Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:6948

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
4127303 CV EXPL 15-4491
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nietigheid van dagvaardingsexploot op de voet van art. 111 / 120 / 122 Rv of niet-ontvankelijkheid eiser?

Keuze kantonrechter valt op het laatste en wel reeds na één procesronde.

Goede procesorde en eisen proces-economie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 4127303 CV EXPL 15-4491

Vonnis van de kantonrechter van 12 augustus 2015 (bij vervroeging)

in de zaak

[eiser]

wonend te [woonplaats] zonder opgave nader adres

woonplaats kiezend te [plaats] aan het zaakadres [adres 1]

en ‘zelf’ optredend ‘als gemachtigde’

verder ook te noemen: “ [eiser] ”

eisende partij,

in persoon procederend

tegen

de besloten vennootschappen

BOEK & OFFERMANS WONINGMAKELAARS MAASTRICHT B.V.

en

BOEK & OFFERMANS BEDRIJFSMAKELAARS MAASTRICHT B.V.

beide kantoorhoudend te (6224 JK) Maastricht aan de Scharnerweg 116 B

gezamenlijk verder ook te noemen: “B & O” (in vrouwelijk enkelvoud)

gedaagde partij

gemachtigde mr. A.S. graaf van Randwijck, advocaat te Rotterdam

1 PROCEDURE

[eiser] heeft B & O bij dagvaarding van 11 mei 2015 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het door gerechtsdeurwaarder M.M.J. Haenen te Maastricht uitgebrachte exploot, tegelijk waarmee als bijlagen in fotokopie de producties I a, I b en II alsmede een kopie van een paspoortpagina aan B & O betekend zijn.

B & O heeft - na gevraagd en verkregen herhaald uitstel - ter rolzitting van 15 juli 2015 schriftelijk geantwoord en gemotiveerd inhoudelijk verweer gevoerd onder verwijzing naar de eigen producties G1 en G2, doch zich primair op het standpunt gesteld dat het inleidende processtuk een ‘obscuur libel’ is, zodat ‘de dagvaarding’ (het exploot van dagvaarding) nietig verklaard zou moeten worden.

In verband met aard en inhoud van deze wederzijds ingediende procestukken heeft de kantonrechter- mede acht slaand op de eis van proces-economie – aanstonds vonnis bepaald, zodat heden (bij vervroeging) uitspraak gedaan wordt.

2 GESCHIL / VORDERING en VERWEER

2.1

[eiser] ‘verzoekt’ in een vijf pagina’s beslaand stuk (exclusief de bijlagen/producties) de ‘Kanton Rechter’ om ‘de rechtmatigheid, zorgvuldigheid van de handelingen van Gedaagde te toetsen teneinde vast te stellen in welke mate het honorarium van gedaagde, onrechtmatig is gedeclareerd ten koste van Eiser en in hoeverre Gedaagde aansprakelijk is voor de berokkende vermogens schade, dit alles binnen de limiet van het Kanton Gerecht’. Dit ‘verzoek’ (niet nader gepreciseerd) gaat vergezeld van een tweede - meer processueel - ‘verzoek’, waarmee de kantonrechter gevraagd wordt ‘kennis te nemen, zomogelijk leidraad te geven voor overleg en zonodig vonnis uit te spreken waarbij Gedaagde te veroordelen tot alle kosten, incl buitengerechtelijke, bij voorraad uitvoerbaar’. Nadere bedragen of verdergaande specificaties van hetgeen ‘verzocht’ (bedoeld zal zijn: gevorderd) wordt, zijn door [eiser] niet verschaft.

2.2

Het betekende exploot is - met inbegrip van een slotgroet en een ondertekening van de kant van [eiser] zelf boven de handtekening van de gerechtsdeurwaarder - voor het niet-formele (en kennelijk niet voor rekening van deze deurwaarder komende) gedeelte ingericht als een door [eiser] aan de kantonrechter gerichte brief, met alle beperkingen van dien.

2.3

Bij het zoeken naar een feitelijke en juridische grondslag voor de verlangens van [eiser] in het eerste inhoudelijke gedeelte van het exploot van dagvaarding valt het volgende op. Een korte feitenopsomming over een ‘mogelijke executieveiling’ van een aan [eiser] toebehorende onroerende zaak in Maastricht en de rol daarbij van ‘gedaagde’ (zonder de eerste en de tweede gedaagde vennootschap te dien aanzien in enig opzicht te onderscheiden) leidt niet - via een logische opbouw - tot doorzichtige conclusies ten aanzien van specifieke gedragingen en/of nalatigheid van een der gedaagde partijen dan wel van beide gedaagde partijen, die - geplaatst in een juridisch kader – om een welomschreven beslissing van de kantonrechter vragen. Wel heeft [eiser] het over ‘gedaagde als speciaal ingehuurde locale (i.e. lokaal) deskundige’, overbodig werk en noodzaak van verantwoording zijdens ‘gedaagde’, aan deze toe te dichten misleiding en/of ‘frauduleuze handelingen’ en gebrek aan ‘zorgvuldigheid’ alsmede tot slot het berokkenen van ‘vermogensschade’, maar zonder dit alles te koppelen aan concrete feiten, personen en handelingen, laat staan aan tijdstippen en begeleidende omstandigheden. Er zijn wel enige (niet omvangrijke) producties aangeduid en aan het exploot toegevoegd, maar zonder inhoudelijke toelichting.

2.4

Het verweer van B & O strekt er primair toe dat het exploot van dagvaarding door de kantonrechter nietig verklaard zou moeten worden althans dat [eiser] niet-ontvankelijk geacht moet worden in de aldus ingestelde vordering. Volgens B & O gaat het bij het inleidende processtuk om een ‘obscuur libel’ dat niet voldoet aan minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid en dat bovendien verre van concludent is op ieder onderdeel. Omdat zij zich daardoor in het gerechtvaardigde belang bij het adequaat kunnen leveren van verweer geschaad voelt, zou niet tot inhoudelijke behandeling overgegaan mogen worden.

2.5 ‘

Louter ten overvloede’ heeft B & O desondanks het merendeel van haar antwoord besteed aan een inhoudelijke bestrijding van hetgeen [eiser] mogelijk met zijn vordering beoogt en heeft zij zelf een beschrijving gegeven van haar betrokkenheid bij ‘een door ING opgestart veilingtraject’ ten aanzien van de onroerende zaak aan het [adres 2] te [plaats] . Zij heeft iedere aansprakelijkheid jegens [eiser] betwist, ziet niet in voor welke schade zij zou moeten opkomen, wijst op de eigen rol van [eiser] (‘eigen schuld’) en op het feit dat deze ook andere betrokken partijen (bank en notaris) aansprakelijk hield, en is van oordeel dat ook op inhoudelijke gronden de vordering van [eiser] moet sneuvelen.

3 BEOORDELING

3.1

Alvorens tot inhoudelijke behandeling van de vordering van [eiser] over te kunnen gaan, moet de kantonrechter een oordeel geven over het primaire verweer van B & O, dat weliswaar naar de letter op nietigheid van (het exploot van) dagvaarding aanstuurt, maar tevens de ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vordering aan de orde stelt.

3.2

[eiser] heeft opzichtig gefaald in de opdracht om een vordering (niet ‘verzoek’ zoals hij het abusievelijk formuleert) op ordentelijke wijze, dat wil zeggen: niet alleen in duidelijke bewoordingen en logische redeneringen maar ook conform de eisen zoals die in de artikelen 21, 85 en 111 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) neergelegd zijn, in het inleidende processtuk (het exploot van dagvaarding) aan de rechter voor te leggen. Om te beginnen is al onduidelijk wat [eiser] precies vordert als hij de kantonrechter verzoekt om ‘kennis te nemen’, een ‘leidraad voor overleg te geven’ (en ‘zonodig’ - i.e. zo nodig - vonnis uit te spreken’), maar tevens ‘te toetsen teneinde vast te stellen in welke mate’ een verder niet geconcretiseerd ‘honorarium van gedaagde’ ten onrechte (‘onrechtmatig’) gedeclareerd is en ‘aansprakelijkheid voor de berokkende vermogens schade’ oplevert (‘binnen de limiet van het Kanton Gerecht’).

3.3

Niet alleen is die aldus verwoorde eis vergaand onduidelijk geformuleerd, maar ook de relatie met het daaraan voorafgaande feitelijke fundament (de gronden) is ver te zoeken, als deze al niet volledig ontbreekt. Daarmee beantwoordt het exploot van dagvaarding niet aan hetgeen art. 111 lid 2 aanhef en sub d. Rv verlangt. Door verder art. 111 lid 3 Rv compleet te negeren, maakt [eiser] het nog erger: omtrent door B & O buiten rechte gevoerde verweren en de gronden daarvan, noch omtrent de eigen bewijsmiddelen en/of getuigen heeft [eiser] ook maar iets opgemerkt. Dat de voor de vordering en dus voor de beslissing relevante feiten ‘volledig en naar waarheid’ aangevoerd zijn, valt in het licht van hetgeen B & O in haar antwoord verwoord heeft, moeilijk vol te houden, zodat [eiser] ook art. 21 Rv geschonden, althans onvoldoende nageleefd heeft. In plaats van te volstaan met het inbrengen van enige (overigens niet naar hun betekenis voor de zaak toegelichte) korte e-mailberichten, had [eiser] in het licht van de eis ex art. 85 Rv ook van op schrift gezette overeenkomsten, publicaties en facturen (voor zover in het exploot aan de orde gesteld én voor zover in zijn bezit) kopieën bij het exploot moeten laten voegen.

3.4

Eventuele nietigheid van het exploot van dagvaarding op de voet van art. 120 lid 1 Rv wegens het niet-naleven van art. 111 Rv door [eiser] , kan door de verschijning van gedaagde partij B & O in het geding gedekt zijn als naar het oordeel van de kantonrechter aangenomen moet worden dat B & O door het gebrek ‘niet onredelijk in haar belangen geschaad’ wordt, zij het dat dan herstel van het gebrek op kosten van de eisende partij bevolen kan worden. Mede gelet op het uitvoerige inhoudelijke verweer van B & O kan moeilijk volgehouden worden dat zij in haar processuele belang juist door de schending van artikel 111 Rv van de kant van [eiser] ernstig geschaad is; de ontbrekende schakels worden door B & O immers bijna moeiteloos ingevuld. Het beroep op nietigheid wordt daarom verworpen, zij het dat desondanks een verdere inhoudelijke behandeling van de claim van [eiser] onmogelijk en onwenselijk geacht wordt.

3.5

Gelijksoortige bezwaren als die B & O deden concluderen tot nietigheid van het exploot, brengen de kantonrechter immers tot de beslissing [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn veel te weinig precieze, veel te weinig beargumenteerde en veel te weinig onderbouwde (en bovendien niet van bewijsmiddelen noch van een bewijsaanbod) voorziene

vordering tegen B & O. Niet aan te nemen valt dat - met het exploot van dagvaarding als vertrekpunt - een goed processueel debat kan plaatsvinden ter zitting of bij geschrifte zonder de regels van behoorlijke procesorde, gelijke proceskansen en zorgvuldige besluitvorming geweld aan te doen. Op deze eis kan niet of nauwelijks een zinvolle beslissing volgen die beide partijen recht doet. Niet-ontvankelijkheid in deze fase van de procedure (dus zonder tweede procesronde) is dan het betere alternatief van algehele afwijzing van de vordering.

3.6

Als aldus in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] in de proceskosten verwezen. Aan de zijde van B & O worden deze tot dit moment bepaald op een bedrag van € 250,00 aan salaris gemachtigde.

4 BESLISSING

De kantonrechter komt tot het navolgende oordeel:

4.1

[eiser] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tegen B & O.

4.2

[eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van B & O tot de datum van dit vonnis bepaald op € 250,00.

4.3

Het vonnis wordt voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS