Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:7121

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
4305634 CV EXPL 15-6682
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming huurwoning. Bij beoordeling zijn niet enkel de feiten en omstandigheden die in de bodemprocedure bij de appelrechter zijn aangevoerd relevant. Vernietigbaarheid opzegging huurovereenkomst ex artikel 3:44, vierde lid BW. Structurele, ernstige en voortdurende overlast veroorzaakt in en rondom de huurwoning. Ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar (artikel 6:248, tweede lid BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 4305634 CV EXPL 15-6682

Vonnis in kort geding van 20 augustus 2015

in de zaak van:

de stichting STICHTING WELLER WONEN,

gevestigd te Brunssum,

eisende partij,

gemachtigde mr. J.M.G.A. Sengers,

tegen:

[gedaagde],

wonend [adres] ,

[woonplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. F. Dronkers.

Partijen zullen hierna Weller en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 juli 2015

  • -

    de akten inbrenging producties aan de zijde van Weller

  • -

    de akte inbrenging producties aan de zijde van [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling van 17 augustus 2015, waarbij namens Weller, [naam 1] en [naam 2] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Sengers, en aan de zijde van gedaagde partij [gedaagde] is verschenen bijgestaan door mr. Dronkers.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Weller verhuurt op grond van de huurovereenkomst van 15 oktober 2007 aan [gedaagde] de woning gelegen aan de [adres] , [woonplaats] (hierna: de woning).

2.2.

Naar aanleiding van diverse overlastklachten van omwonenden, diverse door de politie opgemaakte mutaties ter zake van overlast en het voornemen van de burgemeester van de gemeente Heerlen (hierna: de burgemeester) om de woning voor drie maanden te sluiten, heeft Weller bij dagvaarding van 19 maart 2014 een ontbindings- en ontruimings-procedure jegens [gedaagde] aangebracht bij de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Maastricht.

2.3.

Bij vonnis van 10 september 2014 (zaaknummer: 2941174 CV EXPL 14-3930) heeft de kantonrechter de vorderingen van Weller afgewezen. Hiertoe is overwogen dat de door [gedaagde] en de door bij haar verblijvende derden veroorzaakte (geluids)overlast weliswaar een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst oplevert, maar dat

- gelet op het incidentele karakter van de overlast en het woonbelang van [gedaagde] - onvoldoende is gebleken van zodanig structurele, ernstige en voortdurende overlast, dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is.

2.4.

Op 28 oktober 2014 heeft Weller hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis. Na conclusiewisselingen is arrest bepaald voor de rol van 8 december 2015.

2.5.

[gedaagde] verblijft samen met haar zoon [naam zoon 1] , geboren op [geboortedatum 1] , in de woning. Tot aan zijn meerderjarigheid verbleef [naam zoon 1] in de jeugdzorginstelling ‘Icarus’ te Cadier en Keer. De twee jongste (minderjarige) kinderen van [gedaagde] - zoon [naam zoon 2] , geboren op [geboortedatum 2] , en dochter [naam dochter] , geboren op [geboortedatum 3] - verblijven, in het kader van een uithuisplaatsing, door de week in een jeugdzorginstelling. Enkel in de weekenden en in vakanties verblijven zij incidenteel in de woning. De ex-partner van [gedaagde] ,

[naam ex-partner] (hierna: [naam ex-partner] ), verblijft met enige regelmaat in de woning.

2.6.

In de periode van januari 2015 tot aan de mondelinge behandeling van dit geschil, heeft Weller tientallen klachten ontvangen van omwonenden over in en rondom de woning veroorzaakte geluidsoverlast en over ernstig verbaal en fysiek (huiselijk) geweld (producties 5 tot en met 12 bij dagvaarding). De politieregio eenheid Limburg heeft in voornoemde periode gelijkluidende klachten ontvangen (productie 13 bij dagvaarding).

2.7.

Op 21 april 2015 is de politie naar aanleiding van een klacht van een omwonende kennis gaan nemen van de situatie ter plaatse. In de door wijkagent, [naam wijkagent] , opgemaakte sfeerrapportage is hierover het navolgende neergelegd:

“(…) Melding overlast op het adres [adres] in [woonplaats] . Betreft de familie [gedaagde] . Toen wij arriveerden hoorden wij het geschreeuw al van buiten. (…) Met de familie [gedaagde] valt GEEN NORMAAL WOORD TE SPREKEN. Deze familie is gewoon ASOCIAAL!!!!! In eerste instantie op normale en nette wijze proberen uit te leggen dat de overlast veroorzaken en dat de buurt daar last van heeft. Dit lukte niet. Met diverse bewoners gesproken. DE BUURT IS HET SPUUGZAT MET DE FAMILIE [gedaagde] !!!!!!!!!!!!!

Volgens buurtbewoners kan het de woningbouwvereniging Weller niks interesseren want ze doen niks aan dit probleem. Kennelijk klaagt men al heel lang over het gezin [gedaagde] . Maar de [gedaagde] kunnen gewoon lekker de buurt blijven terroriseren zonder dat dit gevolgen heeft. DIT BOMMETJE STAAT OP ONTPLOFFEN!!!!!! Het is ons inziens toch zeer raadzaam om snel en adequaat op dit probleem te reageren, want vroeg of laat gaat dit compleet uit de hand lopen!!!!!!! (…).”

2.8.

Bij het Multidisciplinaire Overleg (MDO) van 21 mei 2015 zijn diverse keten-partners in overleg getreden over de woonproblematiek van [gedaagde] alsmede haar ex-partner [naam ex-partner] . De betrokken ketenpartners hebben onder andere gesproken over de problematiek die in en rondom de woning ontstaat, doordat [gedaagde] haar ex-partner tot de woning toelaat. Besproken is dat onderzocht zal worden of aan de ex-partner van [gedaagde] een gebiedsverbod kan worden afgegeven.

2.9.

Bij brief van 6 augustus 2015 heeft de burgemeester, naar aanleiding van aanhou-dende overlast, aan [gedaagde] als huurster en Weller als eigenaar van de woning bericht voornemens te zijn om ex artikel 174a van de Gemeentewet een last onder bestuursdwang op te leggen in de vorm van een sluiting van de woning voor de duur van drie maanden.

2.10.

Ter zienswijzenzitting van 11 augustus 2015 zijn partijen afzonderlijk in de gelegenheid gesteld om hun zienswijzen ten aanzien van het voorgenomen besluit van de burgemeester naar voren te brengen. In het verslag dat is opgemaakt van de zienswijzen-zitting waarbij [gedaagde] als belanghebbende is gehoord, is onder andere het navolgende neergelegd:

“(…) Dhr. [naam reclasseringsmedewerker] [de kantonrechter: reclasseringsmedewerker] krijgt hierna het woord en geeft aan dat de trajecten rond mevr. [gedaagde] bij het veiligheidshuis en de reclassering goed verlopen. Daarnaast is hij van mening dat er vooral veel overlast om haar heen wordt veroorzaakt door anderen bijv. dhr. [naam ex-partner] en haar zoon [naam zoon 1] . Mevr. [gedaagde] is volgens dhr. [naam reclasseringsmedewerker] bang voor haar zoon [naam zoon 1] en laat hem daarom zijn gang gaan. Bij de reclassering loopt een procedure om [naam zoon 1] onder toezicht te stellen, dit zou voor mevr. [gedaagde] een opluchting zijn. (…).”

2.11.

Na de zienswijzenzitting heeft [gedaagde] - ten kantore van Weller - een formulier ondertekend waarin neergelegd is dat de huurovereenkomst per 14 augustus 2015 van de zijde van [gedaagde] wordt opgezegd en de voorinspectie van de woning zal geschieden op

13 augustus 2015.

2.12.

Het Meldpunt Zeer Moeilijk Plaatsbare van het ‘RIMO, opvang, zorg, activering’ (hierna: RIMO), dat sinds april 2015 begeleiding aan [gedaagde] biedt teneinde het huurdersgedrag te verbeteren en vervangende woonruimte te vinden, heeft bij besluit van

13 augustus 2015 besloten om voor [gedaagde] geen aanvraag in te dienen voor een woning bij een andere woningcorporatie. Hiertoe heeft het RIMO overwogen dat de overlastsituatie in en rondom de woning van [gedaagde] niet verminderd is en dat [gedaagde] moeilijk of zelfs niet haar afspraken ten aanzien van overlast/woonproblematiek nakomt of kan nakomen.

3 Het geschil

3.1.

Weller vordert dat de kantonrechter, als voorzieningenrechter, [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen:

  1. om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, de woning met alle zich daarin van harentwege aanwezige personen en zaken te ontruimen en te verlaten, alsmede onder afgifte der sleutels ter vrije beschikking van Weller te stellen,

  2. tot betaling van de proceskosten.

3.2.

Aan haar vordering legt Weller bij dagvaarding ten grondslag dat [gedaagde] , door in of rondom de woning structureel ernstige overlast te veroorzaken, ernstig tekort is geschoten in de nakoming van haar huurdersverplichtingen. Mede in het licht van het feit dat [gedaagde] zich niet begeleidbaar opstelt jegens RIMO en er - gelet op het gegeven dat de overlast sinds het vonnis van de kantonrechter van 10 september 2014 enkel is toegenomen - geen uitzicht bestaat op een verandering van haar gedrag, rechtvaardigt deze tekortkoming de ontruiming. Daar er sprake is van een structurele en onhoudbare overlast, Weller tegenover omwonen-den, zeker als die ook van haar huren, de verplichting heeft om verstoring van het woon-genot te beëindigen, én de burgemeester voornemens is de woning ex artikel 174a van de Gemeentewet te sluiten, is er een spoedeisend belang bij de ontruiming, aldus Weller.

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

In een kort geding is een vordering tot ontruiming slechts toewijsbaar, indien van de eisende partij niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht én voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter, die geconfronteerd wordt met hetzelfde feitencomplex, de vordering zal toewijzen.

4.2.

Weller heeft, gelet op de aard van de gevraagde voorziening en de gebleken omstandigheden - waaronder in het bijzonder de omstandigheid dat handhavende instanties aangegeven hebben dat de situatie in de buurt waarin de woning gelegen is, zonder ingrij-pen, zal escaleren - een voldoende spoedeisend belang bij deze procedure.

Dat, zoals [gedaagde] ter betwisting van het spoedeisend belang heeft gesteld, het aannemelijk is dat de burgemeester ex artikel 174a van de Gemeentewet over zal gaan tot het opleggen van een last onder bestuursdwang in de vorm van een sluiting van de woning voor de duur van drie maanden, maakt voorgaande niet anders. Hiertoe wordt overwogen dat ondanks het feit dat een eventuele sluiting van de woning ook tot resultaat zal hebben dat het overlast gevend gedrag gestaakt wordt, Weller tevens nadeel zal ondervinden van de sluiting. Weller heeft er in deze dan ook belang bij om een nieuwe huurder te vinden en, indien overgegaan wordt tot sluiting van de woning, op grondslag van de nieuwe huurovereenkomst opheffing van het besluit te vragen.

4.3.

Met de aanname van spoedeisend belang aan de zijde van Weller, komt de kanton-rechter toe aan de beoordeling van de vraag of al dan niet met hoge mate van waarschijnlijk-heid kan worden aangenomen dat de rechter, die in een aanhangige of eventueel aanhangig te maken bodemprocedure geconfronteerd wordt met hetzelfde feitencomplex, tot het oordeel zal komen dat [gedaagde] zodanig in haar huurdersverplichtingen tekort is geschoten, dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is.

4.4.

In dit licht wordt voorop gesteld, dat voor zover [gedaagde] de stelling heeft willen innemen dat de feiten en omstandigheden die door Weller niet in de appelprocedure zijn aangevoerd, niet in de beoordeling van onderhavig geschil mogen worden betrokken, deze stellingname geen steun vindt in het recht. Het civiele procesrecht kent niet zoiets als het beginsel van ‘ne bis in idem’; buiten de leerstukken van gezag van gewijsde en misbruik van recht kan een vordering dan ook niet worden afgewezen op de enkele grond dat over dezelfde rechtsverhouding al eerder is geprocedeerd. Bovendien heeft te gelden dat het een partij vrijstaat om, op grond van de zich na een eerdere procedure voorgedane feiten en omstandigheden, een nieuwe bodemprocedure aanhangig te maken.

Dat, zoals [gedaagde] heeft gesteld, in deze kort geding procedure geen kennis mag worden genomen van de feiten en omstandigheden die niet aan de appelrechter zijn voorgelegd én met dit kort geding enkel kan worden vooruit gelopen op de uitkomst in de appelprocedure, is in dit licht dan ook onjuist.

4.5.

Naast de stelling dat [gedaagde] - ook na het vonnis van de kantonrechter in de bodemprocedure en de begeleiding door hulpverlenende instanties - ernstig en structureel tekort is blijven schieten in haar uit de huurovereenkomst voortvloeiende plicht, om ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast wordt veroorzaakt door haarzelf of door derden die zich vanwege haar in de woning bevinden, heeft Weller ter mondelinge behandeling nog gesteld dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft, nadat zij de huurovereenkomst bij opzegging van 11 augustus 2015 per de 14e van diezelfde maand heeft opgezegd.

4.6.

Met [gedaagde] acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat de opzegging het door Weller gewenste rechtsgevolg zal hebben in een bodemprocedure. Hiertoe wordt overwogen dat ter mondelinge behandeling van dit geschil is gebleken dat [gedaagde] haar beslissing tot het - middels opzegging - beëindigen van de huurovereenkomst, op zeer korte termijn en naar aanleiding van een emotievolle zienswijzenzitting en kortstondig gesprek met medewerkers van Weller genomen heeft.

De vraag is in deze dan ook of Weller, die op de hoogte was van het voorgaande, er in deze omstandigheden zondermeer vanuit mocht gaan dat [gedaagde] er op de hoogte van was dat zij met de ondertekening van de aan haar voorgelegde opzeggingsverklaring, een ingrijpende en in beginsel onomkeerbare beslissing zou nemen. Mede in het licht van de wetenschap van Weller ten aanzien van de aanhangige procedures, valt dan ook te verdedigen dat Weller had moeten begrijpen dat [gedaagde] door bijzondere omstandigheden tot de ondertekening is bewogen. In dit kader had het in ieder geval op de weg van Weller gelegen om contact met de gemachtigde van [gedaagde] op te nemen, om zodoende te verifiëren of [gedaagde] inderdaad wilde komen tot een directe huuropzegging en ontruiming binnen zeer korte termijn. Nu Weller dit niet gedaan heeft, wordt aannemelijk geacht dat op grond van het bepaalde in artikel 3:44, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek tot vernietiging van de rechtshandeling wordt gekomen.

4.7.

Hoewel [gedaagde] heeft betwist dat zij dan wel van harentwege in de woning verblij-vende derden overlast hebben veroorzaakt, acht de kantonrechter het op grond van de door Weller overgelegde producties aannemelijk dat [gedaagde] én, in ieder geval, [naam ex-partner] zich, vanuit de woning of in de directe omgeving van de woning, zodanig hebben gedragen dat dit tot overlast bij buurtbewoners heeft geleid. In de door Weller overgelegde producties (de bij Weller binnen gekomen overlast-meldingen, de sfeer-rapportage van de wijkagent, het voornemen van de burgemeester om de woning ex artikel 174a van de Gemeentewet te sluiten en het besluit van het RIMO om de hulpverlening te staken) ligt voldoende grond voor de vaststelling dat met name het in en rondom de woning vertoonde verbale en fysieke (huiselijk) geweld, tot geluidsoverlast en angstgevoelens bij omwonenden heeft geleid. Dat [gedaagde] zich in dit licht op het standpunt heeft gesteld dat in de door Weller overgelegde producties een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven, doet aan het voorgaande niets af, nu [gedaagde] nagelaten heeft om feiten en omstandigheden te stellen die een andere lezing rechtvaardigen. Een blote betwisting van de inhoud van voornoemde producties, volstaat in dit kader niet.

4.8.

Voor zover [gedaagde] in het licht van het voorgaande ter verweer heeft willen

aanvoeren, dat het handelen van haar ex-partner [naam ex-partner] niet het oordeel kan rechtvaar-digen dat zij tekort is geschoten in haar huurdersverplichtingen, slaagt dit verweer niet. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

4.9.

Bij de vraag of [gedaagde] aansprakelijk is voor de gedragingen van derden, dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de vraag of er voldoende verband bestaat tussen de gedragingen en het gebruik van het gehuurde. Daarvan is in elk geval sprake indien de huurder van (het voornemen tot) die gedragingen op de hoogte was, of daarmee ernstig rekening had te houden, maar heeft nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs van hem te verlangen maatregelen te treffen (HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8743).

4.10.

Het feit dat [naam ex-partner] met enige regelmaat in de woning heeft verbleven dan wel verblijft, kan op zichzelf niet als een tekortkoming van [gedaagde] jegens Weller worden aangemerkt. Wel geldt dat, nu [gedaagde] - ondanks het feit dat zij door diverse partijen, waaronder Weller, is aangesproken op het vanuit haar woning vertoonde gedrag - toegestaan heeft dat [naam ex-partner] regelmatig in de woning verbleef, van haar verlangd mocht worden dat zij maatregelen zou treffen om overlast voor omwonenden te voorkomen. Gesteld noch gebleken is echter dat [gedaagde] dergelijke maatregelen heeft getroffen of dat de gestelde gedragingen zich slechts eenmaal hebben voorgedaan, zodat ingrijpen niet van haar gevergd kon worden. [gedaagde] heeft weliswaar verwezen naar de door [naam reclasseringsmedewerker] , reclasserings-medewerker, ter zienswijzenzitting afgelegde verklaring, hieruit blijkt echter niet welke rol [gedaagde] heeft gespeeld bij het goede verloop van de begeleidingstrajecten. Dat [gedaagde] , zoals zij ter mondelinge behandeling heeft gesteld, niet opgewassen is tegen haar ex-partner, maakt - mede gelet op het feit dat Weller en anderen zich voldoende hebben ingespannen om samen met [gedaagde] tot beëindiging van het overlast veroorzakende gedrag te komen - voorgaande niet anders.

4.11.

De kantonrechter concludeert op grond van het voor overwogene dan ook dat [gedaagde] ernstig tekort is geschoten in de nakoming van haar voortdurende verplichtingen, zoals die voor haar uit de huurovereenkomst met Weller voortvloeien. Aannemelijk wordt geacht dat in een eventuele bodemprocedure een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zal worden toegewezen.

4.12.

Een afweging van de belangen van partijen leidt niet tot een ander oordeel. De belangen van [gedaagde] bij het voorzetten van bewoning zijn onmiskenbaar groot, maar maken niet dat Weller naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen gebruik zou mogen maken van de haar toekomende wettelijke bevoegdheden. Tegenover het belang van [gedaagde] staat immers het belang van Weller om mede vanwege haar verplichting jegens omwonenden - zeker als die ook van haar huren - voor een zo veilig mogelijke woonom-geving te zorgen en overlast vanuit een door haar verhuurde woning te voorkomen. Daarnaast heeft Weller terecht aangevoerd dat het zeer aannemelijk is dat [gedaagde] dan wel van harentwege in de woning verblijvende derden ook na deze procedure overlast gevend gedrag zullen blijven veroorzaken. De begeleiding door het RIMO is immers stopgezet en [gedaagde] ziet de gevolgen van haar handelen niet in. Als onweersproken staat bovendien vast dat Weller, door [gedaagde] aan te spreken op haar gedrag en nauw contact te onderhouden met hulpverleners, met het belang van [gedaagde] rekening heeft gehouden zonder het beoogde resultaat.

4.13.

Voor zover [gedaagde] nog heeft willen stellen dat het belang van haar (minderjarige) kinderen aan ontruiming in de weg staat, slaagt dit verweer evenmin. Het is weliswaar aannemelijk dat de ontruiming ook voor de kinderen van [gedaagde] (negatieve) gevolgen zal hebben, echter is het op de eerste plaats de verantwoordelijkheid van [gedaagde] , als ouder, om de nodige voorzieningen te treffen teneinde eventuele nadelige gevolgen voor haar kinderen zo veel mogelijk te beperken. Indien zij daarbij hulp nodig heeft van hulpverlenende instanties, dan is zij gehouden die hulp in te roepen. Hulpverlenende instanties zijn op hun beurt gehouden voor adequate hulpverlening zorg te dragen, indien zulks noodzakelijk zou zijn. Een en ander laat onverlet dat het tot de taak van de rechter behoort om bij de beoordeling van een vordering tot ontruiming als de onderhavige rekening te houden met de belangen van eventueel in de desbetreffende woning verblijvende minderjarige kinderen. Het belang van de kinderen van [gedaagde] is echter niet van zodanige aard dat het belang van Weller daarvoor dient te wijken. Gesteld noch gebleken is dat de kinderen onevenredig zwaar zullen worden getroffen door een verhuizing.

4.14.

Het belang van Weller bij een onmiddellijke voorziening bij voorraad weegt, gelet op het voorgaande, zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij het voortgezet gebruik van de woning. Het is, ter bescherming van de omwonenden wier belang Weller zich terecht aantrekt, gerechtvaardigd om bij wege van voorlopige voorziening vooruit te lopen op de ontbinding in de bodemprocedure. De vordering om [gedaagde] te veroordelen om de woning binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en verlaten zal derhalve worden toegewezen.

4.15.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Weller worden tot op heden begroot op:

dagvaarding: € 94,19

griffierecht: € 116,00

salaris gemachtigde: € 600,00

totaal: € 810,19

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] de woning aan de [adres] , [woonplaats] , met alle zich daarin van harentwege bevindende personen en zaken binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en onder afgifte der sleutels ter vrije beschikking van Weller te stellen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de aan de zijde van Weller gerezen proceskosten, begroot op € 810,19,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken.

type: NG