Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:7752

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-08-2015
Datum publicatie
14-09-2015
Zaaknummer
C-03-208578 - JE RK 15-1631
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek af te zien van wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige (1:265d lid 2,c BW juncto 1:265 d lid 4 BW). De moeder is niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Roermond

zaakgegevens : C/03/208578 / JE RK 15-1631

datum uitspraak: 10 september 2015

beschikking toestemming wijziging verblijfplaats


in de zaak van

[de moeder] , hierna te noemen de moeder,

gevestigd te [woonplaats moeder] .

betreffende

[de dochter], geboren op [geboortdedag] 2012 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [X] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

WILLIAM SCHRIKKER GROEP, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),

gevestigd te Amsterdam.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 9 juli 2015, per fax ingekomen bij de griffie op 9 juli 2015 om 21.16 uur, per post ingekomen bij de griffie op 16 juli 2015;

- het verzoek tot aanhouding van de zitting van 10 augustus 2015, ingekomen op 21 juli 2015;

-de brief van de GI d.d. 27 augustus 2015, bij de griffie ingekomen per fax op 27 augustus 2015 om 9.50 en ingekomen ter griffie per post op 28 augustus 2015.

1.2.

Op 31 augustus 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. Sneper,

- mevrouw [A] , vertegenwoordigster van de GI.

1.3.

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van de moeder haar pleitnotities voorgelezen en verzocht deze aan het proces-verbaal te hechten.

2 De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over [X] wordt uitgeoefend door de moeder.

2.2.

Bij beschikking van 24 juli 2015 is de ondertoezichtstelling van [X] verlengd tot 4 juli 2016.

2.3.

De kinderrechter heeft bij deze beschikking tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [X] in een pleeggezin verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3 Het verzoek

3.1.

De moeder heeft, voor zover hier van belang, verzocht de beslissing van de GI d.d. 25 juni 2015 te vernietigen en te beschikken dat [X] niet wordt verplaatst, alsmede het besluit van de GI te schorsen.

4 Het standpunt van belanghebbenden

De moeder

4.1.

Ter onderbouwing heeft de moeder aangevoerd dat de GI besloten heeft [X] in een perspectiefbiedend pleeggezin te plaatsen. De GI stelt dat de moeder niet heeft voldaan aan een aantal bodemeisen, waardoor de veiligheid van [X] bij de moeder niet kan worden gewaarborgd.

4.2.

De moeder is van mening dat het hier een besluit in de zin van artikel 1 lid 3 van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) betreft, aangezien het een besluit is met rechtsgevolg. De moeder kan daarom beroep instellen bij de rechtbank. Zij doet dit beroep op grond van artikel 1:265d lid 4 van het Burgerlijk Wetboek en vraagt de kinderrechter de machtiging gedeeltelijk in te trekken.

De GI heeft de moeder niet in de gelegenheid gesteld, middels een vooraankondiging, haar zienswijze weer te geven.

4.3.

De moeder heeft geen enkel vertrouwen in de GI, de GI gelooft de moeder niet. Er is sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel nu de GI onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vermeende kindermishandeling, op grond waarvan de GI heeft gemeend [X] in een perspectiefbieden pleeggezin te moeten plaatsen.

4.4.

Daarnaast stelt de moeder dat er sprake is van een strijd met het motiveringsbeginsel. De moeder voert daarbij aan dat de GI alle punten die zij aanvoert waarom [X] in een perspeciefbiedend pleeggezin moet worden geplaatst, niet voldoende heeft gemotiveerd. Uit de verslaglegging is niet gebleken dat [X] getuige is geweest van geweld.

De moeder geeft aan wel open te staan voor hulpverlening als de GI de moeder gelooft en een stappenplan zou bedenken om [X] middels een SOS traject weer thuis te

plaatsen. Ieder kind kan volgens de moeder een ongelukje krijgen en daarover kunnen afspraken worden gemaakt.

4.5.

Als laatste stelt de moeder dat er strijd is met het beginsel van belangenafweging. De kinderrechter dient, naast te beoordelen of de beslissing op een zorgvuldige wijze is ontstaan en van een deugdelijke motivering is voorzien, te beoordelen of het besluit strookt met de door artikel 3:4Awb voorgeschreven belangenafweging, waarbij het belang van het kind een eerste overweging vormt. De GI had eerst andere mogelijkheden dan overplaatsing moeten onderzoeken, namelijk door middel van een SOS traject een veiligheidsplan te maken om de veiligheid van [X] te waarborgen, alvorens over te gaan tot plaatsing van [X] in een definitief pleeggezin. In een perspectiefbiedend pleeggezin zal de omgang met de moeder nog meer worden teruggeschroefd waardoor [X] zich minder kan hechten aan de moeder, wat kan leiden tot oudervervreemding en ouderverstoting.

De GI

4.6.

De GI is van mening dat de verzoeken niet ontvankelijk verklaard dienen te worden nu deze niet binnen het door artikel 1: 264 lid 1 BW voorgeschreven termijn van twee weken zijn ingediend. Het besluit van de GI waartegen het verzoek zich richt is van 25 juni 2015 en het verzoek van de moeder is op 16 juli 2015 bij de rechtbank binnengekomen.

4.7.

De GI betwist dat er voorafgaand aan het besluit niet met de moeder gesproken zou zijn. Meermalen heeft de GI met de moeder gesproken over overplaatsing van [X] . De moeder wilde niet met de GI in gesprek en verwees de GI naar haar advocaat. [X] is in een crisisplaaggezin geplaatst. Dit is in principe voor de duur van 3 maanden, daarna dient een minderjarige overgeplaatst te worden, zodat de crisisplaats weer vrij komt voor een ander kind. [X] zit ondertussen nog steeds in het crisispleeggezin. De GI heeft toegezegd [X] niet te zullen overplaatsen tot er een uitspraak is van de kinderrechter in het onderhavige verzoek.

4.8.

De GI geeft aan dat het verblijf in een crisisopvanggezin niet langer kan duren. Er kan niet gewacht worden tot de moeder klaar is met het voeren van haar andere procedures. Daarom heeft de GI het besluit genomen [X] over te plaatsen. Een plaatsing in een perspectiefbiedend gezin betekent volgens de GI niet dat daardoor een minderjarige nooit meer thuis geplaatst kan worden.

De GI heeft regelmatig een bezoekmoment aan [X] afgesproken met de moeder, maar de moeder is slechts op 1 afspraak verschenen en heeft de overige afspraken afgezegd. De GI geeft aan dat de moeder niets met de GI wil bespreken. De GI heeft uiteindelijk de raad voor de kinderbescherming om een onderzoek naar een verderstrekkende maatregel verzocht.

5 De beoordeling

5.1.

Alvorens in te gaan op de standpunten van partijen heeft de kinderrechter vooreerst ambtshalve na te gaan of hij bevoegd is te oordelen over het geschil en de moeder mitsdien kan worden ontvangen in haar verzoek.

5.2.

Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Op grond van artikel 1:265d, lid 2 sub c Burgerlijk Wetboek (BW) kan de moeder als de met het gezag belaste ouder de GI verzoeken af te zien van krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige.

Op 18 juni 2015 heeft de GI aan de moeder kenbaar gemaakt de minderjarige van een crisisopvang pleeggezin over te plaatsen naar een perspectiefbiedend pleeggezin.

De moeder heeft op dit besluit niet inhoudelijk gereageerd, doch volstaan met verwijzing naar haar advocaat.

Door of namens de moeder is de GI niet verzocht af te zien van het besluit tot wijziging van de verblijfplaats. Nu bij de kinderrechter geen besluit op dit verzoek voorligt, kan het besluit van de GI van 25 juni 2015 niet worden aangemerkt als een beslissing uit hoofde van artikel 1:265d, lid 2 sub c BW en staat derhalve tegen de beslissing van de GI geen beroep open bij de kinderrechter.

5.3.

De kinderrechter zal daarom de moeder niet ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verklaart de moeder niet ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.G.C. Brants, in tegenwoordigheid van mr. C.J. de Looff-Pranger als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2015.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch