Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:7992

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-09-2015
Datum publicatie
22-09-2015
Zaaknummer
03/661181-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsminimum ex artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (unus testis nullus testis). Onvoldoende steunbewijs voor aanranding. Vergelijk HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3052 en conclusie mr. Knigge, ECLI:NL:PHR:2012:BY4834.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/661181-14

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 september 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.F.M. Geeratz, advocaat, kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 september 2015. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Voorts zijn ter terechtzitting verschenen: de getuige [getuige 1] en de minderjarige benadeelde partij [slachtoffer] , bijgestaan door haar moeder en een medewerker van slachtofferhulp Nederland.

Het onderzoek heeft plaatsgehad met bijstand van een tolk Farsi.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte in een periode van ongeveer anderhalve maand [slachtoffer] meermalen heeft aangerand.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde bewezen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer] voldoende steun vindt in de verklaringen van de getuigen [getuige 2] (aangeefsters vriendin) en [getuige 3] (aangeefsters moeder). De verklaringen van de verdachte en zijn vrouw, de ter terechtzitting gehoorde getuige [getuige 1] , acht de officier van justitie ongeloofwaardig en manipulatief.

De vordering van de officier van justitie strekt tot:

  • -

    het opleggen aan de verdachte van een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    het opleggen aan de verdachte van een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis;

  • -

    de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.030,35;

  • -

    de oplegging aan de verdachte van de schadevergoedingsmaatregel tot hetzelfde bedrag, subsidiair 20 dagen hechtenis.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de verdachte van het tenlastegelegde vrij te spreken. Hiertoe heeft zij de volgende twee uitdrukkelijk onderbouwde standpunten gevoerd.

1. Naast de verklaring van aangeefster is er geen enkel ander bewijsmiddel dat niet tot aangeefster is te herleiden. Zowel de verklaring van getuige [getuige 2] als de verklaring van getuige [getuige 3] mist zelfstandige bewijswaarde. Beide getuigen, die overigens pas vier respectievelijk vierenhalve maand na het doen van de aangifte zijn gehoord, hebben slechts verklaard wat zij van aangeefster hebben gehoord. Gelet hierop is er onvoldoende wettig bewijs om tot een bewezenverklaring te komen.

2. De verklaring van de aangeefster is ongeloofwaardig en onbetrouwbaar. De verdediging heeft dit met name gebaseerd op het feit dat de kans dat de verdachte, in de gevallen waarover de aangeefster heeft verklaard, op heterdaad zou worden betrapt veel te groot was. Het is niet geloofwaardig dat de verdachte een dergelijk risico heeft genomen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Inleiding

Op 29 november 2013 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan tegen de verdachte. De verdachte zou haar sinds haar verjaardag op 20 september 2013 diverse malen hebben aangerand. Aangeefster heeft verklaard over een viertal incidenten:

  1. Op de dag van haar verjaardag zou de verdachte haar bij binnenkomst op de mond hebben gezoend en even later, toen zij naar de woonkamer liep, van achteren bij haar borsten hebben gepakt.

  2. Een tijdje later was de aangeefster bij de verdachte thuis en zat zij op de bank. De verdachte zou naast haar zijn gaan zitten en zou haar truitje bij de hals naar beneden hebben getrokken. Bij het verlaten van de woning zou de verdachte haar kont hebben aangeraakt.

  3. Op een ander moment zou de verdachte haar, toen aangeefster in de woning van haar vader was, stevig hebben vastgepakt en haar een kus op het voorhoofd en een knuffel hebben gegeven.

  4. Begin november 2013 zou de verdachte naar de slaapkamer van de aangeefster zijn gegaan en haar hebben gevraagd om mee te gaan om zijn zoontje van het voetballen op te halen. Even later zou de verdachte haar op de overloop hebben vastgepakt en hebben proberen te zoenen. Tot viermaal toe zou hij hebben getracht met zijn tong in de mond van de aangeefster te komen. Na afloop zouden de afdrukken van zijn tanden in haar lip hebben gestaan.

De verdachte ontkent dat hij de aangeefster heeft aangerand.

3.3.2

Wettelijk kader

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen indien de feiten en omstandigheden waarover één getuige heeft verklaard op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad heeft daarom geen algemene regels gegeven over de toepassing van deze bepaling. (vergelijk HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452)

Uit voornoemd arrest van de Hoge Raad is bovendien af te leiden dat een verklaring van een aangever met daarbij een bewijsoverweging die ertoe strekt dat de verklaring van de aangever betrouwbaar is, niet voldoende is voor een bewezenverklaring.

Evenmin acht de Hoge Raad voldoende bewijs aanwezig als de verklaring van een aangever wordt gesteund door de verklaring van een getuige die, wat betreft de rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte, uitsluitend is gebaseerd op hetgeen de aangever hem of haar heeft medegedeeld. (zie HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3052)

3.3.3

Steunbewijs in deze zaak

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster voldoende wordt gesteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] . De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Ten aanzien van de situatie onder a.

De verklaring van de aangeefster wordt niet gesteund door de verklaring van de getuige [getuige 2] . Deze getuige heeft immers verklaard dat de aangeefster haar heeft verteld dat de verdachte haar wilde kussen op haar wang bij het weggaan (en dus niet heeft gekust op haar mond bij het binnenkomen). Voorts heeft zij niet verklaard dat (zij zou hebben gehoord dat) de verdachte aangeefsters borsten zou hebben betast.

De verklaring van de aangeefster wordt enigszins gesteund door de verklaring van de getuige [getuige 3] . Deze getuige heeft immers verklaard dat de aangeefster haar heeft verteld dat de verdachte aan haar zou hebben gezeten.

Gelet op voornoemd arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2014 is deze steun evenwel onvoldoende om tot een bewezenverklaring hiervan te komen.

Ten aanzien van de situatie onder b.

De verklaring van de aangeefster wordt niet gesteund door de verklaring van de getuige [getuige 2] . Deze getuige heeft over deze situatie immers niets verklaard.

De verklaring van de aangeefster wordt enigszins gesteund door de verklaring van de getuige [getuige 3] . Zij heeft immers verklaard dat aangeefster haar heeft verteld dat de verdachte aan haar kont had gezeten en aan haar blouse had getrokken om te kijken. Gelet op voornoemd arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2014 is deze steun evenwel onvoldoende om tot een bewezenverklaring hiervan te komen.

Ten aanzien van de situatie onder c.

De verklaring van aangeefster wordt niet gesteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] , nu geen van beiden over deze situatie heeft verklaard.

Ten aanzien van de situatie onder d.

De verklaring van de aangeefster wordt enigszins gesteund door de verklaring van de getuige [getuige 2] . Zij heeft immers verklaard dat de aangeefster haar heeft verteld dat de verdachte haar tegen een muur had geduwd ‘of zo’, in ieder geval er voor had gezorgd dat zij niet weg kon, en toen probeerde haar te kussen.

De verklaring van de aangeefster wordt voorts gesteund door de verklaring van de getuige [getuige 3] . Zij heeft immers verklaard dat de aangeefster haar heeft verteld dat de verdachte haar bij de handen had vastgehouden en had geprobeerd met haar te tongzoenen, waarbij hij aangeefster in haar lip had gebeten. Bovendien heeft zij verklaard dat de verdachte die bewuste dag naar boven is gegaan, naar de kamer van de aangeefster. Enige dagen later zag zij bovendien dat de lip van aangeefster een beetje opgezwollen was.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er in beginsel voldoende wettig bewijs is voor de aanranding onder situatie d. De verklaring van de aangeefster wordt immers gesteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] , waarbij de verklaring van de aangeefster op twee specifieke punten, te weten dat de verdachte naar boven is gegaan naar de slaapkamer van de aangeefster en de opgezwollen lip, steun vindt in de verklaring van de getuige [getuige 3] . Hiermee staat de verklaring van de aangeefster niet op zichzelf, maar is als het ware ingebed in een concrete context die bevestiging vindt uit andere bron. (vergelijk de conclusie van mr. Knigge, ECLI:NL:PHR:2012:BY4834)

Tegenover deze bewijsmiddelen staan echter de ontkennende verklaring van de verdachte en de verklaring van verdachtes vrouw, de getuige [getuige 1] . Beiden hebben verklaard dat de verdachte op het betreffende moment niet naar de slaapkamer van de aangeefsters is gegaan. Hij zou zelfs niet op de bovenverdieping zijn geweest.

Conclusie

Hoewel er op zich net voldoende wettig bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde voor zover dit is gebaseerd op de situatie onder d. heeft de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen niet de overtuiging dat de verdachte de aangeefster op de overloop van haar woning heeft aangerand. De rechtbank acht het bewijs hiervoor te mager. Voor wat betreft de opgezwollen lip die getuige [getuige 3] enige dagen later heeft gezien, geldt dat de rechtbank het vreemd vindt dat de getuige dit pas enige dagen later is opgevallen. Dat roept de vraag op of het wel gekomen is door het door aangeefster beschreven incident. Het dan resterende enkele feit dat getuige [getuige 3] heeft gezien dat verdachte naar boven is gegaan, is voor de rechtbank onvoldoende voor de overtuiging dat verdachte aangeefster ook heeft aangerand. De verklaring van getuige [getuige 2] is niet meer dan een herhaling van wat aangeefster haar heeft verteld. Alles afwegende heeft de rechtbank onvoldoende reden om meer geloof te hechten aan de verklaringen van de aangeefster en de getuige [getuige 3] dan aan de verklaringen van de verdachte en de getuige [getuige 1] .

De verklaring van de getuige [getuige 3] dat zij van aangeefsters werkgever heeft gehoord dat de verdachte vaker bij aangeefster in de winkel kwam zonder iets te kopen, acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet redengevend voor het bewijs.

Evenmin redengevend voor het bewijs is het feit dat de verdachte heeft verklaard dat hij weet waar de slaapkamer van de aangeefster is gesitueerd. Voor deze wetenschap heeft hij immers een geenszins ongeloofwaardige verklaring gegeven.

De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging dat is gebaseerd op de situatie onder d.

Gelet hierop en op het feit dat er onvoldoende wettig bewijs is om te komen tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde voor zover dit is gebaseerd op de situaties onder a., b. en c. zal de rechtbank de verdachte van de gehele tenlastelegging vrijspreken.

4 De benadeelde partij

4.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.301,39, te vermeerderen met de wettelijke rente, ter zake van het tenlastegelegde. Voorts vordert zij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a van het Wetboek van Strafvordering is de benadeelde partij in haar vordering alleen ontvankelijk indien aan de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, dan wel in geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Nu de verdachte van het tenlastegelegde zal worden vrijgesproken, zal de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Daar de verdachte zal worden vrijgesproken, zal de rechtbank evenmin de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde;

Benadeelde partij

  • -

    verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer] , wonende te [woonplaats] , niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Kleine, voorzitter, mr. H.H. Dethmers en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 september 2015.

Buiten staat

Mr. H.H. Dethmers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 20 september 2013 tot en met 07 november 2013 te Panningen en/of te Baarlo, in de gemeente Peel en Maas, meermalen, althans

eenmaal, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- knijpen in en/of aanraken en/of betasten en/of vastpakken van de billen en/of borsten van die [slachtoffer] en/of

- kussen van die [slachtoffer] en/of

- doende zijn zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer] te duwen en/of te brengen en/of

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- ( onverhoeds) (van achteren) benaderen van die [slachtoffer] en/of

- ( stevig en/of met kracht) slaan van zijn, verdachtes, armen om het bovenlichaam en/of de armen van die [slachtoffer] en/of (stevig en/of met kracht) vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) (stevig en/of met kracht) naar zich toe trekken en/of tegen zich aan trekken van die [slachtoffer] en/of

- ( onverhoeds) naar beneden trekken van een truitje, althans de (boven)kleding van die [slachtoffer] en/of

- ( met kracht) duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, mond en/of tong en/of tand(en) op/tegen de mond en/of de lip(pen) van die [slachtoffer] en/of bijten in een lip van die [slachtoffer] .