Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:7407

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
366561/CV/13-384
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsverwerking

De late toezending van een creditnota en vervolgens de zeer lange periode van stilzitten aan de zijde van eisende partij maken dat bij gedaagde partij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat eisende partij zijn vermeende aanspraak niet meer geldend zou maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 366561 CV EXPL / 13-384

Vonnis van de kantonrechter van 2 september 2015

in de zaak van:

1 de vennootschap onder firma [eiser 1] V.O.F.,

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] aan de [kantooradres] ,

2. [eiser 2], vennoot van eiser sub 1,

Eisende partij

gemachtigde: mr. Z.M. Alaca,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] aan het adres [vestigingsadres gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. Th.J.J. Dierichs.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Dit blijkt uit het navolgende:

  • -

    het vonnis van 28 januari 2015;

  • -

    de akte aan de zijde van eisende partij;

  • -

    de antwoordakte aan de zijde van gedaagde partij.

1.2.

Tenslotte is de zaak op vonnis gesteld.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij vonnis van 28 januari 2015 heeft de kantonrechter eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door gedaagde partij ter gelegenheid van de conclusie na enquête in het geding gebrachte creditnota van 31 december 2008 betrekking hebbende op het in deze zaak in geding zijnde bedrag van € 2.500,00, te weten de door eisende partij gestelde verschuldigde tweede termijn.

2.2.

Eisende partij heeft als verklaring voor deze creditnota gegeven dat nu, ondanks herhaalde betalingsherinneringen per e-mail van 9 februari 2009, 10 februari 2009 en 11 februari 2009, gedaagde partij weigerachtig bleef om deze factuur te voldoen, waarna in overleg met de boekhouder de betreffende creditnota is verstuurd omdat eisende partij anders zowel inkomstenbelasting als btw verschuldigd zou zijn over dit bedrag terwijl het hier ging over een niet geïnd factuurbedrag.

2.3.

De kantonrechter acht deze verklaring niet geloofwaardig. Nog afgezien van het feit dat de betreffende creditnota, waarvan het bestaan door eisende partij wordt erkend, is gedateerd op 31 december 2008, wordt geen verklaring gegeven waarom de verzending van deze creditnota per e-mail (op 23 februari 2009) is geschied nog geen week na de laatste aanmaning per e-mail, te weten 16 februari 2009 (zie productie 8 bij dagvaarding). Evenmin wordt bij de verzending van de creditnota enig voorbehoud gemaakt door eisende partij, in die zin dat zulks niet betekent dat erkend wordt dat dit bedrag niet verschuldigd zou zijn. Het feit dat de e-mail begint met de woorden “onder protest” is onvoldoende om aan te nemen dat er wel sprake is van een dergelijk voorbehoud.

Dit gegeven gevoegd bij het feit dat vervolgens bijna vier jaar (bij brief van 15 november 2012) later pas weer gereclameerd wordt, maakt dat naar het oordeel van de kantonrechter alsnog aangenomen dient te worden dat er sprake is van rechtsverwerking. Genoemde creditnota en vervolgens de zeer lange periode van stilzitten aan de zijde van eisende partij maken dat bij gedaagde partij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat eisende partij zijn vermeende aanspraak niet meer geldend zou maken.

2.4.

Het vorenstaande betekent dat de vorderingen van eisende partij zullen worden afgewezen.

2.5.

Eisende partij zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten zullen echter worden gematigd omdat gedaagde partij pas nadat het getuigenverhoor heeft plaatsgevonden de hiervoor bedoelde creditnota heeft overgelegd. Als gedaagde partij dit in een eerder stadium had gedaan moet het niet aannemelijk worden geacht dat de kantonrechter tot een bewijsopdracht zou hebben besloten, zoals vervat in het vonnis van 28 augustus 2013. Het salaris van de gemachtigde van gedaagde partij zal om die reden worden gematigd tot een bedrag van € 350,00 (2 x tarief ad € 175,00).

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt eisende partij hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van gedaagde partij en tot op heden begroot op

€ 350,00;

3.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen en in het openbaar uitgesproken.

typ: HV

mlzr: ph