Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:7035

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
C/03/209431 / KG ZA 15/406
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil tav verstekvonnis. Het niet verschijnen was te wijten aan omstandigheid die in de risicosfeer van de veroordeelde lag. “Ritzen-Hoekstra” maatstaf onverkort van toepassing, zonder de versteknuance.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/464
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: C/03/209431 / KG ZA 15/406

Vonnis in kort geding van 18 augustus 2015

in de zaak van

[eiser]

wonend te [woonplaats 1]

eisende partij

gemachtigde mr. T.H. Geukes Foppen, advocaat te Amsterdam

tegen

[gedaagde]

wonend te [woonplaats 2]

gedaagde partij

gemachtigde mr. H.A.J. Kalsbeek, advocaat te Maastricht

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 5 augustus 2015

  • -

    de van de zijde van beide partijen op 14 augustus 2015 per faxbericht toegestuurde producties

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 17 augustus 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn beide eigenaar van 50% van de aandelen van de in 1998 opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Precision Theatrical Effects Europe B.V. (PTEE), van welke b.v. [gedaagde] sinds 2007 enig bestuurder is.

2.2.

Vanaf december 2012 tot medio 2013 hebben partijen gecorrespondeerd over een eventuele overname van de aandelen van [eiser] door [gedaagde] . [gedaagde] heeft op verzoek van [eiser] op 14 januari 2013 stukken betreffende PTEE en haar financiën doen toekomen, waaronder de jaarrekeningen vanaf 2008 tot en met 2011.

2.3.

Bij e-mailbericht van 14 april 2013 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht om een aanbod te doen voor de aandelen: “I may be able to be pursuaded to move on if the price is right (…) simply make an offer. If I like it, we will be free of this problem.”

2.4.

Een dag later doet [gedaagde] , eveneens per e-mailbericht, een bod van € 20.000,00 voor de aandelen van [eiser] :

[eiser] ,

I offer € 20.000,- (EURO) for the shares.

2.5.

Twee dagen daarna, op 17 april 2013, antwoordt [eiser] als volgt:

[gedaagde] ,

I like the figure € 30,000 better.

2.6.

De volgende dag bericht [gedaagde] [eiser] het volgende:

[eiser] ,

It is a deal. My lawyer will contact you about the details on the transfer of the shares and the

€ 30.000,- as agreed.

2.7.

Vervolgens heeft [gedaagde] door een notaris een concept-leveringsakte laten opstellen ter overname van de aandelen voor € 30.000,00. Die akte is door [eiser] tot op heden niet ondertekend.

2.8.

Bij exploot van dagvaarding van 11 maart 2015 heeft [gedaagde] [eiser] gedagvaard te verschijnen ter terechtzitting van deze rechtbank op 17 juni 2015 te 10:00 uur. Het exploot is op 19 april 2015 in de Verenigde Staten in persoon aan [eiser] betekend.

2.9.

[eiser] is in die procedure niet verschenen, waarna hij bij (verstek)vonnis van 15 juli 2015 met registratienummer C/03/207457 / HA ZA 15-344 (verder te noemen: het verstekvonnis) is veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis zijn medewerking te verlenen aan het verlijden van genoemde concept-leveringsakte van aandelenoverdracht, bij gebreke van welke medewerking het vonnis in de plaats treedt van de akte. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is door [gedaagde] aan/bij [eiser] betekend.

2.10.

[eiser] heeft inmiddels verzet tegen het verstekvonnis aangetekend.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert thans om [gedaagde] te verbieden het verstekvonnis te executeren, althans de executie ervan te schorsen totdat een einduitspraak in de verzetprocedure in kracht van gewijsde is gegaan, zulks op straffe van (verbeurte van) een dwangsom van € 25.000,00 alsmede € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] daar niet aan voldoet, onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering van [eiser] tot opschorting van de executie van het (verstek)vonnis van 15 juli 2015 is te beschouwen als een executiegeschil en valt onder de reikwijdte van artikel 438 Rv.

4.2.

Bij de beoordeling van een executiegeschil staat voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen bevoegd is dat vonnis te executeren, mits zij die bevoegdheid niet misbruikt. In lijn hiermee is in reeds jaren bestendige rechtspraak (zie onder meer HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 “Ritzen/Hoekstra”) aanvaard dat van dat laatste sprake kan zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor de geëxecuteerde, zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is.

4.3.

De onder 4.2 genoemde maatstaf biedt - in beginsel - ruimte om, indien het te executeren vonnis (zoals hier) een verstekvonnis is, de tenuitvoerlegging te schorsen wanneer rekening moet worden gehouden met de serieuze mogelijkheid dat de veroordeling niet zou zijn uitgesproken indien inhoudelijk verweer was gevoerd (zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9-12-2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:5174). In een verstekvonnis is immers niet op het geschil beslist, maar is de vordering (slechts) toegewezen omdat die niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Het is dan aan de (bij verstek) veroordeelde om gemotiveerd te stellen waarom het verstekvonnis in de te entameren verzetprocedure geen stand zal houden.

Deze nuancering van de “Ritzen-Hoekstra maatstaf” is echter niet aan de orde indien het niet-verschijnen van de veroordeelde aan hem zelf te wijten is dan wel in zijn risicosfeer ligt. Ter zitting is komen vast te staan dat het niet-verschijnen in de verstekzaak te wijten was aan de procesgemachtigde van [eiser] dan wel aan diens kantoor. Die omstandigheid ligt in de risicosfeer van [eiser] . Het onderhavige executiegeschil dient derhalve te worden beoordeeld aan de maatstaf als genoemd onder 4.2 (zonder de “versteknuance”).

4.4.

Gesteld noch gebleken is dat het verstekvonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust. De enkele stelling dat er in de optiek van [eiser] geen overeenkomst was bereikt over de verkoop van de aandelen is daartoe hoe dan ook volstrekt onvoldoende.

4.5.

Volgens [eiser] zal bij executie van het verstekvonnis een noodtoestand aan zijn zijde ontstaan, doch hij laat na om die stelling ook maar van enige concrete onderbouwing te voorzien. [eiser] stelt slechts dat executie van het verstekvonnis tot ‘onherstelbare schade en een onomkeerbare situatie' kan lijden, doch zonder nadere motivering, die [eiser] niet geeft, valt daaruit geenszins een noodtoestand aan zijn zijde af te leiden, temeer daar executie van het verstekvonnis [gedaagde] niet ontslaat van zijn verbintenis om de koopsom aan [eiser] te betalen. De volstrekt onvoldoende onderbouwde vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.6.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op

€ 1.101,00, bestaande uit € 816,00 aan salaris gemachtigde en € 285,00 aan griffierecht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de gevorderde voorziening af,

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis bepaald op € 1.101,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.

RK