Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:7399

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-08-2015
Datum publicatie
31-08-2015
Zaaknummer
03/700226-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak overval op [naam winkel] te Heerlen op 6 mei 2015

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700226-15

Datum uitspraak: 31 augustus 2015

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 augustus 2015 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 06 mei 2015 in de gemeente Heerlen

a.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, EURO 135, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [naam winkel] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

b.

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (EURO 135), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [naam winkel] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld heeft/hebben bestaan uit

- het op dreigende toon tegen voornoemde [slachtoffer] zeggen: "Ik wil geld" en/of

- het (met kracht) slaan tegen twee plateaus met armbandjes en/of tegen een vaas en/of

- het dreigend tonen van een schroevendraaier aan voornoemde [slachtoffer] en/of het maken van stekende bewegingen met een schroevendraaier in de richting van voornoemde [slachtoffer] .

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op of omstreeks 06 mei 2015 in de gemeente Heerlen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van € 135, toebehorende aan [slachtoffer] of [naam winkel] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit

- het op dreigende toon tegen voornoemde [slachtoffer] zeggen: "Ik wil geld" en

- het met kracht slaan tegen twee plateaus met armbandjes en tegen een vaas en

- het dreigend tonen van een schroevendraaier aan voornoemde [slachtoffer] .

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het strafbare feit, dat moet worden gekwalificeerd als:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte, onder toepassing van het jeugdstrafrecht, zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van zeven maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met daarbij de bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de Jeugdreclassering van Bureau Jeugdzorg in haar rapport van 29 juli 2015.

De raadsman heeft bepleit de vordering van de officier van justitie in het vonnis over te nemen.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, waarbij de rechtbank, mede gelet op de leeftijd van de verdachte, toepassing zal geven aan artikel 77c van het Wetboek van Strafvordering.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

  • -

    de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

  • -

    het gewelddadig karakter van het bewezenverklaarde en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is;

  • -

    de omstandigheid dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij slachtoffers van een delict als het bewezenverklaarde, lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid kunnen blijven bestaan, waardoor zij in hun deelname aan het maatschappelijk verkeer kunnen worden belemmerd.

De rechtbank heeft daarnaast gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 juni 2015 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank heeft verder gelet op het feit dat verdachte zich zelf heeft gemeld bij de politie en er blijk van heeft gegeven dat hij inzicht heeft in het verwerpelijke van zijn handelwijze.

Alles afwegende acht de rechtbank het passend dat aan verdachte een jeugddetentie voor de duur van 210 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat een voorwaardelijke straf -een zogenoemde stok achter de deur- nodig is om verdachte er van te weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen. De rechtbank zal bij het voorwaardelijk deel van de straf, fungerend naast de wettelijk bepaalde algemene voorwaarden, tevens de bijzondere voorwaarden opleggen, zoals geadviseerd door de Jeugdreclassering van Bureau Jeugdzorg in haar rapport van 29 juli 2015.

De vordering van de benadeelde partij

Door haar vordering heeft de benadeelde [slachtoffer] zich in het geding gevoegd als partij. Zij vordert een vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 156,86 en een vergoeding wegens immateriële schade tot een bedrag van € 1.100,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat aan de benadeelde partij door het hiervoor bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De omvang van de gestelde schade is door de verdachte niet betwist, zodat conform het gevorderde een bedrag van € 156,86 door de rechtbank zal worden toegewezen.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het onderzoek ter terechtzitting tevens is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het hiervoor bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

De rechtbank zal de immateriële schade, gelet op de omstandigheid dat de door de benadeelde partij aangehaalde uitspraak niet geheel overeenkomt met de onderhavige strafzaak, de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op

€ 750,00, tot dit bedrag en tot dat gedeelte van de vordering toewijzen, onder afwijzing van het meer gevorderde.

Nu verdachte ter zake van het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld tot een straf heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 77c, 77i, 77l, 77x, 77y, 77z, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte daardoor strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van 210 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter alsnog de tenuitvoerlegging daarvan gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd, welke wordt gesteld op een termijn van twee jaren, de algemene voorwaarden of de bijzondere voorwaarden heeft overtreden;

  • -

    verstaat dat de wet als algemene voorwaarden stelt dat de verdachte:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan toezicht door de jeugdreclassering, als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen meldt bij deze instelling, zo frequent en zo lang als die instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd deelneemt aan ITB-JOVO, waarbij de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens de jeugdreclassering aan hem worden gegeven;

- geeft de jeugdreclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de algemene en bijzondere voorwaarden, alsmede het door de jeugdreclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van heden;

- wijst de vordering van [slachtoffer], [adres] , [woonplaats] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 906,86, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 6 mei 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

- veroordeelt de verdachte in de kosten van deze procedure, de kosten van de tenuitvoerlegging daaronder te begrijpen, en begroot deze kosten aan de zijde van [slachtoffer] tot heden op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer] van € 906,86, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 6 mei 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 18 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft, ;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat, daardoor de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daardoor de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. E.H.A.F.M. Krol, voorzitter, mr. F.M. van Maanen Winters en mr. D.C.I. van Delft, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.P.J.M. Vugs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 31 augustus 2015, zijnde mr. F.M. van Maanen Winters en mr. D.C.I. van Delft buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.