Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:7626

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
03/866218-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid zoals bedoeld in artikel 6 WVW.

Verdachte heeft, gelet op het tijdstip en de drukte ter plaatse (spitsuur) en gelet op het feit dat haar zicht naar rechts werd beperkt, zichzelf door niet te stoppen dan wel de snelheid te verminderen de mogelijkheid ontnomen om ter hoogte van de haaientanden voor het (brom)fietspad goed naar rechts te kijken. Hierdoor heeft verdachte de fietser over het hoofd gezien en haar geen voorrang verleend waardoor de aanrijding is ontstaan. Dit is naar het oordeel van de rechtbank de eerste verkeersfout die verdachte heeft gemaakt.

Vervolgens is verdachte, toen zij bemerkte dat zij iemand had aangereden met de bus, de kruising verder opgereden waarbij zij de fietser heeft meegesleurd en is verdachte pas aan de overkant van de weg tegen een boom tot stilstand gekomen. Verdachte heeft met andere woorden geen noodstop gemaakt, hetgeen van haar als buschauffeur verwacht mocht worden, maar is gewoon door blijven rollen met de bus. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee een tweede verkeersfout heeft gemaakt.

Verdachte wordt veroordeeld tot een maximale taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, te vervangen door honderdtwintig dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van een (1) jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/866218-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 september 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

Raadsman is mr. L.E.M. Hendriks, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 augustus 2015, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1 primair: met een door haar bestuurde autobus een aan haar schuld ter wijten ongeval heeft veroorzaakt, waarbij een ander om het leven is gekomen.

Feit 1 subsidiair: met een door haar bestuurde autobus een ongeval heeft veroorzaakt door gevaarlijk rijgedrag, waarbij een ander om het leven is gekomen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. Er is daarbij sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), met de dood van [slachtoffer] tot gevolg. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich minimaal aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen door niet goed te kijken, geen voorrang te verlenen aan het slachtoffer [slachtoffer] , niet te stoppen voor de haaientanden en na de aanrijding niet te doen wat van iedere bestuurder, zeker van een professionele bestuurder, mag worden verwacht. Na de aanrijding had de verdachte de bus immers tot stilstand moeten brengen of de ingezette manoeuvre naar links moeten afmaken.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De mogelijkheid bestaat dat het slachtoffer vanaf het eerste moment waarop verdachte is gaan kijken tot vlak voor de aanrijding steeds in een voor verdachte bestaande dode hoek heeft gezeten en niet zichtbaar voor de verdachte is geweest. Dit kan hebben veroorzaakt dat de verdachte het slachtoffer, hoewel zij heeft gekeken, niet heeft gezien. De verdediging heeft gesteld dat ten aanzien van dit punt geen sprake kan zijn van zeer of aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid. Voorts heeft de verdediging gesteld dat onduidelijk is gebleven waarom de bus niet tot stilstand is gekomen of geen vaart heeft geminderd en dat ook ten aanzien van dit punt geen sprake kan zijn van zeer of aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De feiten 1

Op dinsdag 23 september 2014 omstreeks 17:25 uur heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op de T-kruising van de P. Debeyelaan met de Johan Willem Beyenlaan en de Joseph Bachlaan te Maastricht.2

Verdachte reed als bestuurster van een (Veolia) autobus over de P. Debeyelaan, komende uit de richting van de Oeslingerbaan en rijdende in de richting van de T-kruising met de Johan Willem Beyenlaan en de Joseph Bachlaan. Verdachte wilde bij genoemde T-kruising linksaf slaan naar de Johan Willem Beyenlaan.

[slachtoffer] , reed op een fiets over het verplichte (brom)fietspad behorende bij de Joseph Bachlaan en rijdende in de richting van de T-kruising met de P. Debeyelaan en de Johan Willem Beyenlaan. Zij wilde bij genoemde T-kruising rechtdoor over het verplichte (brom)fietspad rijden naar de Johan Willem Beyenlaan.

Het verkeer rijdende op de P. Debeyelaan is verplicht voorrang te verlenen aan de bestuurders die rijden over de Johan Willem Beyenlaan en de Joseph Bachlaan en het daarbij behorende (brom)fietspad. Dit wordt aangeduid met het bord B6 en er zijn haaientanden aangebracht voor het kruisingsvlak op de rijbaan van de P. Debeyelaan.

Uit de camerabeelden3 van de beveiligingscamera uit de bus blijkt dat verdachte de autobus tot stilstand heeft gebracht ter hoogte van de bushalte gelegen kort voor de T-kruising. Verdachte is vervolgens vanuit stilstand met een normale acceleratie opgetrokken. Enkele seconden later is op de beelden te zien dat een mannelijke passagier in de bus iets waarneemt waardoor zijn aandacht wordt getrokken. Hij kijkt rechts uit het raam in de richting van de voorzijde van de autobus. Op de beelden is te zien dat de bus een schommelende beweging maakt, doorrolt en enkele seconden later aan de overzijde van de straat tot stilstand komt.

Uit de VerkeersOngevallenAnalyse (hierna: VOA) volgt dat de bus op het kruisingsvlak frontaal met de voorzijde rechts tegen de linker flank van de fiets is gebotst4 en dat de fiets op enig moment is overreden met het rechter voorwiel van de bus, waarna de bestuurster en haar fiets over een aanzienlijke afstand door de bus zijn meegesleept. De bestuurster van de fiets is ten gevolge hiervan ter plaatse overleden.5 De voorwielen van de bus stonden naar links ingedraaid bij het aantreffen van het voertuig op de plaats van het ongeval.

In de VOA6 staat vermeld dat de fietser vermoedelijk niet zou zijn overreden door het rechtervoorwiel van de bus en dat het opgelopen letsel vermoedelijk beduidend geringer zou zijn geweest wanneer verdachte, nadat zij de aanrijding had bemerkt, krachtig had afgeremd en een (nood)stop) had uitgevoerd. De bus was dan binnen een geringe afstand tot stilstand gekomen.

Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen dat de reminrichting van de betrokken autobus ten tijde van het ongeval niet naar behoren functioneerde.7 Bij de uitgevoerde rij- en remproeven met de autobus zijn geen bijzonderheden, in de zin van afwijkingen in het rij-, weg-, stuur- en remgedrag vastgesteld.8

Het zicht9 naar rechts werd voor verdachte bij nadering van de T-kruising beperkt door het oplopende talud en de abri op de stoep aan de rechterkant kort voor de T-kruising. Ter hoogte van de haaientanden voor het (brom)fietspad werd het zicht naar rechts niet beperkt. Het zicht naar de voorzijde rechts en naar rechts werd voor verdachte beperkt door de rechter A-stijl en de beide stijlen in de klapdeuren van de bus.

Verdachte10 heeft verklaard dat ze bij de bushalte, een paar meter voor de T-kruising, is gestopt en passagiers heeft laten instappen. Vervolgens is ze langzaam opgetrokken. Tijdens het rustig aanrijden naar de kruising kon ze al zien dat er zowel van links als van rechts geen verkeer aan kwam. Verdachte heeft de bus toen langzaam laten doorrollen. Op het moment dat ze het fietspad over was zag verdachte in een flits, rechtsvoor, een meisje voor de bus. Verdachte heeft verklaard dat ze meteen heeft geremd, maar dat er niets gebeurde. De bus bleef doorrollen. De bus is aan de overkant van de straat tegen een boom tot stilstand gekomen. Verdachte heeft de bus toen onmiddellijk op de handrem gezet. De bus bleef toen stilstaan. Verdachte heeft verder nog verklaard dat ze ter plaatse bekend was.

Getuige [getuige]11 heeft verklaard dat zij een paar meter achter [slachtoffer] fietste en dat zij zag dat [slachtoffer] ter hoogte van de kruising met de P. Debeyelaan in een reflex een bocht naar rechts maakte “zoals iemand doet die opeens vanuit een zijstraat een auto ziet rijden die je niet verwacht en waarvan je verwacht dat die gaat stoppen”. Het leek alsof de bus doorreed alsof het meisje op de fiets er niet was.

De overwegingen

Voor de vraag of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen moet gekeken worden naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank merkt hierbij op dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Gelet op de verklaringen van verdachte en van getuige [getuige] , de camerabeelden en de VOA, kunnen de volgende ten laste gelegde gedragingen wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte is het (brom)fietspad opgereden zonder dat de bus helemaal tot stilstand is gekomen, althans zonder dat de snelheid van de bus verminderde op het moment dat T.R.A. Roeloefs de kruising tot op korte afstand was genaderd. Verdachte heeft [slachtoffer] vervolgens geen voorrang verleend, waardoor een aanrijding is ontstaan. Verdachte is daarna de T-kruising verder opgereden en heeft [slachtoffer] meegesleurd. De bus is aan de overkant van de Joseph Bachlaan/Johan Willem Beyenlaan tegen een boom aangereden en daar tot stilstand gekomen. [slachtoffer] is als gevolg hiervan komen te overlijden.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is of deze gedragingen schuld in de zin van artikel 6 WVW opleveren. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft, gelet op het tijdstip en de drukte ter plaatse (spitsuur) en gelet op het feit dat haar zicht naar rechts werd beperkt, zichzelf door niet te stoppen dan wel de snelheid te verminderen de mogelijkheid ontnomen om ter hoogte van de haaientanden voor het (brom)fietspad goed naar rechts te kijken. Hierdoor heeft verdachte [slachtoffer] over het hoofd gezien en haar geen voorrang verleend waardoor de aanrijding is ontstaan. Dit is naar het oordeel van de rechtbank de eerste verkeersfout die verdachte heeft gemaakt. Vervolgens is verdachte, toen zij bemerkte dat zij iemand had aangereden met de bus, de kruising verder opgereden waarbij zij [slachtoffer] heeft meegesleurd en is verdachte pas aan de overkant van de weg tegen een boom tot stilstand gekomen. Verdachte heeft met andere woorden geen noodstop gemaakt, hetgeen van haar als buschauffeur verwacht mocht worden, maar is gewoon door blijven rollen met de bus. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee een tweede verkeersfout heeft gemaakt. De door verdachte aangevoerde omstandigheid dat zij wel heeft geremd, maar dat er om onverklaarbare reden niets gebeurde, acht de rechtbank gelet op het feit dat de remmen nadien normaal functioneerden onaannemelijk.

De rechtbank is gelet op de aard en de ernst van deze gedragingen en de overige omstandigheden van het geval van oordeel dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval daarom aan de schuld van verdachte als bedoeld in artikel 6 WVW is te wijten.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.primair:

zij op 23 september 2014 in de gemeente Maastricht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bus), zich bevindende op de weg, de P. Debeyelaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood, welke gedragingen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat zij, verdachte, met genoemd motorrijtuig, komende uit de richting van de Oeslingerbaan en rijdende in de richting van de kruising/splitsing van de P. Debeyelaan en de wegen, Joseph Bachlaan en Johan Willem Beyenlaan, ter plaatse waar voor die voornoemde kruising/splitsing een in haar, verdachtes, richting gekeerd en voor haar bestemd bord model B6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst, en op het wegdek van de P. Debeyelaan voor haar, verdachte, bestemde haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voornoemd reglement waren aangebracht, het tot die Joseph Bachlaan en Johan Willem Beyenlaan behorende en als zodanig aangeduid (brom)fietspad is opgereden, zonder haar motorrijtuig helemaal tot stilstand te brengen, zulks op het moment dat een over dat (brom)fietspad rijdende bestuurster van een fiets voornoemde kruising/splitsing opreed, en vervolgens geen voorrang heeft verleend aan de bestuurster van die fiets, zijnde [slachtoffer] , waardoor een botsing en aan- of overrijding is ontstaan met haar verdachtes, motorrijtuig en de door die [slachtoffer] bestuurde fiets, waarna zij, verdachte, vervolgens met het door haar bestuurde motorrijtuig die kruising/splitsing verder is opgereden en die voornoemde [slachtoffer] heeft meegesleurd en vervolgens tegen een boom, staand in de strook gelegen tussen de rijbaan van de Joseph Bachlaan/Johan Willem Beyenlaan en de ventweg gelegen naast de rijbaan van genoemde wegen, tot stilstand is gekomen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren te vervangen door honderdtwintig dagen hechtenis, een gevangenisstraf voor de duur van zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ingeval van bewezen verklaring van het primair tenlastegelegde verzocht aansluiting te zoeken bij de landelijk vastgestelde oriëntatiepunten straftoemeting en de geëiste straf te matigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Zij heeft als bestuurster van een autobus bij het links afslaan een rechtdoor rijdende fietser geen voorrang verleend waardoor een aanrijding is ontstaan. Verdachte heeft bij het bemerken van de aanrijding de bus niet direct tot stilstand gebracht, maar is om onverklaarbare redenen nog tientallen meters doorgereden en heeft de fietser overreden. Het 17-jarige slachtoffer [slachtoffer] is hierdoor komen te overlijden. Voor de nabestaanden van [slachtoffer] betekent dit een tragisch en onomkeerbaar verlies, zoals door hen verwoord bij gelegenheid van het spreekrecht. De ouders en broer van [slachtoffer] moeten na dit verkeersongeval verder zonder hun dochter en zus.

Op het handelen van verdachte dient een straf te volgen. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met de landelijk vastgestelde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Het verkeersongeval, als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden, is weliswaar aan de schuld van verdachte te wijten, maar het gaat daarbij – juridisch-technisch gezien - om de lichtste gradatie van de in dit verband in aanmerking te nemen strafbare schuld.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het strafblad van de verdachte en haar leeftijd. Uit het reclasseringsadvies van 19 augustus 2015 volgt dat ook verdachte psychisch leed heeft ondervonden van de gevolgen van het door haar veroorzaakte ongeval. Ook verdachte zal verder moeten leven met het gegeven dat zij iemand dodelijk heeft aangereden, terwijl zij aan het werk was aan beroepschauffeur. De rechtbank beseft dat het leed van verdachte zich op geen enkele manier laat vergelijken met het leed dat de nabestaanden nog steeds ondervinden, maar is desalniettemin van oordeel het leed van verdachte niet geheel terzijde geschoven kan worden.

De rechtbank ziet gelet op al het bovenstaande, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding tot het opleggen van een, al dan niet voorwaardelijke, gevangenisstraf.

Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen: een maximale taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren te vervangen door honderdtwintig dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van een (1) jaar.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van honderdtwintig dagen;

- veroordeelt de verdachte tevens tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van een jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. A.K. Kleine en mr. J. Iding, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 september 2015.

Mr. J. Iding is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 23 september 2014 in de gemeente Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bus), zich bevindende op de weg, de

P. Debeyelaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood, welke gedraging(en) zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, was/waren en hieruit heeft/hebben bestaan dat zij, verdachte, met genoemd motorrijtuig,

komende uit de richting van de Oeslingerbaan en rijdende in de richting van de kruising/splitsing van de P. Debeyelaan en de wegen, Joseph Bachlaan en Johan Willem Beyenlaan, ter plaatse waar voor die voornoemde kruising/splitsing een in haar, verdachtes, richting gekeerd en voor haar bestemd bord model B6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst, en/of op het wegdek van de P. Debeyelaan voor haar, verdachte, bestemde haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voornoemd reglement waren aangebracht, het tot die Joseph Bachlaan en Johan Willem Beyenlaan behorende en als zodanig aangeduid (brom)fietspad is opgereden, zonder haar motorrijtuig helemaal tot stilstand te brengen, althans zonder de snelheid van het door haar bestuurde motorrijtuig te verminderen, zulks op het moment dat een over dat (brom)fietspad rijdende bestuurster van een fiets voornoemde kruising/splisting tot op korte afstand was genaderd, althans die kruising/splitsing opreed, althans zich op die kruising/splitsing

bevond, en/of (vervolgens) geen voorrang heeft verleend aan de bestuurster van die fiets, zijnde [slachtoffer] , waardoor, althans mede waardoor, een botsing

en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door haar verdachtes, motorrijtuig en voornoemde [slachtoffer] , althans de door die [slachtoffer] bestuurde fiets, waarna zij, verdachte, (vervolgens) met het door haar bestuurde motorrijtuig die kruising/splitsing (verder) is opgereden en/of die voornoemde [slachtoffer] heeft meegesleurd en/of (vervolgens) tegen een boom, staand in de strook gelegen tussen de rijbaan van de Joseph Bachlaan/Johan Willem Beyenlaan en de ventweg gelegen naast de rijbaan van genoemde wegen, is gebotst, althans is aangereden, althans tot stilstand is gekomen;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 23 september 2014, in de gemeente Maastricht, als bestuurder van een motorrijtuig (bus), daarmee rijdende op de weg, de P. Debyelaan, ter plaatse waar, voor de kruising/splitsing van die weg en de wegen, Joseph Bachlaan en Johan Willem Beyenlaan, op die P. Debeyelaan, een in haar, verdachtes, richting gekeerd en voor haar bestemd bord model B6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst, en/of op het wegdek van de P. Debeyelaan voor haar, verdachte, bestemde

haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voornoemd reglement waren aangebracht,

zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig, en/of zonder haar motorrijtuig helemaal tot stilstand te brengen, althans zonder de snelheid van haar motorrijtuig te verminderen en/of zonder voorrang te verlenen, het tot die Joseph Bach en Johan Willen Beyenlaan behorende en als zodanig aangeduide (brom-)fietspad is opgereden, zulks op het moment dat een over dat (brom)fietspad rijdende bestuurster van een fiets voornoemde kruising/splisting tot op korte afstand was genaderd, althans die kruising/splitsing opreed, althans zich op die kruising/splitsing bevond, dat/waardoor zij, verdachte, in botsing althans aanrijding is gekomen met die bestuurster van die fiets, althans die fiets, door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Maastricht, Basiseenheid Maastricht Centrum/Zuid, proces-verbaalnummer PL2411 2014108175-1, gesloten d.d. 15 januari 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 204.

2 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 2.

3 VOA, p. 79 en eigen waarneming rechtbank afspelen camerabeelden ter zitting.

4 VOA, p. 78.

5 Het geschrift, inhoudende een verslag betreffende niet-natuurlijke dood d.d. 23 september 2014, p. 203.

6 VOA, p. 87.

7 VOA, p. 76.

8 VOA, p. 80.

9 VOA, p. 71.

10 Proces-verbaal verhoor verdachte p. 20.

11 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] d.d. 6 oktober 2014, p. 23.