Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:7383

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
07-09-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1786u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft beroep tegen omgevingsvergunning voor het realiseren van 12 zelfstandige woonruimtes met een oppervlakte van 22 m² – 30 m², waarbij met toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, van de gemeentelijke bouwverordening ontheffing is verleend onder de voorwaarde dat vergunninghouder een bedrag ter compensatie in het parkeerfonds stort. Voorheen was sprake van onzelfstandige woonruimte (studentenkamers) met een dergelijke oppervlakte. Bij de vaststelling van de compensatie heeft verweerder de in de Nota Parkeernormen voor zelfstandige woningen kleiner dan 90 m² gestelde parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per wooneenheid gehanteerd. Mede omdat verweerder zelf aan de gemeenteraad heeft voorgesteld om die norm te wijzigen, ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat de normering in de Parkeernota op dit beleidsonderdeel onvoldoende evenwichtig is, onvoldoende differentieert qua oppervlakte en niet blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Omdat verweerder in 2013 is afgeweken van de Parkeernota en voor zelfstandige woningen kleiner dan 50 m² de parkeernorm voor kamerverhuur (0,4 parkeerplaats per wooneenheid) heeft gehanteerd, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen voor zover daarbij de voorwaarde van storting in het parkeerfonds is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/1786

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2015 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. P.J.M. Brouwers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C.W. Ploum en ing. M.H.J.M. Creuwels).

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2014, verzonden op 9 december 2014, (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend.

Bij besluit van 21 april 2015, verzonden op 22 april 2015, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar dat eiser tegen het primaire besluit heeft gemaakt, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2015.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij besluit van 29 januari 2013 heeft verweerder aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 12 kamers ten behoeve van de verhuur als onzelfstandige woonruimte in het pand aan de [adres] te [woonplaats] . Voordien was in de benedenverdieping van dat pand een horeca-onderneming gevestigd. Nadat bij de controle naar aanleiding van de gebruiksmelding was geconstateerd dat in afwijking van de verleende omgevingsvergunning in elke wooneenheid niet alleen een douche en een toilet, maar in plaats van een gezamenlijke keuken, ook een keukenblok was geplaatst, heeft eiser op 20 augustus 2014 bij verweerder een nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend ter legalisatie van de bestaande situatie.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de op 20 augustus 2014 gevraagde omgevingsvergunning verleend. Verweerder heeft daarbij tevens met toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, van de gemeentelijke bouwverordening ontheffing verleend van de ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening geldende verplichting dat in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt voorzien. Daartoe heeft hij de voorwaarde aan de vergunning verbonden dat eiser ter compensatie een bedrag van

€ 29.949,48 in het parkeerfonds stort. Daarbij is verweerder er op basis van de Nota parkeernormen 2011 van uitgegaan dat de vergunning 12 zelfstandige woningen betreft waarvoor een norm van 1,3 parkeerplaatsen per wooneenheid geldt, terwijl voordien sprake was van 12 kamers met een norm van 0,4 parkeerplaats per wooneenheid. Daaruit volgt volgens verweerder dat een bedrag moet worden gestort dat overeenkomt met (afgerond)

11 extra parkeerplaatsen.

3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de bij het opleggen van de betalingsvoorwaarde gehanteerde parkeernorm en de daaruit voortvloeiende hoogte van het bedrag dat hij moet storten. Bij het bestreden besluit is verweerder bij zijn standpunt over de toepasselijke parkeernorm gebleven.

4. De rechtbank overweegt naar aanleiding van de aangevoerde beroepsgronden als volgt.

4.1.

Eiser heeft allereerst betoogd dat ingevolge artikel 10.4 van het toepasselijke bestemmingsplan “Nutsbedrijven” de gemeentelijke “Nota Parkeernormen 1997” van toepassing is en dat verweerder derhalve ten onrechte de Nota Parkeernormen 2011 heeft gehanteerd. Weliswaar heeft eiser dat betoog eerst ter zitting voorgedragen, maar gelet op de verplichting van de rechtbank om ambtshalve het toepasselijke recht te beoordelen, zal de rechtbank hierop toch ingaan.

4.2.

Artikel 10.4 van het bestemmingsplan luidt als volgt: “Het totale aantal parkeerplaatsen (hierbij is geen sprake van publieke parkeerplaatsen) in het plangebied dient te voldoen aan de parkeernorm zoals die door de raad van de gemeente Maastricht is vastgelegd in de Beleidsnota parkeren d.d. 17 april 2007, van de toe te voegen functies.” Eiser leidt daaruit af dat de op die nota gebaseerde en ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geldende Nota Parkeernormen 1997 van toepassing is. De rechtbank volgt eiser daarin echter niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor het bouwplan op deze locatie het inmiddels vervallen artikel 8, vijfde lid, en het eveneens vervallen, artikel 9 van de Woningwet nog van toepassing zijn, nu het bestemmingsplan is vastgesteld vóór 29 november 2014 (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2634). Genoemde bepalingen van de Woningwet houden in dat de bouwverordening voorschriften van stedenbouwkundige aard kan bevatten, maar dat deze buiten toepassing blijven als deze niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan. Een voorschrift van stedenbouwkundige aard als zojuist bedoeld is neergelegd in het door verweerder toegepaste artikel 2.5.30 van de gemeentelijke bouwverordening, inhoudende -samengevat- de verplichting om in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein te voorzien alsmede de mogelijkheid om daarvan ontheffing te verlenen. Uit de hiervóór geciteerde tekst van genoemd planvoorschrift blijkt evenwel niet waar, hoe en hoeveel parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd. Voor zover de geciteerde bepaling van het bestemmingsplan al niet wegens strijd met de rechtszekerheid onverbindend moet worden geacht, is deze derhalve niet te beschouwen als een uitputtende regeling waardoor, bij toetsing aan artikel 9 van de Woningwet, artikel 2.5.30 van de gemeentelijke bouwverordening buiten toepassing zou moeten blijven. Verweerder heeft dat voorschrift dan ook terecht bij de beoordeling van de vergunningaanvraag betrokken. Niet in geschil is dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit bij de toepassing van dat voorschrift de Nota Parkeernormen 2011 als beoordelingskader hanteerde en dat de Nota Parkeernormen 1997 daarbij geen rol (meer) speelde. Het betoog van eiser dat de Nota Parkeernormen 1997 had moeten worden toegepast, faalt dan ook.

4.3.

Eiser heeft voorts betoogd dat het door verweerder het in dit geval gehanteerde onderdeel van de Nota Parkeernormen 2011 wegens onredelijkheid buiten toepassing moet blijven, dan wel dat verweerder in dit geval van dat beleid had moeten afwijken. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat er als gevolg van het bouwplan in vergelijking met de eerder vergunde situatie geen additionele parkeerbehoefte is ontstaan, omdat in het gewijzigd bouwplan enkel aan iedere woonruimte een keukenblok is toegevoegd. Eiser heeft erop gewezen dat in het pand wooneenheden van 22m2 tot 30m2 zijn gerealiseerd. die worden verhuurd aan studenten die zelden over een auto beschikken. Voorts heeft eiser zich beroepen op een voorstel dat verweerder in oktober 2013 aan de gemeenteraad heeft gedaan om voor kleine zelfstandige wooneenheden dezelfde parkeernorm als voor kamers te gaan hanteren.

4.4.

De rechtbank overweegt over het betoog van eiser allereerst dat de Nota Parkeernormen 2011 door de gemeenteraad is vastgesteld ten behoeve van de vaststelling van toekomstige ruimtelijke plannen en ook als zodanig is gepubliceerd. Uit de tekst van die nota blijkt echter dat die nota tevens door verweerder als beleidskader wordt gehanteerd bij de toepassing van artikel 2.5.30 van de bouwverordening. Derhalve dient aan de hand van de aangevoerde beroepsgrond te worden beoordeeld of het betrokken beleidsonderdeel blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

4.5.

De Nota Parkeernormen 2011 kent voor woningen in het desbetreffende gedeelte van de gemeente Maastricht een vijftal categorieën: woningen groter dan 90 m2 (1,4 parkeerplaats per woning), (zelfstandige) woningen kleiner dan 90 m2 (1,3 pp/w), sociale huurwoningen (1,2 pp/w), serviceflats (0,5 pp/w) en kamergewijze verhuur (0,4 pp/w). Het verschil tussen de parkeernorm voor kleine wooneenheden en die norm voor kamers roept, mede gelet op de verhouding met de andere genoemde woningtypes, de vraag op of deze normering vanuit het oogpunt van een redelijke beleidsbepaling voldoende evenwichtig is dan wel dat een nadere differentiatie had moeten worden aangebracht. Daar komt bij dat verweerder zelf in oktober 2013 aan de gemeenteraad heeft voorgesteld om voortaan bij de vaststelling van bestemmingsplannen voor wooneenheden van kleiner dan 50m2 dezelfde parkeernorm te gaan hanteren als voor kamers. Verweerder was namelijk van mening dat de plaatselijke huisvestingssituatie tot genoemd onderscheid noopt. Vooruitlopend op dat voorstel heeft verweerder bij de toepassing van artikel 2.5.30 van de bouwverordening in 2013 feitelijk die lagere norm voor kleine zelfstandige wooneenheden gebruikt. De behandeling van het voorstel van verweerder is door de raad evenwel aangehouden. Naar uit het verslag van de desbetreffende vergadering blijkt, is dat gebeurd wegens bedenkingen in de raad tegen een ander onderdeel van het voorstel. Nadien is om redenen die in dit geding niet duidelijk zijn geworden, de behandeling van het voorstel niet hervat. Mede omdat verweerder ook zelf de Nota Parkeernormen 2011 wat betreft kleine zelfstandige wooneenheden onredelijk acht, ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat de zonder nader onderscheid voor zelfstandige woningen van kleiner dan 90 m2 in die Nota opgenomen parkeernorm wegens onvoldoende differentiatie de grenzen van een redelijke beleidsbepaling overschrijdt. De omstandigheid dat de raad het voorstel van verweerder heeft aangehouden en dat verweerder daarin aanleiding heeft gezien het gebruik van de aangepaste norm voor kleine zelfstandige woningen te staken, maakt dat niet anders. De toepassing van artikel 2.5.30 van de bouwverordening behoort immers tot de bevoegdheden van verweerder en het is zijn eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het daarbij gehanteerde beleid de grenzen van de redelijkheid niet overschrijdt. Voor een geval waarin de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zij het betreffende een andere wettelijke materie, om soortgelijke redenen beleid onredelijk heeft geacht, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 5 november 2014 (ECLI: NL:RVS:2014:3950). Met aanvulling van de rechtsgronden van het beroep, ziet de rechtbank het betoog van eiser op dit punt derhalve slagen.

5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Dat betekent dat het primaire besluit opnieuw moet worden heroverwogen. Uit het hiervoor overwogene volgt dat daarbij geen toepassing kan worden gegeven aan de bij het primaire besluit gehanteerde parkeernorm. Gelet op de in overweging 4.5 beschreven opvatting van verweerder over de parkeernorm voor kleine zelfstandige woningen, zal daarbij naar het oordeel van de rechtbank in dit geval in redelijkheid geen andere norm kunnen worden gehanteerd dan de voor kamergewijze bewoning in de Nota Parkeernormen 2011 opgenomen norm van 0,4. Gevolg daarvan is dat het er voor de toepassing van artikel 2.5.30 van de bouwverordening voor moet worden gehouden dat zich geen additionele parkeerbehoefte voordoet. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen voor zover daarbij de voorwaarde van storting in het parkeerfonds is opgelegd.

6. Nu de rechtbank zelf in de zaak voorziet, ziet zij reeds daarom af van bespreking van de overige beroepsgronden. Zij laat dan ook in het midden of de goede procesorde aan beoordeling van die, grotendeels eerst ter zitting aangevoerde, gronden in de weg staat.

7. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder ten slotte in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 490,-- (1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit van 8 december 2014 voor zover daarbij aan de verleende omgevingsvergunning de voorwaarde van storting in het parkeerfonds is verbonden;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,-- aan eiser te

vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 490,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2015.

w.g. F. Timmers,

griffier

w.g. Th. M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 28 augustus 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad.