Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:7627

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
03/659186-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor: met bedreiging met geweld anderen te dwingen tot afgifte van autosleutels, diefstal met bedreiging met geweld van een personenauto, bedreiging met een vuurwapen van meerdere personen, waaronder twee verbalisanten, alsmede het voorhanden hebben van een vuurwapen.

Geen aanleiding de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen, de verweten gedragingen zijn volledig aan verdachte toe te rekenen.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest. Integrale toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659186-14

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 september 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

gedetineerd in de P.I. Zwolle

aan de Huub van Doornestraat 15 te 8013 NR Zwolle.

Raadsman is mr. M. van Dam, advocaat, kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 augustus 2015, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: door (bedreiging met) geweld anderen heeft gedwongen om autosleutels af te geven.

Feit 2 primair: met (bedreiging met) geweld een personenauto heeft gestolen.

Feit 2 subsidiair: een personenauto heeft gestolen door middel van valse sleutels.

Feit 3: een ander met een vuurwapen heeft bedreigd.

Feit 4: twee verbalisanten met een vuurwapen heeft bedreigd.

Feit 5: een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, mede gelet op de verklaringen van de getuige [getuige] , dit feit onvoldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen en verdachte hiervan vrijgesproken dient te worden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Ten aanzien van feit 1 en 2:

[slachtoffer 1] heeft het volgende verklaard:

Op 14 mei 2014 bevond ik mij in de keuken van mijn woning aan de [adres 1] te [woonplaats 1] . Ik zag en hoorde dat mijn dochter aan kwam lopen, zij riep: “Bel de politie, er staat iemand met een revolver voor het raam!”. Ik hoorde dat mijn man naar de hal liep, en dat op dat moment de ruit werd ingeslagen. Ik heb de sleutels van de witte Seat gepakt, ik heb deze aan de vrouw gegeven, deze stond nog buiten voor de voordeur met de ingeslagen ruit. Ik zag dat zij de revolver op mij gericht had, althans het was een blinkend klein voorwerp, wat mij opviel was dat er een dubbele loop op zat, twee boven elkaar. Mijn man zei: “Ze wil de sleutels van de Mitsubishi hebben!”. Mijn dochter gaf mij de reservesleutels van de Mitsubishi. Ik liep naar de gang en zei: “Geef mij die andere terug, tegelijk gooien!”. Ik hoorde haar toen zeggen: “Het wapen is geladen, dan moet ik overgaan tot!”. Ik gooide de sleutel over haar heen en zij gooide de sleutels niet terug. Ik doe bij deze aangifte van diefstal van mijn personenauto met het kenteken [kenteken] , merk Mitsubishi, type Spacestar.2

Ik heb de sleutelbos met daaraan die Seat sleutel van iemand van de politie in burger terug ontvangen. Ik hoorde van die politieman dat deze sleutelbos in de Mitsubishi was aangetroffen toen die vrouw daarmee een aanrijding had gehad. Aan deze sleutelbos zaten huissleutels en sleutels van het bedrijf.3

[slachtoffer 2] heeft het volgende verklaard:

Op 14 mei 2014 kwam ik thuis van het werk. Ik zag dat mijn dochter de keuken in kwam gelopen en ik hoorde dat mijn dochter zei: “Er staat iemand buiten die een pistool op mij gericht heeft”. Ik zag dat er een meisje voor de raam stond met een vuurwapen op mij gericht. Ik hoorde dat het meisje tegen mij riep: “Geef die autosleutels”, “Ik ga schieten”. Ik zag dat het meisje met het vuurwapen de bovenste ruit van de voordeur in sloeg. Ik zag dat het meisje nog steeds met gestrekte arm het vuurwapen op mij richtte. Ik hoorde dat het meisje tegen mij schreeuwde: “Ik moet de autosleutels hebben”, “Geef me de sleutel van de auto”. Ik zei toen tegen het meisje: “Je krijgt geen sleutel”. Ik hoorde dat het meisje dreigend tegen mij riep: “Ik ga schieten, hij is geladen”. Mijn vrouw heeft het meisje toen de autosleutel van de bestelbus gegeven. De vrouw had nog steeds het vuurwapen op ons gericht. Ik hoorde dat het meisje zei dat ze de sleutels van de zwarte auto moest hebben. Op dat moment stonden mijn vrouw en ik naast elkaar in de gang en richtte het meisje ook nu nog steeds het vuurwapen op ons. Mijn vrouw heeft toen de reservesleutel van onze Mitsubishi Space Star gepakt. Toen mijn vrouw de sleutel overgooide zag ik dat het meisje de sleutels van de bestelbus niet gooide. Het meisje is met deze sleutel naar de Mitsubishi gelopen. Ik zag dat het meisje ook nu binnen een paar seconden weer terug kwam richting de voordeur. Ik zag dat het meisje van boosheid de sleutel tegen onze garagepoort gooide. Ik hoorde dat het meisje riep: “Daar kan ik niks mee!”, “Ik ga schieten!”. Ik heb meteen de originele sleutel van de Mitsubishi gepakt en aan het meisje gegeven. Ook nu heeft het meisje constant het vuurwapen op mij en mijn vrouw gericht. Ik zag dat het meisje de oprit afreed in onze Mitsubishi. Ik zag dat het meisje in de richting van Montfort reed. Ik heb het meisje onder bedreiging van het vuurwapen de autosleutels gegeven.4

[slachtoffer 3] heeft het volgende verklaard:

Op 14 mei 2014 bevond ik mij in de woonkamer van mijn ouderlijke woning gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats 1] . Plotseling zag ik een vrouw aan komen lopen. Ik zag dat de vrouw iets in haar rechterhand vasthield en dit in mijn richting wees. Ik zag twee glimmende/zilverchroom kleurige rondjes boven elkaar. Ik zag dat deze persoon naar onze woning kwam toegelopen. Ik ben naar de keuken gerend. Ik hoorde de vrouw door het raam naar mij toe roepen. Ik zag dat ze met dat pistool in mijn richting dreigde. Ik hoorde een vrouwenstem roepen: “Ik schiet je, je gaat eraan, ik maak je dood, geef die sleutel schiet op!”.5 Toen ik mijn vader door de woonkamer hoorde lopen hoorde ik glasgerinkel van de voordeur. Ik hoorde een vrouwenstem schreeuwen: “Ik moet een auto, geef me sleutels, ik schiet, hij is geladen, ik ben genoodzaakt hem te gebruiken”. Ik zag mijn moeder een bos met sleutels door het kapotte raam naar buiten gooien. De vrouw zei dat ze met deze sleutels niks kon. De vrouw vroeg voor de sleutels van de zwarte (Mitsubishi) auto. Daarop heeft mijn moeder haar de reservesleutel van de Mitsubishi gegeven. Ik hoorde de vrouw schreeuwen: “Geef mij een andere sleutel, nu ben ik genoodzaakt deze te gebruiken”. Pap heeft haar toen de andere autosleutel gegeven. U toont mij een foto van een bos sleutels. Dit is de sleutelbos die als allereerste naar de vrouw toe gegooid werd. Dit is de sleutel van de witte Seat. Deze sleutelbos is diezelfde avond door een politieman in burger bij ons afgegeven.6

Verbalisant [verbalisant 1] heeft het volgende gerelateerd:

Op 14 mei 2014 omstreeks 15:15 uur kwam ik met collega’s [verbalisant 2] en

[verbalisant 3] ter plaatse op de Waarderweg in Sint Odiliënberg. Wij reageerden op de melding dat een vrouw in Sint Odiliënberg onder bedreiging van een vuurwapen een personenauto had weggenomen. Ik zag dat de verdachte [verdachte] , bloedend in haar linkerlies in het gras lag en verzorgd werd door personeel van de ter plaatse zijnde ambulancedienst.

Verdachte: [verdachte] (vrouw), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .7

Verbalisant [verbalisant 4] heeft het volgende gerelateerd:

Op 14 mei 2014 bevond ik mij op de Waarderweg te Montfort. Ik ontving het verzoek om te bezien of er bij de verdachte een sleutelbos was aangetroffen met hieraan in ieder geval een autosleutel van het merk Seat. Deze sleutelbos was van aangever [slachtoffer 2] en lag in het door [verdachte] ontvreemde voertuig. Ik heb in het ontvreemde voertuig gekeken en zag dat er bij de bestuurdersstoel, bij het koppelingspedaal, een bos sleutels lag. Ik zag dat deze sleutelbos voldeed aan de beschrijving zoals gegeven door aangever [slachtoffer 2] . Ik heb de sleutelbos overgedragen aan politieambtenaar [verbalisant 5] met het verzoek deze te retourneren aan de eigenaar.8

Verbalisant [verbalisant 5] heeft het volgende gerelateerd:

De sleutelbos van de eigenaar van de auto lag op de bodem van de auto, Mitsubishi, type Spacestar, gekentekend [kenteken] . Deze sleutelbos is aan mij overhandigd waarna ik ze terug heb gegeven aan de rechtmatige eigenaar, de heer [slachtoffer 2] .9

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 3:

[slachtoffer 4] heeft het volgende verklaard:

Vandaag, 14 mei 2014, ben ik omstreeks 14.53 uur te voet de [adres 1] opgelopen in de richting van de woning van mijn vriendin [slachtoffer 3] . Ik zag een meisje bij de Suzuki van mijn vriendin staan. Op 1,5 meter afstand van de woning zag ik de vader van [slachtoffer 3] in de gang staan, voor de doordeur. Op dat moment zei ik: “Wat is hier aan de hand”? Op dat moment zag ik dat het meisje zich omdraaide in mijn richting. Opeens zag ik dat het meisje een vuurwapen in haar hand had en deze met gestrekte arm in mijn richting wees. Ik hoorde dat het meisje riep: “Ik ga schieten”. Van schrik en van angst bleef ik hierop staan. Ik kon verder naar mijn idee ook geen kant op, zo dicht stond ik bij het meisje. Ik zag dat het meisje tegelijkertijd met sleutels bezig was. Ik zag dat het meisje opeens wegliep in de richting van de zwarte Mitsubishi van de ouders van [slachtoffer 3] . Op dat moment riep de vader van [slachtoffer 3] mij de woning binnen en ben ik snel naar binnen gegaan en de keuken in gegaan. Uiteindelijk hoorde ik een auto wegrijden. Van de bedreigingen door het meisje met het vuurwapen en dat ze riep: “Ik ga schieten” ben ik enorm geschrokken. Ik was ook ontzettend bang dat ze ook daadwerkelijk op mij of op de anderen zou gaan schieten.10

[slachtoffer 2] heeft het volgende verklaard:

Ik heb de originele sleutel van de Mitsubishi gepakt en aan het meisje gegeven. Ik zag vanuit de verte de vriend van mijn dochter, genaamd [slachtoffer 4] , aan komen lopen. Opeens zag ik dat [slachtoffer 4] vlakbij stond. Toen het meisje met de originele sleutel wegliep heb ik hem meteen binnen gelaten. Ik zag dat het meisje de oprit afreed in onze Mitsubishi. Ik zag dat het meisje in de richting van Montfort reed.11

Verbalisant [verbalisant 1] heeft het volgende gerelateerd:

Op 14 mei 2014 omstreeks 15:15 uur kwam ik met collega’s [verbalisant 2] en

[verbalisant 3] ter plaatse op de Waarderweg in Sint Odiliënberg. Wij reageerden op de melding dat een vrouw in Sint Odiliënberg onder bedreiging van een vuurwapen een personenauto had weggenomen. Ik zag dat de verdachte [verdachte] , bloedend in haar linkerlies in het gras lag en verzorgd werd door personeel van de ter plaatse zijnde ambulancedienst.

Verdachte: [verdachte] (vrouw), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .12

De rechtbank overweegt dat voor een veroordeling ter zake van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht vereist is dat de bedreiging van een zodanige aard is of onder zodanige omstandigheden is gedaan dat bij het slachtoffer redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Verdachte heeft met een vuurwapen in de richting van het slachtoffer gewezen en verdachte heeft geroepen: “Ik ga schieten”. De rechtbank acht het wijzen met een vuurwapen en het roepen van de woorden “Ik ga schieten” zonder meer bedreigend. Verdachte heeft door zo te handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zich bedreigd zou voelen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 4:

De rechtbank merkt het volgende op. Mevrouw [slachtoffer 5] heeft aangifte gedaan onder de naam [slachtoffer 5] , maar gebruikt als verbalisant de naam [slachtoffer 5] . Ook haar collega’s noemen haar [slachtoffer 5] . In het voegingsformulier van de benadeelde partij gebruikt zij de naam [slachtoffer 5] . Aldus wordt met mevrouw [slachtoffer 5] en mevrouw [slachtoffer 5] dezelfde persoon bedoeld.

Verbalisant [slachtoffer 5] heeft het volgende gerelateerd:

Op 14 mei 2014 omstreeks 14:50 uur kregen collega [slachtoffer 6] en ik de melding om samen met collega [verbalisant 6] en [verbalisant 7] met spoed te rijden naar de [adres 1] in Sint Odiliënberg. We kregen de opdracht om aan te rijden via de Waarderweg, Montfort. Ik zag op de Waarderweg in een bocht een zwarte auto tegen een boom aan staan. Ik zag een vrouwelijk persoon vanaf die zwarte auto richting het fietspad/berm lopen. Ik zag dat zij haar beiden armen gestrekt vooruit gestoken had, in onze richting. Ik zag dat de vrouw een vuurwapen in haar handen had. Ik zag dat dit vuurwapen een dubbele loop had. Ik zag dat die vrouw dit vuurwapen in mijn richting hield. Ik ben met getrokken vuurwapen, mijn dienstpistool, tussen het rechter portier en de a-stijl van de auto gaan staan. Ik stond gebukt. Ik richtte vervolgens mijn vuurwapen in de richting van die vrouw. Ik heb geroepen: “Politie laat dat wapen vallen. Laat vallen dat wapen of ik schiet”. Ik zag dat ze hier niet op reageerde. Op een bepaald moment zag ik dat zij een beweging met haar armen maakte, waarop ik me ernstig bedreigd voelde en ik op dat moment dacht dat zij zou schieten. Die vrouw had nog steeds haar vuurwapen gericht in mijn richting met haar beide armen gestrekt. Ik dacht toen gelijk: Zij of ik. Hierop heb ik gelijk geschoten. Ik heb gericht op het onderlichaam. Ik voelde me ernstig bedreigd op het moment dat ik schoot en ook kort voor dat moment.13

Verbalisant [slachtoffer 6] heeft het volgende gerelateerd:

Op 14 mei 2014 omstreeks 14:55 uur hoorde ik dat de centralist van de politiemeldkamer ons de opdracht gaf om naar Sint Odiliënberg te gaan, alwaar een vrouw onder bedreiging met een vuurwapen probeerde de sleutels van een auto afhandig te maken van de bewoners. Vervolgens kwam de melding dat de vrouw er daadwerkelijk in was geslaagd om een zwarte Mitsubishi personenauto weg te nemen. Ik bestuurde het politiedienstvoertuig. Op de bijrijderszitplaats zat mijn collega [slachtoffer 5] . Ik zag dat mijn collega’s [verbalisant 6] en [verbalisant 7] achter ons aan reden. Wij reden de bebouwde kom van Montfort uit in de richting van Sint Odiliënberg. Ik zag dat er rechts van de weg een zwarte personenauto stil stond. Ik zag dat deze personenauto bij een boom stond en dat er een persoon aan de bestuurderszijde stil stond. Ik zag dat het een vrouwspersoon was. Plotseling hoorde ik mijn collega [slachtoffer 5] naast mij uitroepen: “Dat is ze, vuurwapen”. Ik zag dat de verdachte vanaf haar voertuig op ons afgelopen kwam. Ik zag dat zij daarbij haar beide armen op borsthoogte en vanuit de schouders recht voor zich uit in onze richting uitgestrekt hield als had zij een tweehandige schiethouding aangenomen. Ik zag dat zij haar beide handen tegen elkaar aangedrukt hield en dat er vanuit die handen twee lopen van een vuurwapen op ons in ons dienstvoertuig gericht waren. Ik schrok daar behoorlijk van. Ik zag dat die vrouw de voorzijde van ons dienstvoertuig tot op enkele meters afstand genaderd was. Ik zag dat die vrouw haar vuurwapen voortdurend op ons gericht hield en daarmee beurtelings door de voorruit van ons voertuig op mij en mijn collega in dat voertuig richtte. Ik zag en hoorde dat mijn collega [slachtoffer 5] het voertuig kon verlaten. Ik zag dat de verdachte mij aankeek en met het vuurwapen op mij in de auto richtte door de voorruit. Ik werd daar ontzettend bang van. Ik dacht echt dat ik in mijn auto doodgeschoten zou worden. Het lukte mij om het voertuig te verlaten. Ik nam positie in links naast het voertuig onder dekking van stijl en het autoportier. Ik trok vervolgens mijn van dienstwege verstrekte dienstpistool uit mijn holster en richtte dat op het lichaam van de verdachte met het vuurwapen voor onze dienstauto. Ik schreeuwde haar toe: “Politie, aangehouden, laat vallen dat wapen, laat vallen dat wapen of ik schiet”. Ik heb dat kort achter elkaar nog twee keer herhaald. Ik zag dat die verdachte daar niet op reageerde. Integendeel: ik zag dat zij volhardde in het beurtelings op mij en mijn collega richten met dat vuurwapen. Ik ben door de bedreiging met het vuurwapen door de vrouwelijke verdachte onvoorstelbaar geschrokken. Ik dacht echt dat zij mij daar in mijn dienstauto zou doodschieten met haar vuurwapen.14

Verbalisant [verbalisant 7] heeft het volgende gerelateerd:

Op 14 mei 2014 omstreeks 14:55 uur kregen collega’s [slachtoffer 6] , [slachtoffer 5] , [verbalisant 6] en ik de melding om ons met spoed te begeven naar de [adres 1] te Sint Odiliënberg. Wij reden de manege gelegen aan de Waarderweg te Montfort voorbij. In de bocht zag ik een zwart, kleiner model voertuig staan. Ik zag dat een vrouw in donkere kleding hiervoor stond. Ik zag dat collega’s [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] uitstapten. Ik zag dat de vrouw haar armen strekte en dat ze iets zwarts vasthield in haar handen. Ik zag dat dit voorwerp een uitstekend deel had. Ik maakte hier uit op dat het een vuurwapen betrof. Ik zag dat de vrouw het voorwerp richtte in de richting van collega [slachtoffer 5] . Collega [verbalisant 6] en ik riepen hierop diverse malen: “Vuurwapen!”. Ik zag dat collega’s [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] uitstapten en vervolgens leken te schrikken en dekking zochten achter de portieren van hun dienstvoertuig.15

Verbalisant [verbalisant 6] heeft het volgende gerelateerd:

Op 14 mei 2014 omstreeks 14:55 uur ontving ik met collega [verbalisant 7] een melding om te gaan naar de [adres 1] te Sint Odiliënberg. Mijn collega en ik reden op de Waarderweg te Montfort. Wij zagen aan de rechterzijde een politievoertuig op de weg stil staan. Dit betrof het dienstvoertuig van collega’s [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] . Verder zag ik een zwart voertuig in de berm/fietspad stil staan. Ik zag dat een vrouw in de berm/fietspad stond. Ik zag dat zij haar beide armen/handen vooruit gestrekt hield. Ik zag dat deze vrouw in de richting keek van mijn collega’s [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] .16

Verbalisant [verbalisant 1] heeft het volgende gerelateerd:

Op 14 mei 2014 omstreeks 15:15 uur kwam ik met collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ter plaatse op de Waarderweg in Sint Odiliënberg. Ik zag dat de verdachte [verdachte] , bloedend in haar linkerlies in het gras lag en verzorgd werd door personeel van de ter plaatse zijnde ambulancedienst.

Verdachte: [verdachte] (vrouw), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .17

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de verbalisanten in strijd zijn met de verklaring van getuige [getuige] en dat enkel de verklaring van getuige [getuige] betrouwbaar is, omdat hij neutraal zou zijn. Verdachte heeft hieraan toegevoegd dat de verbalisanten liegen. De rechtbank verwerpt de stelling van verdachte dat de verbalisanten hebben gelogen. Dit is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. De verklaringen van de getuige [getuige] maken de verklaringen van de verbalisanten ook niet onbetrouwbaar, zoals door de raadsman is aangevoerd, omdat deze getuige niet alles heeft gezien, en hetgeen daar ter plekke gebeurde vanuit een andere perceptie in ogenschouw heeft genomen. [getuige] komt aan op zijn wielrenfiets en ziet een stilstaande auto op het fietspad waar hij aanvankelijk omheen wil fietsen, maar stopt alsnog als hij ziet dat de auto schade heeft en er rook uit komt. Op dat moment is er nog geen politie ter plaatse. Voorts heeft hij tijdens zijn waarneming niet de wetenschap die de agenten hebben van de situatie. Het gegeven dat deze getuige niet alles heeft gezien waarover een viertal verbalisanten verklaren, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verklaringen van deze verbalisanten onbetrouwbaar zijn. De rechtbank verwerpt het verweer.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 5:

Verbalisant [slachtoffer 5] heeft het volgende gerelateerd:

Op 14 mei 2014 omstreeks 14:50 uur kregen collega [slachtoffer 6] en ik de melding om samen met collega [verbalisant 6] en [verbalisant 7] met spoed te rijden naar de [adres 1] in Sint Odiliënberg. Ik zag op de Waarderweg te Montfort in een bocht een zwarte auto tegen een boom aan staan. Ik zag een vrouwelijk persoon vanaf die zwarte auto richting het fietspad/berm lopen. Ik zag dat de vrouw een vuurwapen in haar handen had. Ik zag dat dit vuurwapen een dubbele loop had. Op een bepaald moment zag ik dat die vrouw een beweging met haar armen maakte, waarop ik me ernstig bedreigd voelde en ik op dat moment dacht dat zij zou schieten. Hierop heb ik gelijk geschoten. Ik zag de vrouw vervolgens in elkaar zakken en op de grond vallen. Hierop ben ik samen met mijn collega [slachtoffer 6] naar de vrouw gelopen. Toen ik bijna bij haar was, zag ik rechts naast haar bovenlichaam in het gras het vuurwapen liggen. Ik heb het vuurwapen van die vrouw opgeborgen in het dashboard kastje van ons dienstvoertuig.18

Verbalisant [verbalisant 8] heeft het volgende gerelateerd:

Het pistool (BVH goednummer 792028, SIN AAGY6089NL) werd door mij nader omschreven en gecategoriseerd (de rechtbank merkt hierbij op dat uit hetgeen is gerelateerd op dossierpagina 8 blijkt dat het om het wapen gaat dat bij verdachte is aangetroffen).

Van origine is dit een gas-alarmpistool. Ik zag dat door transformatie dit pistool bestemd was om centraalvuur kogelpatronen van het kaliber 6,35 millimeter door de loop te verschieten.

Dit voorwerp is bestemd om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing.

Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.19

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank - evenals de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat wettig en overtuigend zal worden bewezen dat verdachte het onder feit 5 ten laste gelegde heeft begaan.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

1.

op 14 mei 2014 te Sint Odiliënberg met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van autosleutels, toebehorende aan genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat zij, verdachte,

- een pistool op genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gericht, en

- tegen deze [slachtoffer 1] heeft gezegd "Het wapen is geladen, dan moet ik overgaan tot." en

- tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd "Geef mij die autosleutels. Ik ga schieten." en

- de ruit van de voordeur van de woning [adres 1] heeft ingeslagen en

- tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd "Ik moet de autosleutels hebben. Geef me de sleutel van de auto." en

- tegen genoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd "Ik ga schieten, hij is geladen." en

- tegen deze [slachtoffer 2] heeft gezegd "Daar kan ik niks mee. Ik ga schieten." en

- tegen voornoemde [slachtoffer 3] heeft gezegd "Ik schiet je." en

- tegen genoemde [slachtoffer 3] heeft gezegd "Ik schiet je, je gaat eraan ik maak je dood, geef de sleutel schiet op.";

2 primair.

op 14 mei 2014 te Sint Odiliënberg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Mitsubishi, type Space Star, kenteken [kenteken] ), toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van

bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat zij, verdachte,

- een pistool op genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gericht, en

- tegen deze [slachtoffer 1] heeft gezegd "Het wapen is geladen, dan moet ik overgaan tot." en

- tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd "Geef mij die autosleutels. Ik ga schieten." en

- de ruit van de voordeur van de woning [adres 1] heeft ingeslagen en

- tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd "Ik moet de autosleutels hebben. Geef me de sleutel van de auto." en

- tegen genoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd "Ik ga schieten, hij is geladen." en

- tegen deze [slachtoffer 2] heeft gezegd "Daar kan ik niks mee. Ik ga schieten." en

- tegen voornoemde [slachtoffer 3] heeft gezegd "Ik schiet je." en

- tegen genoemde [slachtoffer 3] heeft gezegd "Ik schiet je, je gaat eraan ik maak je dood, geef de sleutel schiet op." ;

3.

op 14 mei 2014 te Sint Odiliënberg [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pistool gericht op genoemde [slachtoffer 4] en daarbij deze [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga schieten.";

4.

op 14 mei 2014 in de gemeente Roerdalen, [slachtoffer 5] (hoofdagent van politie) en [slachtoffer 6] (brigadier van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen gericht op voornoemde [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ;

5.

op 14 mei 2014 in de gemeente Roerdalen een wapen van categorie III onder I, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Afpersing, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Diefstal, voorafgegaan en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Een voortgezette handeling van feit 1.

Ten aanzien van feit 3:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 4:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Door de verdediging is bepleit dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De verdachte heeft verklaard dat zij ten tijde van het tenlastegelegde gedrogeerd is geweest.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportages van psycholoog

drs. S. Labrij en van psychiater dr. L.H.W.M. Kaiser alsmede de NIFP rapportage die is opgemaakt door de deskundigen A.T. Spangenberg, N. Moaddine en F.R. Kruisdijk naar aanleiding van de observatie van verdachte in het Pieter Baan Centrum.

Verdachte heeft in het Pieter Baan Centrum geweigerd mee te werken aan alle gedragskundige onderzoeken. Deze deskundigen hebben aangegeven dat zij geen eenduidige uitspraak kunnen geven over de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

Uit toxicologisch onderzoek door het NFI is gebleken dat in het bloed van de verdachte diverse stoffen, waaronder amfetamine, MDMA, MDA en benzodiazepinen, zijn aangetroffen die het bewustzijn/gedrag van de verdachte ten tijde van de bloedafname hebben beïnvloed. Het is een feit van algemene bekendheid dat de inname van stoffen, zoals die zijn aangetroffen in het bloed van de verdachte, al dan niet in combinatie, van invloed kunnen zijn op het bewustzijn en het gedrag. Uit voornoemde rapportages en ook uit de verklaringen van [naam opa verdachte] , opa van verdachte, komt naar voren dat het al sinds begin 2013 bergafwaarts ging met verdachte en niet pas rond de pleegdatum. Er zou meerdere malen sprake zijn geweest van auto-intoxicaties en er zijn eerder diverse medicijnen bij verdachte aangetroffen. Het door verdachte opgeworpen alternatieve scenario dat zij door een derde is gedrogeerd acht de rechtbank niet aannemelijk. Haar stelling is op geen enkele wijze nader onderbouwd en vindt voor het overige evenmin steun in het dossier. Uit het dossier volgt wel dat verdachte bekend was met verdovende middelen en medicijnen en het gebruik daarvan. De rechtbank houdt het ervoor dat de verdachte zelf verantwoordelijk is geweest voor haar intoxicatie als gevolg van een inname van een variatie aan drugs, mede gelet op haar verleden.

Alles overwegende, ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank is van oordeel dat de verweten gedragingen volledig aan verdachte zijn toe te rekenen.

Nu overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met het blanco strafblad van de verdachte, haar jonge leeftijd, haar persoonlijke omstandigheden en de verminderde toerekeningsvatbaarheid en om die redenen een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie geëist.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich op 14 mei 2014 schuldig gemaakt aan een reeks ernstige strafbare feiten. Verdachte is op de bewuste dag naar de woning van de familie [slachtoffers] gegaan en heeft hen daar bedreigd met een vuurwapen en op die manier gedwongen tot afgifte van autosleutels. Op weg naar de auto heeft zij ook de vriend van de dochter, die daar toevallig liep, met het vuurwapen bedreigd. Hierna is zij met de auto gevlucht en tegen een boom gereden. Ook de verbalisanten die als eerste ter plekke waren, werden door haar bedreigd met het vuurwapen. Deze verbalisanten hebben zich zo bedreigd gevoeld dat zij zich zelfs genoodzaakt voelden hun dienstwapen te gebruiken. Deze feiten hebben zeer ingrijpende gevolgen gehad voor de slachtoffers, zijnde de familie [slachtoffers] , de heer [slachtoffer 4] alsmede de betrokken verbalisanten, zoals onder meer ook is gebleken uit de inhoud van de door vijf slachtoffers opgestelde slachtofferverklaringen en de verklaring van slachtoffer [slachtoffer 5] ter zitting, gebruik makend van haar spreekrecht.

De rechtbank overweegt voorts dat vuurwapens meer en meer worden gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en zij vormen een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor een veilige samenleving. Daarom is rechtbank van oordeel dat streng moet worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van (vuur)wapens.

Uit de houding van verdachte ter terechtzitting en uit hetgeen zij aldaar heeft verklaard blijkt dat verdachte zich met betrekking tot het schietincident vooral bekommert over wat haarzelf is overkomen. Verdachte legt de schuld volledig buiten zichzelf.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het blanco strafblad van de verdachte en haar jonge leeftijd. De rechtbank ziet echter, anders dan de officier van justitie, geen enkele aanleiding tot opleggen van een deels voorwaardelijke straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor na te melden duur. Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

7.1

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

, wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] , heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de als gevolg van de hiervoor onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten geleden materiële en immateriële schade. Wegens materiële schade vordert zij € 81,91 en wegens immateriële schade € 1.900,00. Zij heeft daarnaast verzocht het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Tenslotte heeft zij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.1.1.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De verdediging heeft de vordering niet betwist en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.1.2.

Het oordeel van de rechtbank

Ten laste van de verdachte zijn de hiervoor ten laste gelegde feiten bewezen. Het zijn strafbare feiten en aan de verdachte zal ter zake van die feiten een straf worden opgelegd. Door die feiten is aan de benadeelde partij rechtstreeks schade toegebracht. De benadeelde is ontvankelijk in haar vordering.

Nu de materiële en immateriële schadeposten niet zijn betwist, acht de rechtbank de door [slachtoffer 1] gevorderde schade volledig voor toewijzing vatbaar.

Daarenboven merkt de rechtbank op dat, gelet op de aard van het bewezenverklaarde het een ervaringsregel is dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt, welke schade de rechtbank vaststelt op een bedrag van € 1.900,00.

De rechtbank zal de hiervoor genoemde schade vaststellen op een totaalbedrag van

€ 1.981,91. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal haar veroordelen tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de staat een bedrag van € 1.981,91, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 29 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] , zoals hierna in het dictum genoemd.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

7.2

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

, wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] , heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de als gevolg van de hiervoor onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten geleden materiële en immateriële schade. Wegens materiële schade vordert hij € 1.881,65 en wegens immateriële schade € 1.900,00. Hij heeft daarnaast verzocht het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Tenslotte heeft hij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2.1.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De verdediging heeft de vordering niet betwist en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.2.2.

Het oordeel van de rechtbank

Ten laste van de verdachte zijn de hiervoor ten laste gelegde feiten bewezen. Het zijn strafbare feiten en aan de verdachte zal ter zake van die feiten een straf worden opgelegd. Door die feiten is aan de benadeelde partij rechtstreeks schade toegebracht. De benadeelde is ontvankelijk in haar vordering.

Nu de materiële en immateriële schadeposten niet zijn betwist, acht de rechtbank de door [slachtoffer 2] gevorderde schade volledig voor toewijzing vatbaar.

Daarenboven merkt de rechtbank op dat, gelet op de aard van het bewezenverklaarde het een ervaringsregel is dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt, welke schade de rechtbank vaststelt op een bedrag van € 1.900,00.

De rechtbank zal de hiervoor genoemde schade vaststellen op een totaalbedrag van

€ 3.781,65. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal haar veroordelen tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de staat een bedrag van € 3.781,65, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 47 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 2] , zoals hierna in het dictum genoemd.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

7.3

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

, wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] , heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de als gevolg van de hiervoor onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten geleden materiële en immateriële schade. Wegens materiële schade vordert zij € 14,88 en wegens immateriële schade € 1.900,00. Zij heeft daarnaast verzocht het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Tenslotte heeft zij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.3.1.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De verdediging heeft de vordering niet betwist en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.3.2.

Het oordeel van de rechtbank

Ten laste van de verdachte zijn de hiervoor ten laste gelegde feiten bewezen. Het zijn strafbare feiten en aan de verdachte zal ter zake van die feiten een straf worden opgelegd. Door die feiten is aan de benadeelde partij rechtstreeks schade toegebracht. De benadeelde is ontvankelijk in haar vordering.

Nu de materiële en immateriële schadeposten niet zijn betwist, acht de rechtbank de door [slachtoffer 3] gevorderde schade volledig voor toewijzing vatbaar.

Daarenboven merkt de rechtbank op dat, gelet op de aard van het bewezenverklaarde het een ervaringsregel is dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt, welke schade de rechtbank vaststelt op een bedrag van € 1.900,00.

De rechtbank zal de hiervoor genoemde schade vaststellen op een totaalbedrag van

€ 1.914,88. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal haar veroordelen tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de staat een bedrag van € 1.914,88, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 29 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 3] , zoals hierna in het dictum genoemd.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

7.4

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

, wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] , heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de als gevolg van de hiervoor onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten geleden immateriële schade. Hij vordert een bedrag van € 800,00. Hij heeft daarnaast verzocht het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Tenslotte heeft hij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.4.1.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De verdediging heeft de vordering niet betwist en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.4.2.

Het oordeel van de rechtbank

Ten laste van de verdachte zijn de hiervoor ten laste gelegde feiten bewezen. Het zijn strafbare feiten en aan de verdachte zal ter zake van die feiten een straf worden opgelegd. Door die feiten is aan de benadeelde partij rechtstreeks schade toegebracht. De benadeelde is ontvankelijk in haar vordering.

Nu de immateriële schadepost niet is betwist, acht de rechtbank de door [slachtoffer 4] gevorderde schade volledig voor toewijzing vatbaar.

Daarenboven merkt de rechtbank op dat, gelet op de aard van het bewezenverklaarde het een ervaringsregel is dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt, welke schade de rechtbank vaststelt op een bedrag van € 800,00.

De rechtbank zal de hiervoor genoemde schade vaststellen op een totaalbedrag van

€ 800,00. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal haar veroordelen tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de staat een bedrag van € 800,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 16 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 4] , zoals hierna in het dictum genoemd.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

7.5

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

, domicilie kiezende te 5900 AB Venlo, Postbus 52, heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de als gevolg van het hiervoor onder 4 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade. Zij vordert een bedrag van € 1.500,00.

7.5.1.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft de vordering niet betwist en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.5.2.

Het oordeel van de rechtbank

Ten laste van de verdachte zijn de hiervoor ten laste gelegde feiten bewezen. Het zijn strafbare feiten en aan de verdachte zal ter zake van die feiten een straf worden opgelegd. Door die feiten is aan de benadeelde partij rechtstreeks schade toegebracht. De benadeelde is ontvankelijk in haar vordering.

Nu de immateriële schadepost niet is betwist, acht de rechtbank de door [slachtoffer 5] gevorderde schade volledig voor toewijzing vatbaar.

Daarenboven merkt de rechtbank op dat, gelet op de aard van het bewezenverklaarde het een ervaringsregel is dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt, welke schade de rechtbank vaststelt op een bedrag van € 1.500,00.

De rechtbank zal de hiervoor genoemde schade vaststellen op een totaalbedrag van

€ 1.500,00. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal haar veroordelen tot betaling van dat bedrag.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de staat een bedrag van € 1.500, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 25 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 5] , zoals hierna in het dictum genoemd.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

7.6

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

, domicilie kiezende te 5900 AB Venlo, Postbus 52, heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de als gevolg van het hiervoor onder 4 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade. Hij vordert een bedrag van € 1.500,00.

7.6.1.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft de vordering niet betwist en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.6.2.

Het oordeel van de rechtbank

Ten laste van de verdachte zijn de hiervoor ten laste gelegde feiten bewezen. Het zijn strafbare feiten en aan de verdachte zal ter zake van die feiten een straf worden opgelegd. Door die feiten is aan de benadeelde partij rechtstreeks schade toegebracht. De benadeelde is ontvankelijk in haar vordering.

Nu de immateriële schadepost niet is betwist, acht de rechtbank de door [slachtoffer 6] gevorderde schade volledig voor toewijzing vatbaar.

Daarenboven merkt de rechtbank op dat, gelet op de aard van het bewezenverklaarde het een ervaringsregel is dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt, welke schade de rechtbank vaststelt op een bedrag van € 1.500,00.

De rechtbank zal de hiervoor genoemde schade vaststellen op een totaalbedrag van

€ 1.500,00. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal haar veroordelen tot betaling van dat bedrag.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de staat een bedrag van € 1.500, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 25 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 6] , zoals hierna in het dictum genoemd.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 56, 57, 285, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] , ten aanzien van feit 1 en feit 2 toe;

  • -

    veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van 1.981,91 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van 1.981,91 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening, subsidiair 29 dagen hechtenis ten behoeve van voornoemd slachtoffer met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van 1.981,91 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] , ten aanzien van feit 1 en feit 2 toe;

  • -

    veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van 3.781,65 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van 3.781,65 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening, subsidiair 47 dagen hechtenis ten behoeve van voornoemd slachtoffer met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van 3.781,65 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] , ten aanzien van feit 1 en feit 2 toe;

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van 1.914,88 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van 1.914,88 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening, subsidiair 29 dagen hechtenis ten behoeve van voornoemd slachtoffer met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van 1.914,88 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4], wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] , ten aanzien van feit 3 toe;

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van 800,00 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van 800,00 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening, subsidiair 16 dagen hechtenis ten behoeve van voornoemd slachtoffer met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van 800,00 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5], domicilie kiezende te 5900 AB Venlo, Postbus 52, ten aanzien van feit 4 toe;

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van 1.500,00 euro;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van 1.500,00 euro, subsidiair 25 dagen hechtenis ten behoeve van voornoemd slachtoffer met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van 1.500,00 euro ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6], domicilie kiezende te 5900 AB Venlo, Postbus 52, ten aanzien van feit 4 toe;

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van 1.500,00 euro;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van 1.500,00 euro, subsidiair 25 dagen hechtenis ten behoeve van voornoemd slachtoffer met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van 1.500,00 euro ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Kleine, voorzitter, mr. S. Pelsser en mr. J. Iding, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 september 2015.

Mr. J. Iding is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 14 mei 2014 te Sint Odiliënberg, in elk geval in de gemeente Roerdalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer autosleutels, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat, zij, verdachte

- een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gericht, althans getoond en/of

- tegen deze [slachtoffer 1] heeft gezegd "Het wapen is geladen, dan moet ik overgaan tot." en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd "Geef mij die autosleutels. Ik ga schieten." en/of

- de ruit van de voordeur van de woning [adres 1] heeft ingeslagen en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd "Ik moet de autosleutels hebben. Geef me de sleutel van de auto." en/of

- tegen genoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd "Ik ga schieten, hij is geladen." en/of

- tegen deze [slachtoffer 2] heeft gezegd "Daar kan ik niks mee. Ik ga schieten." en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer 3] heeft gezegd "Ik schiet je." en/of

- tegen genoemde [slachtoffer 3] heeft gezegd "Ik schiet je, je gaat eraan ik maak je dood, geef de sleutel schiet op." ;

2.

zij op of omstreeks 14 mei 2014 te Sint Odiliënberg, in elk geval in de gemeente Roerdalen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Mitsubishi, type Space Star, kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat, zij, verdachte,

- een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gericht, althans getoond en/of

- tegen deze [slachtoffer 1] heeft gezegd "Het wapen is geladen, dan moet ik overgaan tot." en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd "Geef mij die autosleutels. Ik

ga schieten." en/of

- de ruit van de voordeur van de woning [adres 1] heeft ingeslagen en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd "Ik moet de autosleutels hebben. Geef me de sleutel van de auto." en/of

- tegen genoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd "Ik ga schieten, hij is geladen." en/of

- tegen deze [slachtoffer 2] heeft gezegd "Daar kan ik niks mee. Ik ga schieten." en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer 3] heeft gezegd "Ik schiet je." en/of

- tegen genoemde [slachtoffer 3] heeft gezegd "Ik schiet je, je gaat eraan ik maak je dood, geef de sleutel schiet op." ;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 14 mei 2014 te Sint Odiliënberg, in elk geval in de gemeente Roerdalen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Mitsubishi, type Space Star kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

3.

zij op of omstreeks 14 mei 2014 te Sint Odiliënberg, in elk geval in de gemeente Roerdalen, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht op, althans getoond aan genoemde [slachtoffer 4] en/of

(daarbij) deze [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga schieten." althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

zij op of omstreeks 14 mei 2014 te Sint Odiliënberg, in elk geval in de gemeente Roerdalen,

[slachtoffer 5] (hoofdagent van politie) en/of [slachtoffer 6] (brigadier van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht op, althans getoond aan voornoemde [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] ;

5.

zij op of omstreeks 14 mei 2014 te Sint Odiliënberg, in elk geval in de gemeente Roerdalen, een wapen van categorie III onder I, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2014041672, gesloten d.d. 27 juni 2014, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 258.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 14 mei 2014, pagina’s 16 tot en met 19.

3 Proces-verbaal van verhoor benadeelde d.d. 21 mei 2014, pagina’s 20 tot en met 24.

4 Proces-verbaal van aangifte d.d. 14 mei 2014, pagina’s 25 tot en met 28.

5 Proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d.14 mei 2014, pagina’s 29 en 30.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 mei 2014, pagina’s 31 tot en met 37.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 mei 2014, pagina’s 61 en 62.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 mei 2014, pagina’s 66 en 67.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 mei 2014, pagina 69.

10 Proces-verbaal verhoor aangever d.d. 14 mei 2014, pagina’s 38 en 39.

11 Proces-verbaal van aangifte d.d. 14 mei 2014, pagina 27.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 mei 2014, pagina’s 61 en 62.

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 mei 2014, pagina’s 42 en 43.

14 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 mei 2014, pagina’s 46 tot en met 49.

15 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 mei 2014, pagina’s 55 en 56.

16 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 mei 2014, pagina’s 57 en 58.

17 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 mei 2014, pagina’s 61 en 62.

18 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 mei 2014, pagina’s 42 en 43.

19 Proces-verbaal Onderzoek wapen d.d. 19 mei 2014, pagina’s 103 tot en met 112.