Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:7433

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
04-09-2015
Zaaknummer
4366487 15-7753
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Loonvordering in kort geding op grondslag van artikel 7:628 BW afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1628
AR-Updates.nl 2015-0832
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 4366487 CV EXPL 15-77533

Vonnis in kort geding van 1 september 2015

in de zaak van

[eiseres] ,

wonend te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M. Rahnama’i

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GARAGE [naam 1] B.V.,

gevestigd te Berg en Terblijt, gemeente Valkenburg aan de Geul,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. R. Gijsen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 18 augustus 2015 met producties

  • -

    de van de zijde van [eiseres] nader overgelegde producties

  • -

    de van de zijde van [gedaagde] overgelegde producties

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 27 augustus 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is met ingang van 5 augustus 2013 krachtens arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden in de functie van shopmedewerkster in dienst getreden van [gedaagde] , die een autobedrijf en benzinestation exploiteert. De overeenkomst is na ommekomst van die termijn met 12 maanden verlengd tot 5 augustus 2015 en is tegen die laatste datum geëindigd. Het betrof een parttime functie en de werkzaamheden werden conform de overeenkomst steeds in het weekend verricht.

2.2.

In de zomer van 2014 heeft de volgens haar grootste klant van [gedaagde] , [naam 2] Elektro Techniek B.V., het zakelijke contact verbroken. [eiseres] is bevriend met de vrouw van [naam 2] , de directeur/eigenaar van Elektro Techniek B.V., en werkte, naast haar werk bij [gedaagde] , ook voor het bedrijf van [naam 2] .

2.3.

Op enig moment in de zomer van 2014 heeft zich een voorval voorgedaan waarbij een onbekende man [eiseres] tijdens het werk in de shop van [gedaagde] € 250,00 uit de kassa afhandig heeft gemaakt. [eiseres] spreekt over een ‘wisseltruc’, waarvan zij het slachtoffer is geworden. [eiseres] heeft van dit voorval aangifte bij de politie gedaan.

2.4.

Op 6 december 2014 heeft de heer [naam bestuurder] , bestuurder van [gedaagde] , [eiseres] , terwijl zij bezig was met haar werkzaamheden in de shop, aangesproken. Over de precieze inhoud van dit gesprek verschillen partijen van mening, maar vast staat vast dat de heer [gedaagde] aan [eiseres] duidelijk heeft gemaakt dat hij een langdurige samenwerking niet zag zitten en dat de overeenkomst niet (nogmaals) verlengd zou worden.

2.5.

Op 7 december 2014 heeft [eiseres] zich ziek gemeld en zij heeft vanaf dat moment niet meer voor [gedaagde] gewerkt, noch heeft [gedaagde] loon betaald.

2.6.

Bij brief van 11 december 2014 heeft [gedaagde] aan [eiseres] te kennen gegeven de ziekmelding niet te accepteren en haar verzocht om op korte termijn in gesprek te gaan om een passende oplossing te vinden.

2.7.

Op 2 januari 2015 heeft [eiseres] de bedrijfsarts H.M.P.M. van den Boogaard bezocht. Bij brief van diezelfde datum (productie 4 bij exploot) heeft deze bedrijfsarts aan [gedaagde] geadviseerd om Bedrijfsmaatschappelijk Werk (BMW) in te schakelen (ter bemiddeling), nu [eiseres] te kennen had gegeven problemen te ervaren in de arbeidsrelatie met de heer [naam bestuurder] en diens moeder, die ook bij [gedaagde] werkt.

2.8.

Op 27 januari 2015 heeft, onder begeleiding van bedrijfsmaatschappelijk werkster

E. de Jager, een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] en de heer [gedaagde] . Blijkens de voortgangsrapportage (productie 6 bij exploot) heeft de heer [gedaagde] daarbij te kennen gegeven geen vertrouwen meer te hebben in het goed functioneren in de huidige functie en [eiseres] aangeboden om een andere taak in te vullen (te weten schoonmaakwerk), waarop [eiseres] te kennen heeft gegeven over dat voorstel na te willen denken.

2.9.

De volgende dag, op 28 januari 2015, heeft [eiseres] aan De Jager schriftelijk laten weten niet op het voorstel van [gedaagde] in te zullen gaan omdat zij zichzelf in staat acht de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren.

2.10.

Op 10 februari 2015 heeft [eiseres] de bedrijfsarts nogmaals bezocht, die daarop [gedaagde] schriftelijk adviseerde om nog minimaal 1 gesprek met BMW te voeren.

2.11.

Een volgende afspraak voor een bemiddelingsgesprek onder begeleiding van De Jager stond gepland voor 26 februari 2015. [eiseres] is daar niet verschenen omdat zij, naar haar zeggen, geen uitnodiging ontvangen had. Daarna heeft geen vervolg van het bemiddelingstraject onder begeleiding van BMW plaatsgevonden.

2.12.

Vervolgens hebben de gemachtigden van partijen over en weer gecorrespondeerd, waarbij [eiseres] zich beschikbaar stelde voor de overeengekomen arbeid zodra ze daartoe weer in staat was onder sommatie om het loon door te betalen, terwijl [gedaagde] zich op het standpunt stelde geen loon verschuldigd te zijn omdat geen sprake is van arbeidsongeschikt-heid in de zin van artikel 7:629 BW.

3. De vordering

3.1.

[eiseres] vordert de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het achterstallige loon van 7 december 2014 tot 5 augustus 2015 en het vakantiegeld over mei 2014 t/m april 2015, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente, tot betaling van de opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren, alsmede tot het overleggen van juiste en volledige loonstroken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [gedaagde] met dit laatste in gebreke blijft, onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] heeft bij haar vordering, reeds gezien de aard ervan (loon), spoedeisend belang en de complexiteit van de zaak staat aan een oordeel in kort geding niet in de weg.

4.2.

Om een voorziening te kunnen treffen als gevorderd, dient de kantonrechter met een redelijke mate van zekerheid aan te kunnen nemen dat een vergelijkbare vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Bij de beoordeling in kort geding kan dus slechts een voorlopig oordeel worden gegeven en die beoordeling moet - zonder formele bewijslevering - geschieden op basis van hetgeen in deze procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt.

4.3.

Zoals uit de stukken blijkt en ter zitting door beide partijen is bevestigd, is en was [eiseres] op 7 december 2014 niet ten gevolge van ziekte ongeschikt om de bedongen arbeid te verrichten, als bedoeld in artikel 7:629 lid 1 BW. Grondslag van de vordering is dan ook artikel 7:628 lid 1 BW, in die zin dat [eiseres] niet in staat is geweest om de bedongen arbeid te verrichten door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van [gedaagde] als werkgever behoort te komen (in de praktijk wel “situatieve arbeidsongeschiktheid” genoemd).

4.4.

De vraag die derhalve beantwoord dient te worden is in hoeverre aannemelijk is dat [eiseres] haar werkzaamheden niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van [gedaagde] behoort te komen, zulks bezien in het onder 4.2. samengevatte toetsingskader. Een werkneemster die loondoorbetaling vordert over een periode waarin zij haar werkzaamheden niet heeft verricht, zal met andere woorden feiten en omstandigheden moeten stellen en bij betwisting door de werkgever aannemelijk moeten maken die tot het oordeel kunnen leiden dat in die periode de arbeidsomstandigheden, door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen, voor haar zodanig waren dat, met het oog op de (dreiging van) psychische of lichamelijke klachten, van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat zij haar werkzaamheden zou verrichten. In een dergelijke situatie is de werknemer bovendien gehouden alle medewerking te verlenen aan inspanningen die erop gericht zijn de oorzaken van die situatie weg te nemen (zie HR 27 juni 2008, LJN BC7669).

4.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter is een voldoende mate van zekerheid over toewijzing van de loonvordering in een bodemprocedure thans niet aanwezig. Ter zitting heeft [eiseres] gesteld dat sprake is geweest van een maandenlange stroom aan pesterijen en waarschuwingen, doch die stelling is gespeend gebleven van een voldoende concrete onderbouwing. Voor zover deze stelling is geconcretiseerd, oordeelt de kantonrechter er als volgt over.

4.5.1.

Dat door de heer [naam bestuurder] seksueel getinte opmerkingen richting [eiseres] zijn gemaakt, blijkt niet uit iets anders dan de verklaring van [eiseres] zelf en is door [gedaagde] betwist, zodat het voorshands niet een voldoende aannemelijke omstandigheid vormt die [eiseres] het werken bij [gedaagde] onmogelijk heeft gemaakt. Hetzelfde geldt voor het door [eiseres] gestelde veelvuldig nadragen van het voorval met de wisseltruc (zie 2.3) en andere punten van verbetering in haar functioneren. [gedaagde] had daar wel kritiek op, maar niet is aannemelijk geworden dat de heer [naam bestuurder] deze heeft geuit op zodanig brute wijze dat van [eiseres] niet kon worden gevergd bij hem te blijven werken.

4.5.2.

Ook het vertrek van de klant [naam 2] (zie 2.2) heeft [gedaagde] aan [eiseres] verweten. In het midden latend of dat verwijt terecht was, is niet aannemelijk geworden dat [gedaagde] het heeft gemaakt op zodanig indringende en frequente wijze dat [eiseres] bij voortzetting van haar werkzaamheden voor psychische of lichamelijke klachten moest vrezen.

4.6.

Al met al is in het kader van dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden dat van [eiseres] in redelijkheid niet gevergd kon worden haar werkzaamheden te verrichten vanwege de (dreiging van) psychische of lichamelijke klachten door een oorzaak die voor rekening van [gedaagde] behoort te komen. Dat het na de mislukte poging om op 26 februari 2015 nader in gesprek te gaan (zie 2.11) niet tot een vervolg van de bemiddeling door BMW is gekomen, vormt op zich evenmin een omstandigheid die het oordeel rechtvaardigt dat het niet-werken door [eiseres] voor rekening van [gedaagde] behoort te komen. De vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.7.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op € 600,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en is in het openbaar uitgesproken.

RK