Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:7799

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
C/03/199315 / FA RK 14-3858
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Uitleg artikel 2 lid 1 Wet tijdelijk huisverbod en artikel 2 lid 2 sub c Besluit tijdelijk huisverbod. Beroep van eiser gegrond omdat hij niet zelf woonde in de betreffende woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 8 september 2015

Zaaknummer: C/03/199315/ FA/RK 14/3858

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: eiser,

advocaat mr. P.M.J. Graus, gevestigd te Heerlen;

tegen:

de burgemeester van de gemeente LANDGRAAF,

zetelend te Landgraaf,

verder te noemen: verweerder.

Belanghebbenden zijn:

- mevrouw [A.] (ex-vriendin eiser), en [B.] en [C.] (kinderen van eiser en mevrouw [A.]).

1 Ontstaan en loop van de procedure

1.1.

Bij besluit van 16 oktober 2014 heeft verweerder aan eiser een huisverbod opgelegd voor de woning aan de [adres] te [woonplaats] voor de periode van tien dagen en wel van 16 oktober 2014, 23:37 uur, tot 26 oktober 2014, 23:37 uur.

1.2.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 27 november 2014, ter griffie binnengekomen op 28 november 2014, beroep ingesteld en tevens een verzoek tot voorlopige voorzieningen ingediend.

1.3.

Bij mondelinge uitspraak van 28 november 2014 van deze rechtbank is het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht afgewezen.

1.4.

Verweerder heeft op 24 december 2014, ter griffie binnengekomen op 29 december 2014, een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5.

Op 12 mei 2015 en 30 juni 2015 is de mondelinge behandeling van de bodemprocedure aangehouden.

1.6.

Beide minderjarige kinderen zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Alleen de minderjarige [C.] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en zij is op 12 mei 2015 door de rechtbank gehoord.

1.7.

De mondelinge behandeling van de bodemprocedure heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2015 en daarbij zijn verschenen:

- eiser en mr. Graus;

- mr. A. van der Schraaff, vertegenwoordiger van de burgemeester van de gemeente

Landgraaf;

- mevrouw [X], juridisch medewerker van mr. Graus;

Mevrouw [A.] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 Overwegingen

2.1.

Eiser verzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen, met veroordeling van verweerder in de kosten van deze procedure. Eiser heeft daartoe in zijn beroepschrift en ter zitting - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Primair is het besluit niet bevoegd genomen. De burgemeester kan zijn bevoegdheid tot het verlenen van een tijdelijk huisverbod niet aan anderen delegeren en een mandaat of delegatie ontbreekt.

Subsidiair betreft het een besluit voor een woning die weliswaar mede in eigendom van eiser is, maar waar hij al jaren niet meer woont of verblijft. Eiser woont ergens anders en heeft geen sleutel van de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Eiser komt dagelijks met toestemming en op verzoek van mevrouw [A.] in die woning, maar hij is er alleen facilitair. Hij doet het huishouden, verzorgt de kinderen en laat de hond uit. Daarna gaat hij weer naar zijn eigen woning.

Meer subsidiair is eiser van oordeel dat de argumenten die de burgemeester en politie hanteren niet juist zijn. Het besluit is te summier en onjuist; de grondslag en bewijzen ontbreken, er was geen hoor en wederhoor en geen volledig onderzoek. De burgemeester en politie hebben eiser gediscrimineerd.

2.2.

Verweerder stelt zich in het verweerschrift en ter zitting - kort samengevat - op het standpunt dat het bestreden besluit terecht en op goede gronden is genomen. Verweerder heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en het verzoek om schadevergoeding af te wijzen.

Het besluit is bevoegdelijk door de loco-burgemeester genomen. Verweerder verwijst naar het besluit van 29 april 2014 van het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot de portefeuilleverdeling.

De grondslag voor het op 16 oktober 2014 opgelegde huisverbod aan eiser vormen de gegevens uit het op ambtsbelofte opgestelde Risicotaxatie instrument Huiselijk Geweld en het opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie van 16 oktober 2014. Vaststaat dat eiser mevrouw [A.] heeft geslagen met een koekenpan en dat mevrouw [A.] hieraan een op drie plaatsen gebroken kaak heeft overgehouden. Deze mishandeling heeft plaatsgevonden in het bijzijn van de dochters van eiser en mevrouw [A.]. Gelet op de feiten en omstandigheden bestond volgens verweerder een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van mevrouw [A.], dan wel bestond het ernstig vermoeden van dit gevaar. Het belang van eiser in deze, het contact met de achterblijvers en zijn hond, weegt niet op tegen het belang van de veiligheid van de achterblijvers.

Eiser staat weliswaar op een ander adres ingeschreven, maar is nagenoeg dagelijks in de woning van mevrouw [A.].

2.3.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod, hierna Wth, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt, behoudens verlenging, voor een periode van tien dagen.

2.4.

Ten aanzien van de primaire stelling van eiser overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 77, eerste lid, van de Gemeentewet bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester zijn ambt wordt waargenomen door een door het college aan te wijzen wethouder. In dit geval was hier sprake van en heeft wethouder [Y.], die bij besluit van 29 april 2014 als loco-burgemeester door het college is aangewezen, op grond van voornoemd artikel de burgemeester waargenomen en gebruik gemaakt van de bevoegdheid die de burgemeester conform artikel 2 Wth toekomt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de beschikking tot het opleggen van het huisverbod bevoegdelijk door de loco-burgemeester is genomen.

2.5.

Ten aanzien van de subsidiaire stelling van eiser overweegt de rechtbank dat eiser onweersproken heeft gesteld dat hij niet woont in de woning waarvoor het huisverbod geldt, dat hij daarvan geen sleutel heeft en dat hij geen relatie heeft met belanghebbende [A.]. Blijkens het sub 2.2 genoemde proces-verbaal heeft belanghebbende [A.] verklaard dat eiser niet in de betreffende woning woont.

Onweersproken heeft eiser gesteld dat hij uitsluitend met toestemming van belanghebbende [A.] bijna dagelijks in de woning is voornamelijk om de kinderen te verzorgen en dat hij daarna ook altijd weer de woning verlaat.

Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat eiser zelf niet woont in de betreffende woning en de rechtbank oordeelt daarom dat het huisverbod betrekking heeft op een persoon die daarvoor niet in aanmerking komt.

Verweerder heeft weliswaar onweersproken aangegeven dat eiser anders dan incidenteel in de woning verblijft, maar de rechtbank overweegt, mede gelet op artikel 2 lid 2 sub c van het Besluit tijdelijk huisverbod, dat de zinsnede in artikel 2 Wth ten aanzien van het “anders dan incidenteel in de woning verblijven” geen betrekking heeft op de persoon aan wie het huisverbod is gegeven doch op de personen wier veiligheid in gevaar is.

Gelet op het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat de burgemeester zich ten onrechte bevoegd heeft geacht tot het opleggen van een huisverbod. Dat betekent dat het beroep gegrond is en het besluit van de burgemeester dient te worden vernietigd.

2.6.

Nu het beroep gegrond zal worden verklaard zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt en de gemeente Landgraaf als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden.

De rechtbank bepaalt de proceskosten, begroot op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, x wegingsfactor 1 x € 490,-) op € 980,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De reis- en/of verletkosten zijn niet door eiser onderbouwd, zodat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Met betrekking tot de door eiser gevorderde vergoeding van de eigen bijdrage uit hoofde van de verleende toevoegingen overweegt de rechtbank dat in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht een limitatieve opsomming is gegeven van proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden gegeven en dat in vergoeding van de in verband met een afgegeven toevoeging te betalen bijdrage daarbij niet is voorzien.

Voor zover eiser nog heeft bedoeld een schadevergoeding te verzoeken, ziet de rechtbank geen aanleiding een dergelijke vergoeding toe te kennen, nu dat verzoek door eiser niet is onderbouwd.

3 Beslissing

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van de burgemeester van de gemeente Landgraaf van 16 oktober 2014;

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,00 en wijst de gemeente Landgraaf aan als de publiekrechtelijke rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden en bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten ad € 980,- aan de rechtsbijstandverlener dienen te worden voldaan;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 8 september 2015.

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep in stellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.