekt - of [eiser] op basis van een arbeidsovereenkomst voor [gedaagde] werkzaam was. [gedaagde] betwist dat er tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Juridisch bezien bestaat tussen partijen onduidelijkheid over de kwalificatie van de arbeidsverhouding.

4.4.

Opgemerkt dient te worden dat partijen die een overeenkomst sluiten die strekt tot het verrichten van werk tegen betaling, deze overeenkomst op verschillende wijzen kunnen inrichten, en dat wat tussen partijen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Aan de hand van de op deze wijze vastgestelde inhoud van de overeenkomst kan de kantonrechter vervolgens bepalen of de overeenkomst behoort tot een van de in de wet geregelde bijzondere overeenkomsten. Voor de kwalificatie van een overeenkomst als arbeidsovereenkomst (artikel 7:610 BW) is, kort gezegd, vereist dat de overeenkomst alle vier elementen behelst die voor een arbeidsovereenkomst kenmerkend zijn, te weten ‘arbeid’, ‘loon’, ‘in dienst’ en ‘gedurende zekere tijd’.

4.5.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting door partijen is gesteld, leidt de kantonrechter af dat partijen ten tijde van het aangaan van de overeenkomst als doel voor ogen heeft gestaan dat [eiser] werkzaamheden zou verrichten voor [naam zaak] , zijnde de zaak van [gedaagde] . Blijkens de gedingstukken, met name de door [gedaagde] overgelegde productie 2, en de stellingen van partijen heeft [eiser] die werkzaamheden ook verricht van september 2014 tot en met februari 2015 (arbeid en gedurende zekere tijd). Naar het oordeel van de kantonrechter kan dan ook gezegd worden, dat de overeenkomst gericht was op het verrichten van werkzaamheden door [eiser] ten behoeve van [gedaagde] .

4.6.

De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat de overeenkomst het element ‘arbeid’ als hiervoor bedoeld behelst alsmede gekenmerkt wordt door het element ‘gedurende zekere tijd’. Het vereiste element ‘loon’ was derhalve ook aanwezig. [gedaagde] heeft [eiser] over de periode september 2014 tot en met februari 2015 daadwerkelijk loon betaald, zoals is af te leiden uit de verstrekte en als productie 2 overgelegde loonstroken over die perioden.

4.7.

De kantonrechter acht voorshands voldoende aannemelijk dat ook in dit geval sprake is geweest van een gezagsverhouding oftewel een instructiebevoegdheid van [gedaagde] bij het uitvoeren van de werkzaamheden door [eiser] . Zo is namens [gedaagde] ter zitting onder meer verklaard dat [eiser] zijn afwezigheid had dienen kort te sluiten met

[gedaagde] en blijkt uit het proces-verbaal van haar aangifte bij de politie dat zij [eiser] aansprak op het beweerdelijk niet goed verrichten van zijn werkzaamheden en op het te laat op het werk verschijnen.

4.8.

Het vorenoverwogene, in onderling verband en samenhang bezien, brengt de kantonrechter tot het oordeel dat er van kan worden uitgegaan dat partijen op een zodanige wijze feitelijk aan hun overeenkomst uitvoering, en aldus daaraan inhoud, hebben gegeven dat de door [eiser] verrichte arbeid door hem krachtens arbeidsovereenkomst is verricht.

4.9.

Uitgangspunt voor toewijzing van de loonvordering is dat voldoende aannemelijk moet zijn dat het ontslag op staande voet in een te voeren bodemprocedure geen stand zal houden, waarbij op [gedaagde] de last rust om aannemelijk te maken dat het ontslag op staande voet wél stand zal houden.

4.10.

Nu [eiser] tijdig de nietigheid ervan heeft ingeroepen, komt de kantonrechter toe aan de vraag of het ontslag op staande voet in rechte stand zal houden.

4.11.

Voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het ontslag is de kantonrechter gebonden aan hetgeen de werkgever aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd. Ook eerdere gedragingen/feiten kunnen meewegen bij de beoordeling of zich een dringende reden voordoet, mits de werknemer bij de ontslagaanzegging heeft kunnen of moeten begrijpen dat die eerdere - niet met zoveel woorden aangeduide - gedragingen meewegen.

4.12.

[gedaagde] heeft blijkens haar brief van 27 februari 2015 (productie 7 bij dagvaarding) aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [eiser] haar heeft geslagen. Uit de door [gedaagde] en haar zoon bij de politie afgelegde verklaringen blijkt dat de vader van [eiser] , [naam vader eiser] , [gedaagde] heeft geslagen. De reden die aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd, te weten dat [eiser] [gedaagde] geslagen heeft, kan dan ook geen standhouden.

[gedaagde] heeft ter zitting gesteld dat ook het te laat komen c.q. het niet komen opdagen op het werk aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd en verwijst daartoe naar de in de ontslagbrief vermelde zin “ten gevolge van gisteravond 26 februari en het slaan naar mij”. Deze daden/gedragingen waar [gedaagde] op doelt zijn niet in de ontslagbrief neergelegd. [gedaagde] heeft ook niet gesteld en onderbouwd dat het [eiser] bij ontslagverlening duidelijk moest zijn dat deze verweten gedragingen grond voor het ontslag waren. Daarbij komt verder dat voornoemde redenen in zijn geheel en derhalve niet tevens afzonderlijk aan het gegeven ontslag ten grondslag zijn gelegd. Dit brengt met zich dat alle vermeende gedragingen door [gedaagde] in het geheel bewezen moeten worden, wil het ontslag op staande voet standhouden. Nu niet is komen vast te staan dat [eiser] [gedaagde] geslagen heeft, ontvalt daarmee de gehele grondslag van het ontslag op staande voet. Dit betekent dat het ontslag op staande voet naar voorshands geoordeeld moet worden geen stand kan houden.

4.13.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [eiser] recht heeft op doorbetaling van loon vanaf 27 februari 2015. [gedaagde] meent dat dat niet het geval is tot 14 april 2015, omdat [eiser] toen pas de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen en zich beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van arbeid. Naar het oordeel van de kantonrechter doet zich vanaf 27 februari 2015 tot 14 april 2015 een situatie voor als bedoeld in artikel 7:628 lid 1 BW waarin het niet verrichten van de overeengekomen arbeid een oorzaak heeft die in redelijkheid voor rekening van werkgever ( [gedaagde] ) behoort te komen. Nog daargelaten dat [gedaagde] niet heeft onderbouwd dat het financieel slecht gaat met haar bedrijf - en [eiser] na 27 februari 2015 aldus niet meer zou zijn opgeroepen voor

werk - betreft dit eveneens een omstandigheid die voor rekening en risico van [gedaagde] behoort te komen. Het vorenstaande betekent dat [eiser] vanaf 27 februari 2015 recht heeft op loondoorbetaling. De vordering tot betaling van het loon vanaf 27 februari 2015 tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal eindigen zal dan ook worden toegewezen. Nu geen sprake is van een eenduidige omvang van de bedongen arbeid en het aantal door [eiser] te werken uren per week / maand verschilt, zal de kantonrechter zich bij de bepaling van de hoogte van het loon baseren op de door [gedaagde] in het geding gebrachte loonstroken en uitgaan van een referteperiode van zes maanden, te weten de maanden september 2014 tot en met februari 2015. Een langere referteperiode wordt gerechtvaardigd geacht nu deze periode zowel de drukke als de rustige maanden omvat. Dit betekent dat het netto loon per maand inclusief vakantiebijslag € 869,00 bedraagt.

4.14.

De gevorderde wettelijke verhoging zal eveneens - tot het gevraagde maximum van 50% - toegewezen worden omdat geen gronden aangevoerd zijn die tot matiging nopen.

De wettelijke rente is evenzeer toewijsbaar.

4.15.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 95,82
- griffierecht € 78,00
- salaris gemachtigde € 600,00

Totaal € 773,82

4.16.

De wettelijke rente over de proceskosten komt op de hierna in het dictum weergegeven wijze voor toewijzing in aanmerking.

4.17.

De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] binnen twee weken na betekening van dit vonnis te betalen een bedrag van € 869,00 netto per maand aan loon vanaf 27 februari 2015 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tussen partijen is beëindigd, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en het geheel (de optelsom) nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2015 tot aan de dag van algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 773,82, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf twee weken na betekening van het vonnis tot de dag van algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken.

Type: CJ