Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:7000

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
03/661196-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als bestuurder van een landbouwvoertuig een aanrijding met een fietser veroorzaakt. Het handelen van verdachte wordt gekwalificeerd als overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte wordt voor dit feit schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel, aangezien de rechtbank alle omstandigheden in aanmerking genomen een straf of maatregel niet passend of geboden acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/661196-14

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 augustus 2015

in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [naam geboortegegevens] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

Raadsvrouw is mr. G. de Jong, advocaat, kantoorhoudende te Eindhoven.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 augustus 2015, waarbij de officier van justitie, de raadsvrouw en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er –na wijziging–, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

primair: als bestuurder van een tractor op 30 januari 2014 te Maasbree een ongeval heeft veroorzaakt door zich zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend te gedragen, waarbij aan [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (al dan niet blijvend hersenletsel met als gevolg verminderd bewustzijn) werd toegebracht;

subsidiair: als bestuurder van een tractor op 30 januari 2014 te Maasbree gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt, waardoor een aanrijding met een fietser is ontstaan.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte niet het verwijt kan worden gemaakt dat zijn gedrag zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend is geweest. Zij vordert daarom vrijspraak van het primair ten laste gelegde.

Gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, kan namelijk niet bewezen worden dat de verdachte heeft gereden terwijl de afneembare hydraulische hefinstallatie op een dusdanig hoge stand stond dat deze installatie hem het zicht belemmerde en door de installatie het verblindende licht van de koplampen weerkaatst werd.

De officier van justitie acht wel verwijtbaar dat de verdachte met zijn tractor heeft gereden terwijl de rechter heflepel van de hydraulische hefinstallatie zich weliswaar in horizontale – ingeklapte – toestand, maar rechts buiten het frame van de hefinstallatie bevond waardoor zijn zicht belemmerd werd en hij de fietser over het hoofd heeft gezien. Het niet opmerken van de fietser en daardoor niet uitwijken voor die fietser heeft gevaar op de weg veroorzaakt.

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet, zoals subsidiair ten laste is gelegd, is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is om te komen tot een veroordeling van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Er is namelijk niet komen vast te staan dat het zicht van de verdachte ernstig werd belemmerd door zijn eigen onzorgvuldigheid. Ook kan niet bewezen worden dat zijn snelheid van invloed is geweest op de aanrijding. Als verdachte de fietser had gezien, dan was hij voldoende uitgeweken om hem veilig te passeren.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank1

Op 30 januari 2014 heeft er rond 18:05 uur een aanrijding plaatsgevonden tussen een landbouwtrekker, bestuurd door de verdachte en een fietser. Het was op dat tijdsstip al donker. De fietser reed aan de rechterzijde van de Schorweg te Venlo, komende uit de richting van Boekend en rijdende in de richting van Maasbree. De verdachte reed met de landbouwtrekker en de daarachter gekoppelde drie-assige beladen oplegger eveneens over de Schorweg in dezelfde richting als de fietser.

De landbouwtrekker was aan de uiterste voorzijde voorzien van een afneembare hydraulische hefinstallatie. Deze installatie zou volgens de Verkeersongevallenanalyse –gelet op de afgestelde hoogte waarin de installatie na het ongeval werd aangetroffen– het zicht naar voren hebben gehinderd, waardoor het uitzicht voor de bestuurder onvoldoende was. Tevens zou deze afneembare hydraulische hefinstallatie bij die stand aan de voorzijde het groot- en dimlicht volledig afgedekt hebben, waardoor het licht zodanig weerkaatst werd tegen de installatie dat er een verblindend effect ontstond voor de bestuurder.

De bestuurder kon onder die omstandigheden de fietser pas waarnemen op het moment dat de fietser zich ongeveer twee meter voor het rechtervoorwiel van de landbouwtrekker bevond.

De fietser, genaamd [naam slachtoffer] , werd door het rechtervoorwiel van de landbouwtrekker van achteren aangereden. Fiets en fietser werden door die aanrijding naar voren en naar rechts, in de richting van Maasbree, geworpen. De fiets eindigde na de aanrijding ongeveer 15 meter na de plaats van aanrijding in de rechterberm van de Schorweg. [naam slachtoffer] werd ongeveer 5 meter verder dan de fiets, eveneens in de rechterberm, tegen een boom geworpen.2 Hij liep zwaar hersenletsel op en verkeerde na het ongeval in een laagbewuste toestand, waarbij destijds geen uitspraak over de prognose gedaan kon worden.3

Uit de verklaring d.d. 25 maart 2015 van de revalidatiearts werkzaam bij Adelante Hoensbroek, waar [naam slachtoffer] thans ambulant behandeld wordt, blijkt dat er sprake is van ernstig niet-aangeboren hersenletsel met gevolgen op het gebied van bewegen, communicatie en denken. Er is sprake van psychische stoornissen en storingen in het bewustzijn. De duur van de genezing is onbekend, maar het meeste herstel zou inmiddels wel al hebben plaats gevonden.4 Uit een tweetal aan het dossier toegevoegde beschikkingen van de rechtbank Limburg blijkt voorts dat de ouders van [naam slachtoffer] op 9 december 2014 als bewindvoerders en mentoren van hem zijn benoemd vanwege zijn geestelijke en lichamelijke toestand.

De verdachte is driemaal bij de politie verhoord. Hij heeft verklaard dat hij een ervaren bestuurder is van landbouwvoertuigen. Hij is gewend om te rijden met een afneembare hefmast en het zicht was goed. Hij had de hefmast laten zaken tot 30 centimeter boven de grond en de heflepels waren ingeklapt. De verlichting van de tractor scheen naar het hem bijstond voorbij de hefmast en verblindde hem in ieder geval niet.

Hij kon vrijuit rijden op de Schorweg, want er kwam geen tegenligger en er was geen auto die achter hem reed. Hij was net de bocht gepasseerd en was snelheid aan het maken voor het rechte stuk richting Maasbree. Hij schat in dat hij ongeveer 30 kilometer per uur reed. Plotseling zag hij een bagagedrager van een fietser bij het rechtervoorwiel van de tractor. Hij heeft de tractor onmiddellijk naar links gestuurd en heeft vol geremd. Hij zag dat hij met het rechtervoorwiel de fietser schampte en dat deze naar rechts ging. Zodra de tractor stilstond heeft hij het alarmnummer gebeld en zich om het slachtoffer bekommerd. Hij was totaal verrast door het zien van de fietser.

De verdachte toont zich tijdens een van de verhoren verbaasd over een foto waarop te zien is dat de rechterheflepel naar buiten staat. Die lepel had beter afgesteld kunnen staan, aldus de verdachte. Als aan verdachte foto’s getoond worden van de hoogte van de hefinstallatie, verklaart hij dat hij zich niet kan voorstellen dat hij bij deze stand is gaan rijden. Hij verklaart dat hij degene moet zijn geweest die de hefinstallatie in die stand heeft gezet, maar kan zich niet herinneren of hij dit bewust of onbewust heeft gedaan. Voorts heeft hij verklaard dat hij een noodstop heeft gemaakt en dat hij zijn gsm heeft gepakt, welke vaak op de armleuning tussen de joystick voor de hydraulische bediening van de hefinstallatie en de snelheidsbediening van de tractor.

Hij kan de hoogte van de hefinstallatie niet verklaren.5

Ter terechtzitting van 4 augustus 2014 heeft de verdachte verklaard dat hij nagedacht heeft over een verklaring voor de hoogte van de hefinstallatie. Hij verklaarde dat de joystick voor de bediening van de hefinstallatie erg gevoelig is. Deze hoeft maar kort aangeraakt te worden om de hefinstallatie snel omhoog te laten gaan. Zeker als de installatie niet beladen is, is de snelheid aanzienlijk bij het omhoog gaan. De verdachte heeft een noodstop gemaakt en in paniek naar zijn mobiele telefoon gegrepen, welke naast de joystick lag. Hij vermoedt dat hij tijdens die handelingen onbewust de joystick heeft geraakt, waardoor de hefinstallatie in een hogere stand is gezet dan waarin hij zich tijdens het rijden bevond.

Hij kan zich namelijk niet voorstellen dat hij bij een dergelijk hoge stand van de hefinstallatie, waarin de installatie na het ongeval is aangetroffen, heeft gereden. Evenmin is hij verblind geweest door de lampen van de tractor.

Wel verwijt de verdachte zichzelf dat hij rechterheflepel niet handmatig binnen het frame van de hefinstallatie heeft gezet. Daardoor is zijn zicht op de weg belemmerd.6

De rechtbank is van oordeel dat de lezing van de verdachte, zoals ter zitting van 4 augustus 2015 naar voren gebracht, dat de hefinstallatie pas na het ongeluk in een hogere stand is komen te staan, niet uitgesloten kan worden op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. Daarmee kan niet bewezen worden dat de verdachte heeft gereden terwijl de hefinstallatie op een onverantwoorde hoogte stond afgesteld.

Primair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat het rijgedrag van de verdachte zeer dan wel aanmerkelijk onoplettend en/of onvoorzichtig is geweest. Er is dan ook geen sprake van een misdrijf als strafbaar gesteld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Subsidiair

Wel staat naar het oordeel van de rechtbank op basis van de genoemde bewijsmiddelen vast dat de verdachte niet tijdig is uitgeweken voor de fietser waardoor een aanrijding met die fietser is ontstaan. De verdachte had de rechterheflepel niet voldoende naar binnen geklapt, waardoor zijn zicht werd belemmerd. Het rijden met een landbouwvoertuig, terwijl de hefinstallatie zodanig is ingericht dat de verdachte onvoldoende uitzicht naar voren of opzij heeft, betreft een verkeersfout die aan de verdachte te verwijten is. Hierdoor heeft hij gevaar op de weg veroorzaakt en dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt. De verdachte heeft immers de fietser niet op tijd opgemerkt, waardoor hij niet meer heeft kunnen uitwijken en een aanrijding met deze fietser niet heeft kunnen voorkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een verkeersfout in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

T.a.v. subsidiair:

op 30 januari 2014 te Maasbree, gemeente Peel en Maas, als bestuurder van een motorrijtuig (tractor met aanhangwagen/oplegger), daarmee rijdende op de weg, de Schorweg, - bij duisternis - heeft gereden terwijl het zicht voor hem, verdachte, werd belemmerd door de van de afneembare hydraulische hefinstallatie deel uitmakende naar rechts uitstaande rechter heflepel en bij nadering van een op genoemde Schorweg zich bevindende fietser niet, althans niet behoorlijk of niet voldoende is uitgeweken om een aanrijding met die fietser te voorkomen, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in aanrijding is gekomen met die fietser ( [naam slachtoffer] ), door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

T.a.v. subsidiair:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis en een voorwaardelijk ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden, beide met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft daarbij betoogd dat aan beroepschauffeurs hoge eisen mogen worden gesteld. Anderzijds heeft zij rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, dat verdachte zeer aangedaan is, dat hij zeer betrokken is bij de situatie van het slachtoffer en diens familie en die familie ook geen heil ziet in strafvervolging.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met het blanco strafblad van de verdachte en ook de omstandigheid dat de verdachte geprobeerd om zijn verantwoordelijkheid zoveel mogelijk te nemen en er zo vaak als mogelijk te zijn voor het slachtoffer en zijn familie. Hij is schuldbewust. Strafoplegging heeft in deze zaak nauwelijks nog de functie van leedtoevoeging, vergelding of beveiliging en regulering van de maatschappij. Gelet hierop heeft de raadsvrouw gepleit voor schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel dan wel een geheel of deels voorwaardelijke straf. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 april 2014 in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RBOBR:2014:2188).

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of en zo ja welke straf en/of maatregel moet worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft op 30 januari een verkeersfout gemaakt. Doordat hij de rechter heflepel van de afneembare hydraulische hefinstallatie niet op de juiste wijze had afgesteld alvorens met de tractor te gaan rijden, heeft hij een fietser over het hoofd gezien. Daardoor is hij met zijn tractor onvoldoende uitgeweken voor deze fietser. Als gevolg daarvan heeft zijn voertuig met het rechterwiel de bagagedrager van de fiets geraakt, waardoor de fietser, [naam slachtoffer] , van zijn fiets en tegen een boom werd geworpen. [naam slachtoffer] liep zwaar hersenletsel op en verkeerde na het ongeval in een laagbewuste toestand. Inmiddels is duidelijk dat er sprake is van ernstig niet-aangeboren hersenletsel met gevolgen op het gebied van bewegen, communicatie en denken. De duur van de genezing is onbekend, maar het meeste herstel zou inmiddels wel al hebben plaats gevonden.

Het strafrecht heeft op de eerste plaats tot doel om de ernst van de gemaakte verkeersfout te bestraffen. Zoals uit het voorgaande blijkt, is de ernst van de door de verdachte gemaakte verkeersfout op zichzelf bezien relatief gering. De ernst van de gevolgen van de gemaakte verkeersfout speelt vervolgens –maar minder prominent– een rol bij de genoegdoening voor het slachtoffer, een tweede doel dat door het strafrecht gediend wordt. In de onderhavige zaak heeft een relatief geringe verkeersfout buitengewoon ernstige gevolgen gehad: [naam slachtoffer] heeft zeer ernstig –al dan niet blijvend– hersenletsel opgelopen. Dit gevolg wordt door de rechtbank betrokken bij de vraag naar de straftoemeting.

De moeder van [naam slachtoffer] was ter terechtzitting van 4 augustus 2014 aanwezig en was bereid om een toelichting op de situatie van haar zoon te geven. Zij heeft naar voren gebracht dat [naam slachtoffer] iedere dag hard vecht voor herstel. De artsen namen aanvankelijk aan dat hij het ongeval niet zou overleven. [naam slachtoffer] blijft de artsen echter verbazen met iedere stap die hij zet. Inmiddels kan hij via een spraakcomputer communiceren en kan hij rechts zowel zijn hand als zijn voet bewegen. Hoewel bij het slachtoffer en zijn familie soms boosheid en verdriet overheersen, proberen zij alle energie in de revalidatie te steken. Er is nog steeds hoop dat [naam slachtoffer] verder kan komen. Hij heeft dat zelfvertrouwen en zet zich hier voor meer dan voor de volle 100% voor in.

Mevrouw [naam moeder slachtoffer] heeft voorts naar voren gebracht dat zij met haar zoon over de terechtzitting heeft gepraat. [naam slachtoffer] was voor het ongeluk geen haatdragend persoon en is dat nog steeds niet. Hoewel hij zich met momenten ook boos en verdrietig voelt, omdat hij graag weer wil kunnen lopen en praten, heeft [naam slachtoffer] aangegeven dat straf voor [naam verdachte] zinloos is.

De reclassering heeft met de vader van [naam slachtoffer] gesproken als referent. Hij heeft zich zeer positief over de houding van verdachte uitgelaten, die er gedurende het hele proces en op diverse belangrijke momenten is geweest voor [naam slachtoffer] en zijn familie. De ouders hebben niet de opvatting dat verdachte iets te verwijten valt en verdere strafrechtelijke vervolging is geen issue voor hen. Zij zijn voorts van mening dat verdachte reeds genoeg is gestraft door het besef dat hij een ongeval met zoveel impact heeft veroorzaakt en zij zijn blij dat hij zich altijd zo positief en betrokken heeft opgesteld in het hele verwerkingsproces.

Uit het reclasseringsrapport van 2 april 2015 leidt de rechtbank af dat de verdachte zichzelf verwijt nalatig te zijn geweest in de juiste afstelling van het landbouwvoertuig waarmee het ongeval werd veroorzaakt. Wanneer hij schuldig wordt bevonden, zal hij onvoorwaardelijk voor de gevolgen opkomen. Wel hoopt hij dat zijn rijbewijs niet zal worden ingenomen, aangezien hij dit nodig heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden in de agrarische sector.

Ook de rechtbank is ter terechtzitting gebleken dat de verdachte zeer gebukt gaat onder de gevolgen van het door hem veroorzaakte ongeval. Hij heeft oprecht berouw getoond en voelt zich zeer betrokken bij het slachtoffer. Dat weegt de rechtbank zwaar mee bij het beantwoorden van de vraag of in de onderhavige zaak enige straf of maatregel moet worden opgelegd. Daarnaast is ook van belang dat de verdachte nooit eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Gelet op al deze omstandigheden, in onderling verband en in het licht van voornoemde strafdoelen bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat het opleggen van een straf of maatregel in deze zaak passend noch geboden is. Verdachte zal daarom wel schuldig worden verklaard, maar er zal geen straf of maatregel worden opgelegd.

De rechtbank ziet geen redenen om een (voorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, nu deze maatregel vooral ook is bedoeld om de verkeersveiligheid te vergroten. Van enig bijzonder belang tot het opleggen van een dergelijke maatregel is de rechtbank echter niet gebleken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder primair;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4. is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4. is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. M.B. Bax en mr. G. Demmink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.E.J. Maas, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 augustus 2015.

Buiten staat

Mr. G. Demmink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging – ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 30 januari 2014 te Maasbree, in elk geval in de gemeente Peel en Maas, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (tractor met aanhangwagen/oplegger), daarmede rijdende over de weg, de Schorweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam, - bij duisternis - te rijden terwijl het zicht voor hem, verdachte, (zeer ernstig) werd belemmerd door

- een aan de voorzijde van die tractor gemonteerde afneembare hydraulische hefinstallatie;

- en/of de voor verdachte als bestuurder verblindende verlichting van de koplampen van de tractor, doordat deze verlichting werd teruggekaatst door de aan de voorzijde van de tractor gemonteerde afneembare hydraulische hefinstallatie;

- en/of de van de afneembare hydraulische hefinstallatie deel uitmakende naar rechts uitstaande rechter heflepel

en/of bij nadering van een op genoemde Schorweg zich bevindende fietser de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet tijdig en niet voldoende te verminderen en/of niet, althans niet behoorlijk en/of niet voldoende uit te wijken om een aanrijding of botsing met die fietser te voorkomen, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing, althans aanrijding is gekomen met die fietser, te weten [naam slachtoffer] , waardoor aan die [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (ernstig al dan niet blijvend hersenletsel met als gevolg verminderd bewustzijn) werd toegebracht en/of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 30 januari 2014 te Maasbree, gemeente Peel en Maas, als bestuurder van een motorrijtuig (tractor met aanhangwagen/oplegger), daarmee rijdende op de weg, de Schorweg, - bij duisternis - heeft gereden terwijl het zicht voor hem, verdachte, (zeer ernstig) werd belemmerd door

- een aan de voorzijde van die tractor gemonteerde afneembare hydraulische hefinstallatie;

- en/of de voor verdachte als bestuurder verblindende verlichting van de koplampen van de tractor, doordat deze verlichting werd teruggekaatst door de aan de voorzijde van de tractor gemonteerde afneembare hydraulische hefinstallatie;

- en/of de van de afneembare hydraulische hefinstallatie deel uitmakende naar rechts uitstaande rechter heflepel;

en/of bij nadering van een op genoemde Schorweg zich bevindende fietser de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet tijdig en niet voldoende heeft verminderd en/of niet, althans niet behoorlijk en/of niet voldoende is uitgeweken om een aanrijding of botsing met die fietser te voorkomen, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing, althans aanrijding is gekomen met die fietser ( [naam slachtoffer] ), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/661196-14

Proces-verbaal van de openbare zitting van 18 augustus 2015 in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren te [naam geboortegegevens] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

Raadsvrouw is mr. G. de Jong, advocaat, kantoorhoudende te Eindhoven.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is wel/niet in de zittingzaal aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.

1 De door de rechtbank in de voetnoten aangeduide bewijsmiddelen zijn in wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij proces-verbaal van relaas, procesverbaalnummer PL2300-2014009089 10 juli 2014. Het dossier is genummerd van pagina 1 tot en met 131.

2 Proces-verbaal van de verkeersongevallenanalyse d.d. 28 april 2014, pagina 18 tot en met 20 en 25 tot en met 26.

3 De geneeskundige verklaring door [naam geneeskundige] d.d. 29 april 2014, pagina 65.

4 Medische informatie van [naam revalidatiearts] , revalidatiearts van Adelante Hoensbroek, betreffende [naam slachtoffer] d.d. 25 maart 2015. Dit schriftelijk bescheid maakt geen deel uit van de doornummering.

5 Processen-verbaal van de verhoren van de verdachte op resp. 30 januari 2014, 4 juni 2014 en 26 juni 2014, pagina’s 86, 87, 89, 93, 94 en 95.

6 De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting op 4 augustus 2015.